NJB 2020/1210
De rechtsstatelijke Leviathan
Over Thomas Hobbes in tijden van crisis
Maurice Adams, datum 11-05-2020
- Datum
11-05-2020
- Auteur
Maurice Adams1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS199749:1
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Rechtswetenschap / Rechtsfilosofie
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Prof. mr. M. Adams is hoogleraar Encyclopedie van het Recht aan Tilburg Law School. Dit artikel werd in eerste instantie voorbereid ten behoeve van een debatavond te Brussel (‘Hoe modern is de Leviathan?’, 5 december 2019), en steunt en bouwt voort op: ‘“Fear and I were born twins together” Over de actualiteit van Hobbes’ politieke theorie’, in: M. Adams en W. Lemmens (red.), In de schaduw van Leviathan. De filosofie van Thomas Hobbes, Kapellen: Pelckmans/Klement 2007. Dank aan Emma Cohen de Lara (UvA), Pieter Ippel (UCR/UU), Ronald Janse (OU), Corien Prins (WRR/Tilburg) en Thije Adams voor hun commentaar.
‘Wij offeren alles op voor een gevoel van veiligheid’, NRC Handelsblad 20 maart 2020. Grunberg geeft tevens aan dat het moeilijk is te onderscheiden tussen een gevoel van veiligheid en de realiteit.
Op Grunberg kom ik kort terug in par. 4.a van dit artikel.
Voluit: Leviathan. Or the Matter, Forme & Power of A Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill. Er bestaan vele edities van dit werk. Hier verwijs ik naar de hoofdstukken en paginering van de Nederlandstalige editie, vertaald door W.E. Krul: Leviathan, Amsterdam: Boom 2010. De term ‘Leviathan’ ontleende Hobbes aan het Bijbelboek Job, waar het staat voor de toestand van vóór de schepping, toen alles in duistere watervloed geborgen was, en die werd verpersoonlijkt in het zeemonster met die naam. Het komt voor het eerst voor in het achtste vers van het derde hoofdstuk van het boek Job en verder in de hoofdstukken 40-41. Daarnaast ook in de Psalmen 74:14 en 104:26, en bij de profeet Jesaja 27:1.
R.S. Dunn, The Age of Religious Wars, 1559-1715, New York: Norton & Company 1979. Tevens A.M. Donner, Wie maakt de geschiedenis, Kok: Kampen 1987. Voor biografische gegevens over Hobbes, zie vooral A.P. Martinich, Hobbes. A Biography, Cambridge: Cambridge University Press 1999, 390 p.
Hoofdstuk XIII, p. 97. Mensen zijn dan als wolven voor elkaar (‘Homo, homini lupus’), zegt men dan weleens. Een frase overigens die veelvuldig aan de Leviathan wordt toegeschreven, maar die als zodanig in dat boek niet wordt gebruikt. Zie P.J. Johnson, ‘Hobbes and the Wolf-Man’, in: J.G. van der Bend (ed.), Thomas Hobbes. His View of Man, Amsterdam: Rodopi 1982, p. 31-44. Tevens H. Achterhuis, Het rijk van de schaarste. Van Hobbes tot Foucault, Amsterdam: Ambo 1988, p. 15 en p. 61.
Hobbes stelt overigens dat in de natuurtoestand niet noodzakelijk structureel geweld heerst. Het gaat hem ook om de dreiging van oorlog, om de angst dat die steeds opnieuw kan uitbreken en om de onzekerheid die dat met zich brengt. Zie hoofdstuk XIII, p. 98.
Ik verwijs hier naar het mooie boek van Floris Cohen, De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard, Amsterdam: Bert Bakker 2007 (het perspectief van dit boek is wetenschapshistorisch).
In een aantal passages in hoofdstuk XIII (zie p. 97) omschrijft hij de problemen die gelijkheid in de natuurtoestand met zich brengt. Het is mede door het faciliteren van die gelijkheid waardoor de soeverein vrede en stabiliteit kan garanderen. Het is een onderwerp dat via de route van schaarste ook door Achterhuis werd gethematiseerd. Zie H. Achterhuis, Het rijk van de schaarste. Van Hobbes tot Foucault, Amsterdam: Ambo 1988, 365 p.
Zie tevens hoofdstuk XIX, p. 141.
Zie voetnoot 3.
Merk tevens op dat uit de titelpagina verder blijkt dat de Leviathan inderdaad heerst, of kan heersen, over alle aspecten van het leven: de kerk, het leger, en alle andere instituties en middelen die daartoe behoren. Zie: www.norton.com/college/english/nael/17century/topic_3/hobbes.htm.
Hierover tevens W.J. Witteveen, ‘Hobbes en de gekunsteldheid van het gezag’, RegelMaat 2003, p. 114-116.
Zie hoofdstuk XXX, p. 254-255.
Zie hoofdstuk XXX, p. 256.
Zie hoofdstuk XXX, p. 254.
Zie hoofdstuk XXX, p. 255. Caritas zag Hobbes niet zitten.
Zie hoofdstuk XXX, p. 255.
In zijn bekende omschrijving van het grimmige leven in de natuurtoestand (zie par. 2 van dit artikel) wordt uitdrukkelijk naar de afwezigheid van cultuur verwezen.
Zie tevens R. Tuck, Hobbes, Oxford: Oxford University Press 1989, p. 72-73.
De metafoor van de winter- en de zomerdijk komt van Trappenburg, die die gebruikte om de relatie tussen wetgeving en biomedische ethiek te duiden. Zie M.J. Trappenburg, ‘De wet als winterdijk’, Ars Aequi 1998, p. 802-808. Vgl. W.J. Witteveen, ‘Hobbes en de gekunsteldheid van het gezag’, p. 116.
Als soeverein is hij dat dus niet. Zie verder ook hoofdstuk XXI, p. 167 en hoofdstuk XXVI, p. 198. Over de gebondenheid aan de wet, rechtsstaat en strafrechtelijke legaliteit, zie R. Janse, ‘Het lege natuurrecht van Thomas Hobbes’, in: M. Adams & W. Lemmens (red.), Thomas Hobbes. In de schaduw van Leviathan, Kapellen: Pelckmans 2006, p. 67-89. Voor het perspectief van het strafrecht, zie P. De Hert & M. Colette, ‘Naakt binnenstappen met het sociaal contract? Hobbes’ actuele strafrechtelijke inzichten nuanceren het absolutistische beeld’, in: A. Kinneging, P. De Hert & M. Collette (red.), Thomas Hobbes, Budel: Damon 2019, p. 152-207.
En als hij zich als soeverein niet aan de natuurwet houdt, dan zal hij daar verantwoording voor moeten afleggen voor God. Zie de reeds aangehaalde passage uit hoofdstuk XXX, p. 247.
Zie hoofdstuk XXI, p. 161.
Aldus W.E. Krul in zijn ‘Nawoord’ bij de Nederlandstalige editie van de Leviathan, Amsterdam: Boom, p. 548. Zie tevens E. Curran, ‘Hobbes’s Theory of Rights: A New Application’, in: S.A. Lloyd (ed.), Hobbes Today. Insights for the 21st Century, p. 25-48.
De natuurwetten (lex naturalis) zijn voorschriften, door de rede aan het licht gebracht, op grond waarvan het iemand verboden is zichzelf te gronde te richten of hem de middelen te ontnemen zichzelf te behouden, en datgene na te laten, waardoor hij naar zijn mening het beste bewaard blijft.
Het gaat hier om het principe van zelf- of lijfsbehoud (een jus naturale volgens Hobbes), wat in zijn dagen niet al te controversieel was, aangezien men in de christelijke traditie dat zelfbehoud veelal als een plicht tegenover God begreep (hoewel Christus als zelfoffer illustreert dat het aards menselijk leven niet ten koste van alles behouden moet blijven). Hobbes omschreef het als een onbeperkt recht van eenieder, zelfs op het leven en lichaam van anderen. Het kan, zeker in combinatie met de eerder vermelde begeerten, zomaar leiden tot doodsangst voor elkaar. Zie hoofdstuk XIV, p. 100.
A. Abizadeh, ‘The Representation of Hobbesian Sovereignty: Leviathan as Mythology’, in: S.A. Lloyd (ed.), Hobbes Today: Insights for the 21st Century, Cambridge: Cambridge University Press 2013, p. 113-152.
Hobbes zelf heeft de spanningen tussen zijn absolutistische soevereiniteitsleer en de sociale werkelijkheid scherp aangevoeld. Vermoedelijk daarom komt hij aan het einde van de Leviathan plots met een nieuwe natuurwet op de proppen, waarin hij weer wat terug lijkt te krabbelen: ‘Dat iedereen van nature verplicht is om, zoveel als in zijn vermogen ligt, in tijd van oorlog de autoriteit te beschermen waardoor hij in vredestijd beschermd wordt. Want als iemand aanspraak maakt op een natuurlijk recht op lijfsbehoud, kan hij niet tegelijk aanspraak maken op het recht om degene te gronde te richten door wiens kracht hij behouden blijft. Hij is dan onmiskenbaar met zichzelf in tegenspraak.’ (Terugblik en conclusie, p. 518).
Wat de hedendaagse vaak eenzijdige aandacht voor zijn absolutistische denken onverlet laat; bijvoorbeeld van door Hobbes geïnspireerde denkers als Carl Schmitt en al dan niet Amerikaanse Neo-Con’s. Ik verwijs hier kortheidshalve naar J.P. McCormick, ‘Teaching in Vain: Carl Schmitt, Thomas Hobbes, and the Sovereign State’, in: J. Meierhenrich & O. Simons (eds.), The Oxford Handbook of Carl Schmitt, Oxford: Oxford University Press 2017, p. 269-290.
Vgl. ook W.E. Krul in zijn ‘Nawoord’ bij de Nederlandstalige editie van de Leviathan, p. 564.
Dyzenhaus beargumenteert deze stelling via een andere weg, en met uitgebreide tekstuele ondersteuning: D. Dyzenhaus, ‘Hobbes’s Constitutional Theory’, in: de uitgave van de Leviathan door I. Shapiro (ed.), New Haven: Yale University Press 2010, p. 453-480, in het bijzonder p. 475. Zie tevens P. Zagorin, Hobbes and the Law of Nature, Princeton: Princeton University Press 2010 en E. Fox-Decent, ‘Hobbes Relational Theory: Beneath Power and Consent’, in: D. Dyzenhaus & T. Poole (eds.), Hobbes and the Law, Cambridge: Cambridge University Press 2012, p. 118-144.
Een zoektocht via google op het trefwoord corona in combinatie met Hobbes en/of Leviathan, leert dat Grunberg niet de enige was met die associatie.
S. Holmes, ‘In Case of Emergency: Misunderstanding Tradeoffs in the War on Terror’, 97 California Law Review 2009, p. 302-303 (cursivering toegevoegd). Hierover tevens M. Krygier, ‘Tempering Power’, in: M. Adams, E.M.H. Hirsch Ballin & A. Meuwese (eds.), Constitutionalism and the Rule of Law. Bridging Idealism and Realism, Cambridge: Cambridge University Press 2017, p. 53-54.
Dat was ook de teneur van de recente toespraak van Angela Merkel voor de Duitse bevolking. www.sueddeutsche.de/politik/corona-merkel-1.4850747 Pierre Rosanvallon heeft het in dit verband over ‘leesbaar leiderschap’. Zie zijn Le Bon Gouvernement, Paris: Seuil 2015. Ik verwijs verder naar de bijdragen van A. Hendriks en van B. Roozendaal & S. van de Sande, in het ‘Corona’ themanummer van het Nederlands Juristenblad van 9 april, waarin onder meer deze thematiek vanuit positiefrechtelijk perspectief wordt besproken.
M. Krygier, ‘Tempering Power’, p. 53.
Het kan overigens ook een kunstmatige entiteit zoals een parlement zijn.
Zo luidt ook de Engelstalige titel van hoofdstuk XXX.
Wat een totaal andere visie betekent in vergelijking met de minstens tot dan heersende doctrine die leerde dat het overheidsgezag door God aan de vorst geschonken was, dus ‘natuurlijk’ was. Zie tevens hoofdstuk XVI, p. 125.
W.T. Eijsbouts, ‘Over de context en de kern van Thomas Hobbes’ staatsleer’, Theoretische Geschiedenis 1997, p. 47-49. Tevens Y. Zarka, Hobbes et la pensée politique moderne, Paris: Presses Universitaires de France 1995.
Vgl. Eijsbouts, die zo’n visie als een antidotum tegen dergelijke onprettige doctrines ziet.
Zie hierover vanuit institutioneel perspectief tevens het mooie artikel van Hans Lim A Po, ‘Achterwaartse democratisering in Suriname. Een rechtsstatelijk en institutioneel leerproces’, NJB 2019/2496, afl. 44, p. 3025-3034.
De Standaard 14 oktober 2019, ‘Als de knokploeg het parlement betreedt’. Recente debatten in het House of Commons in het VK blijken ‘sprekend’. Zie: www.youtube.com/watch?v=rlsGGq4p0wM en www.bbc.com/news/uk-politics-49833804 en www.independent.co.uk/news/uk/politics/borisjohnson-brexit-latest-today-deal-dianeabbott-jo-cox-language-a9120911.html en www.youtube.com/watch?v=XcO4QazJiWE&feature=youtu.be.
Uitgebreid hierover N. McArthur, ‘“Thrown amongst Many”: Hobbes on Taxation and Fiscal Policy’, in: S.A. Lloyd (ed.), Hobbes Today. Insights for the 21st Century, Cambridge: Cambridge University Press 2013, p. 178-189.
Vaak via een pleidooi voor meer structurele aandacht voor de zwakkeren in de samenleving. Zie bijvoorbeeld het mooie redactioneel door Corien Prins: ‘Anderhalve- meter-recht’, NJB 2020/878, afl. 14, p. 937. Zie tevens en meer uitgebreid over deze thematiek: T. Judt, Ill Fares the Land, London: Allen Lane 2010, 237 p.; P. Rosanvallon, La société des égaux, Paris: Seuil 2011, 428 p. en tevens de schriftelijke weergave van de Witteveen-lezing 2018 door Kim Putters: K. Putters & L. van Nooije, ‘Hoeveel ongelijkheid kan een democratische rechtsstaat verdragen?’, NJB 2018/62, afl. 2, p. 94-99.
De Standaard 8 april 2004.
Wat kan Hobbes ons in tijden van crisis leren en welke inzichten heeft hij ons als constitutioneel en rechtsstatelijk denker te bieden? Dat zijn zijn inzichten over de aanvaarding van staatsgezag en de betekenis van vrijheid, over de aard van representatie en over wat nodig is om geweldloos met elkaar samen te leven. Cipiers met een autoritair karakter moeten er niet op rekenen zich al te zeer aan Hobbes te kunnen laven. In retrospectief zijn in zijn Leviathan namelijk prominent de contouren te herkennen van wat wij vandaag een democratische rechtsstaat plegen te noemen. Hobbes is een denker die vorm heeft gegeven aan de structuren en principes van de moderne burgerlijke samenleving. Juist daardoor blijft hij aanzetten tot reflectie over wat nodig is om in een rechtsstaat te leven, ook in tijden van crisis.
1. Inleiding
In een recent essay in NRC Handelsblad naar aanleiding van de coronacrisis, stelt Arnon Grunberg dat het de primaire taak van de overheid is de burgers een gevoel van veiligheid te verschaffen.2Zeker als de nood echt aan de man komt, blijken die burgers ook bereid om in ruil voor veiligheid hun rechten ongekwalificeerd aan de staat over te dragen. Grunberg brengt dergelijke gang van zaken uitdrukkelijk in verband met het gedachtegoed van Thomas Hobbes (1588-1679), de vroegmoderne denker uit Engeland, en is er erg kritisch over.3
Hobbes werd en wordt veelvuldig opgevoerd als pleitbezorger van een onbeperkt (absoluut) overheidsgezag. En hoewel hij daar in zijn belangrijkste werk Leviathan uit 16514tevens voor argumenteert, valt bij nadere lezing daarvan ook de aanzet te herkennen van wat wij vandaag een democratische rechtsstaat plegen te noemen. In dit artikel belicht ik de rechtsstatelijke elementen uit de Leviathan, en vertaal ik die naar een aantal hedendaagse situaties. Daarbij besteed ik aandacht aan wat Hobbes ons in tijden van crisis zou kunnen leren, maar ook aan de blijvende inzichten die hij ons als constitutioneel en rechtsstatelijk denker heeft te bieden. Het gaat dan over de aanvaarding van staatsgezag en de betekenis van vrijheid, over de aard van representatie en over wat nodig is om geweldloos met elkaar samen te leven. Allemaal erg actuele vragen. Maar voor ik daaraan toekom moet ik eerst iets zeggen over waarom Hobbes zo vaak als absolutist wordt opgevoerd.
2. Hobbes als absolutist
Hobbes was in zijn dagen persoonlijk getuige van een heel aantal politieke conflicten en uiterst destructieve burger- en religieuze oorlogen. De tijd waarin hij leefde is een van de meest turbulente uit de Europese en Engelse geschiedenis, en leidde tot miljoenen dodelijke slachtoffers.5 Dat vormde voor hem het bewijs waartoe een gebrek aan centraal overheidsgezag zou kunnen leiden. Sterker nog, Hobbes was geobsedeerd door de conflicten tussen parlement en royalisten die Engeland in zijn dagen doorstond. Deze conflicten kenden als directe oorzaak een amalgaam van meningsverschillen over kwesties als geld, macht en godsdienst, met de Engelse burgeroorlog van 1642 tot 1649 als hoogtepunt. De presentatie van de politieke en staatkundige theorie van Hobbes houdt rechtstreeks verband met deze levenservaring: het komt er wat Hobbes betreft op aan om te allen prijze oorlog te vermijden. En het is de soeverein die daar garant voor moet staan. In de bekende apocalyptische beschrijving van de zogenaamde natuurtoestand schetst hij wat er kan gebeuren als sterk overheidsgezag ontbreekt:
‘In deze toestand is er geen plaats voor doelgerichte arbeid, want het is niet zeker dat deze resultaat zal hebben; er is dan ook geen landbouw; geen scheepvaart, en geen gebruik van goederen die over zee kunnen worden aangevoerd; geen architectuur; geen werktuigbouw, om dingen te verplaatsen en te verwijderen die veel kracht vergen; geen kennis van het aardoppervlak; geen tijdrekening; geen beeldende kunst; geen letterkunde; geen maatschappelijk leven; en wat het ergste is, een voortdurende angst voor en dreiging van een gewelddadige dood; het menselijk bestaan is er eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort.’ (XIII, p. 98).
Hobbes evoceert een wetteloze situatie waarin mensen door de totale vrijheid die ze hebben elkaar naar het leven staan. Dat heeft te maken met de begeerten waarmee ze behept zijn: wedijver zorgt ervoor dat men elkaar bestrijdt uit winstoogmerk, de trots leidt tot conflicten omdat mensen hun reputatie willen hooghouden, en uit wantrouwen valt men elkaar aan om zelf veilig te zijn.6 Vandaar dat er een gemeenschappelijke macht nodig is die kan voorkomen dat dit aanleiding geeft tot ‘een toestand die we oorlog noemen, en wel een oorlog van allen tegen allen (…) waarin iedereen ieders vijand is.’ (XIII, p. 97).
Vanuit zijn ervaring met geweld en oorlog7 komt Hobbes tot een pleidooi voor de instelling van een soeverein, de Leviathan of de ultieme machthebber, die garant moet staan voor het overleven van de mens. Hij gebruikt daarvoor de fictie van een sociaal contract: de burgers roepen op een zeker moment die soeverein eenzijdig door middel van een sociaal contract in het leven; pouvoir constituant originaire. De soeverein is dus de plaats waar alle macht samenkomt. Hij wordt bovendien tot vertegenwoordiger van de politieke gemeenschap, en niet van de burgers zelf. Het is
‘een ware eenwording van hen allen [die hem stichten], in een en dezelfde persoon, die tot stand komt door een overeenkomst van iedereen met iedereen, alsof iedereen tegen ieder ander zou zeggen: lk autoriseer deze mens of deze vergadering, en sta mijn recht om mij zelf te besturen aan hem af, op voorwaarde dat gij ook uw recht aan hem afstaat, en op dezelfde wijze al zijn handelingen autoriseert. Als dit is gebeurd, noemen we de menigte die in één persoon verenigd is, een STAAT, of in het Latijn CIVITAS. Dit is de geboorte van de grote LEVIATHAN, of liever (om ons eerbiediger uit te drukken) van de sterfelijke god, aan wie wij onder de onsterfelijke God onze vrede en veiligheid danken.’ (XVII, p. 132).
Meer algemeen tekent zich in Hobbes’ politieke en staatkundige denken een antwoord af op de uitdagingen van de zich ontwikkelende Moderniteit en de onzekerheden die dat met zich mee bracht. Hobbes’ tijd werd niet alleen gekenmerkt door godsdienstoorlogen als gevolg van de opkomst van de reformatie, maar ook door wetenschappelijke revoluties (de fysica van Newton en Galilei), door de ontdekkingsreizen die sinds de vijftiende en zestiende eeuw hebben plaatsgevonden (de confrontatie met andere culturen, en het daaruit voortvloeiende relativisme), door het ontstaan van grootschalige handel, de uitvinding van de boekdrukkunst, het wegvallen van de zekerheid van de feodale gezagsstructuur (met meer gelijke verhoudingen tot gevolg), et cetera.8
Hobbes voelde als geen ander aan dat deze ontwikkelingen, door de resulterende competitie tussen mensen onderling, tot onzekerheid en samenlevingsproblemen zouden kunnen leiden.9 Juist de gevolgen daarvan worden in zijn hiervoor gegeven schets van de natuurtoestand geprojecteerd. Voor hem veranderde daardoor tevens de rol van de politiek en het recht. In het werk van Hobbes wordt de staat vooral gezien als een menselijke creatie: politiek en recht werden niet meer in de eerste plaats vanuit een religieuze overweging benaderd, maar veeleer als een vraagstuk van conflictbeheersing en ordening van de samenleving (vrede, oorlog en veiligheid).
Vooral in hoofdstuk XVIII benadrukt hij niet alleen de ondeelbaarheid van de soeverein, maar tevens het absolute ervan. Er staat in opgesomd wat de soeverein allemaal gerechtigd is te doen: vrede sluiten en oorlog verklaren, geschilbeslechting, regels opstellen, eigendom regelen, ministers en raadslieden kiezen, et cetera. Veel ademruimte lijkt er voor de burgers niet te zijn. Maar daar heeft Hobbes wel een uitleg voor:
‘Iemand zou nu kunnen tegenwerpen dat het maar een beklagenswaardige positie is om onderdaan te zijn. (…) [Maar zulke] mensen denken er te weinig over na dat het bestaan nooit vrij van ongerief kan zijn, en dat het ergste wat een volk als geheel kan overkomen, onder welke vorm van regering dan ook, nauwelijks merkbaar is vergeleken bij de ellende en de gruwelijke rampen waarmee een burgeroorlog gepaard gaat, of de teugelloze toestand waarin mensen verkeren zonder heer en meester, die niet aan wetten zijn onderworpen en geen dwingende macht kennen (…).’ (XIX, p. 140-141).10
Absolute macht is noodzakelijk, aldus Hobbes, de burgers missen immers een helder inzicht in hun eigen begeerten en omstandigheden, en totale gehoorzaamheid is nu eenmaal de prijs voor vrede: beter een slechte dan geen soeverein, zo lijkt hij te zeggen. Keer op keer benadrukt hij het belang van die soeverein. En juist omdat de soeverein geen partij is bij het sociaal contract op grond waarvan hij zijn macht verwerft – hij wordt immers eenzijdig in het leven geroepen –, hoeft hijzelf zich niet aan dat contract te houden. Hij kan doen wat hij wil, zoals het een absolutistisch heerser betaamt. Op de bekende oorspronkelijke titelpagina van de Leviathan, waarop de soeverein als een massief lichaam van achter de horizon verschijnt en het vredige land overziet en overheerst, wordt die constructie met kracht visueel gemaakt: dat wat er op het eerste gezicht uitziet als het maliënkolder van de soeverein (of zijn het de schubben van een zeemonster?),11die zowel wereldlijk zwaard als bisschopsstaf in zijn handen draagt, blijkt bij attent kijken een weergave van de personen die de Leviathan hebben gesticht en die nu door zijn lichaam zijn opgenomen en aan hem zijn onderworpen.12
3. De rechtsstatelijke Hobbes
De maatschappelijke en politieke crises waarmee Hobbes werd geconfronteerd en die de vormgeving en presentatie van zijn Leviathan hebben getekend, maken dat het boek vaak wordt gelezen als vooral een pleidooi voor absoluut staatsgezag. Hobbes heeft zijn politieke theorie over de absolute soeverein dusdanig sterk ingezet, ook visueel, dat vooral zijn stellingen daarover overheersen. Toch reikt zijn werk meer inzicht aan dan dat aspect alleen. En eigenlijk wordt het pas dan echt interessant, ook omdat er in directe zin al heel wat actueel rechtsstatelijk inzicht in te herkennen valt.13
Voor de hand ligt dan de constatering dat in de conceptuele vormgeving van het sociaal contract zich wel degelijk een begin van een democratisch legitimiteitsoordeel aftekent: het zijn immers de mensen zelf die door het creëren van de soeverein een vorm van politieke macht bewerkstelligen. En die mensen doen dat, in de natuurtoestand, als gelijken in vrijheid. Dat die natuurtoestand en het sluiten van het sociaal contract een historische fictie zijn (hoewel de schets van de natuurtoestand voor Hobbes zelf, gezien zijn levenservaring, toch ook weer niet zo fictief leek), doet aan die constatering niets af.
Verder lezen we in hoofdstuk XXX over de soeverein als hoeder van het algemeen belang. Want niet alleen knapt hij het ‘vuile werk’ van de rechts- en ordehandhaving op, zodat de burgers zich daar zelf niet meer over hoeven te bekommeren, maar hij ziet voor zichzelf ook een rol als opvoeder in rechtvaardigheid; iemand met taken die het individuele overstijgen, en die het welzijn van het volk als geheel op het oog heeft.
‘DE TAAK van de soeverein, of dit nu een vorst is of een vergadering, is het doel waarmee hem de soevereine macht wordt toevertrouwd, namelijk het bevorderen van de veiligheid van het volk. (…) Met veiligheid bedoel ik hier overigens niet alleen lijfsbehoud, maar ook alle andere genoegens van het leven die iemand rechtmatig, zonder dat de staat in gevaar komt of schade loopt, door eigen inspanning kan verkrijgen. Dit betekent dat de soeverein zorg moet verlenen aan individuele personen, behalve door hen te beschermen tegen schade wanneer zij hierover klagen, maar dat hij algemene voorzorgsmaatregelen moet treffen, door de juiste leerstellingen en voorbeelden te laten onderwijzen en door goede wetten te maken en ten uitvoer te leggen, zodat iedereen aan de hand hiervan zijn eigen zaken kan inrichten.’ (XXX, p. 247, cursivering toegevoegd).
En zo zijn er nog heel wat passages over wat het betekent een redelijke soeverein te zijn. Zo bepleit Hobbes in datzelfde hoofdstuk het heffen van (al dan niet proportionele) belastingen,14is hij voorstander van transparante en duidelijke wetgeving zodat de mensen niet misleid kunnen worden,15blijkt hij voorstander van gelijke rechtsbedeling,16 en ook van overheidsmaatregelen die ervoor zorgen dat eenieder zelf in levensonderhoud kan voorzien,17meent hij dat landloperij voorkomen moet worden (door het herverdelen van mensen over het land, naar die plaatsen waar ze nuttig kunnen worden ingezet (werkplicht!)),18waardeert hij het belang van letterkunde en cultuur.19Et cetera. Het zijn allemaal maatregelen die de welvaart van het land en het welzijn van zijn burgers moeten bevorderen. En daar zou een dempende invloed op conflicten vanuit kunnen gaan. De taak van de soeverein om lijfsbehoud te garanderen, gaat zo begrepen dan ook verder dan wat in directe zin uit die taak af te leiden valt.20
Interessant is ook de passage waarin Hobbes zijn wetgevingsopvatting bepleit, en waarin hij een mooie metafoor gebruikt:
‘Wetten (die niets anders zijn dan door de staat afgekondigde spelregels) dienen immers niet om mensen iedere vrijwillige handeling te beletten, maar om hun richting te geven en hun koers zodanig te sturen dat zij geen schade ondervinden van hun eigen plotseling opkomende begeerten, onnadenkendheid of roekeloosheid. Heggen worden ook niet aangelegd om reizigers te hinderen, maar om hen op het pad te houden. Daarom is een wet die niet nodig is geen goede wet, want zij beantwoordt niet aan het doel van de wet.’ (XXX, p. 255-256).
Niet alles is gebonden, zo blijkt. Maar uiteraard is ook niet alles vrij. En de wet dient daarbij als veilige gids. Of om een andere metafoor te gebruiken: de wet als winterdijk,21 die de stroom van het handelen stuurt en grenzen stelt aan de menselijke begeerten, maar die toch op afstand blijft. Tussen de zomer- en de winterdijk, in de uiterwaarden, heeft de rivier van het menselijk handelen behoorlijk vrij spel. Sterker nog, de uiterwaarden zijn zeer vruchtbaar, precies omdat het water van de rivier er regelmatig zijn gang kan gaan. Slechts indien de rivier te onstuimig wordt en het water een te hoge stand bereikt, dient de soevereine winterdijk de burgers die in de nabijheid van de rivier wonen te beschermen tegen overstromingen.
En zo maakt Hobbes ook een onderscheid tussen de soeverein als burger en de soeverein als soeverein, en stelt hij dat de soeverein als burger ook aan de civiele wetten is onderworpen.22 Hierdoor komt een vorm van rechtsstatelijke legaliteit in zicht: als burger heeft de soeverein zich immers eveneens te houden aan de wetten waaraan alle andere burgers zijn onderworpen.23Ongecontroleerde machtsuitoefening moet wat dat betreft worden vermeden.
Maar de grootste vrijheid ligt toch wel besloten, aldus Hobbes, in het stilzwijgen van de wet. Dan is de burger vrij en hoeft hij dus niet af te wachten tot de soeverein iets beveelt: ‘In de gevallen waarin de soeverein geen regel heeft voorgeschreven, heeft de onderdaan de vrijheid om te doen of te laten overeenkomstig zijn eigen oordeel.’ (XXI, p. 166). Hobbes denkt dan bijvoorbeeld aan de vrijheid van koop en verkoop en van andere wederzijdse overeenkomsten, aan de vrijheid om een eigen woonplaats, levensonderhoud en beroep te kiezen, en aan de vrijheid om de eigen kinderen groot te brengen op de manier die men zelf wenselijk acht.24
De burger kan door deze vrijheden dus ook voor zijn eigen belangen opkomen, en de wet kan dan vooral dienen om socialiteit te bevorderen eerder dan initiatief af te remmen.25Cruciaal bij dit alles is natuurlijk wel dat mensen zich aan hun afspraken houden. Vandaar de zogenoemde natuurwetten,26die rechtstreeks uit de Bijbel zijn te halen, en waarvan er volgens Hobbes negentien zijn. De derde staat daarbij wel heel centraal: ‘dat mensen hun overeenkomsten nakomen. Want overeenkomsten die niet nageleefd worden dienen tot niets, en zijn maar holle woorden.’ (XV, p. 110). Pacta sunt servanda. Zonder dat is stabiliteit en socialiteit niet mogelijk, en is zelfs het afsluiten van een sociaal contract ondenkbaar.
En tenslotte vermeld ik de merkwaardige maar ook bijzonder betekenisvolle passage waarin hij stelt dat
‘[d]e verplichting van de onderdanen tegenover de soeverein blijft net zo lang van kracht, en niet langer, als de macht duurt waarmee hij hen kan beschermen. Want het recht dat mensen van nature hebben om zichzelf te beschermen wanneer niemand anders daartoe in staat is, kan door geen overeenkomst worden opgeheven.’ (XXI, p. 168).
Blijkbaar is absolute gehoorzaamheid aan de soeverein dan toch niet vereist, maar toch ook weer niet helemaal, althans alleen als hij tegemoetkomt aan datgene waarvoor hij is opgericht: dat is de vrede garanderen en overleven mogelijk maken. Het lijkt wel alsof Hobbes hier zijn hele redenering weggeeft en de macht van de soeverein compleet onderuit haalt! Is die soeverein nu wel of niet aan het sociaal contract gebonden, is hij nu wel of niet absoluut? Hobbes laat zich hier waarschijnlijk uit over wat er kan gebeuren als de soeverein zich niet aan zijn opdracht houdt en er toch een oorlogscrisis uitbreekt. Hij ziet dat als een terugkeer naar de natuurtoestand, waarin de mens weer voor zichzelf mag en moet opkomen.27Dat ziet Hobbes natuurlijk liever niet gebeuren. Vandaar dat de passage tevens lijkt te verwijzen naar de aan het begin van deze paragraaf aangehaalde opmerkingen over de redelijke soeverein: Hobbes wist maar al te goed dat geen enkele sterfelijke soeverein zo almachtig kan zijn dat hij de herculische taak van het creëren van orde en veiligheid volledig op eigen kracht kan waarmaken; daarvoor heeft hij draagvlak van zijn burgers nodig en aandacht voor hun welzijn is dan belangrijk. Enerzijds moeten de burgers dus beseffen dat ze goede redenen hebben om de soeverein te gehoorzamen in de mate dat hij voor veiligheid én een zekere welvaart zorgt.28Anderzijds moet juist dat inzicht ook prominent op het netvlies van de soeverein staan. Een abstract ‘top down’ absolutisme past daar niet bij.29
‘Het belang van de soeverein en het belang van het volk kunnen niet van elkaar worden onderscheiden. Een soeverein met zwakke onderdanen is een zwakke soeverein, en een volk met een soeverein die niet de macht heeft om hen te regeren zoals hij dat wil, is een zwak volk.’ (XXX, p. 256).
4. De hedendaagse Hobbes
Nadere lezing van Hobbes’ werk, zo blijkt, reikt veel meer inzicht aan dan het absolutistische aspect ervan alleen. Zijn werk zit vol met spanningen: met formele opvattingen over de minimale taak van de soeverein (vrede garanderen en overleven mogelijk maken) die worden vervlochten met inschikkelijke beschouwingen over de reikwijdte van de vrijheid, en over wat samenleven faciliteert. In het ene register doordenkt hij de uiterste consequentie van een aantal bedreigende maatschappelijk-politieke ontwikkelingen waarmee hij werd geconfronteerd, in het andere schetst hij de ook staatkundige contouren van een leiderschap dat het mogelijk maakt om op vrije wijze met elkaar samen te leven.
Ik durf de stelling wel aan dat indien Hobbes slechts als pleitbezorger van een absoluut heerser kan worden begrepen, zijn werk de tand des tijds niet zou hebben doorstaan.30De context van burgeroorlog kan weliswaar de specifieke presentatie van de Leviathan verklaren – en voor Hobbes is in ieder geval de stevige aandacht voor absolute gehoorzaamheid aan de heerser het gevolg van de heel concrete confrontatie met een unieke en gewelddadige dynamiek in een fundamenteel instabiele staat – maar niet de subtiliteit en diepgang ervan.
Zoals dat bij grote denkers vaak het geval is, overstijgt ook het contextbepaalde werk van Hobbes de tijd en ruimte waarin het werd geschreven. In de vorige paragraaf benadrukte ik een aantal passages die ook thans direct herkenbaar zijn. Maar ook op een dieper niveau confronteert Hobbes ons in de Leviathan nog steeds met fundamentele vragen over de aanvaarding van staatsgezag en de betekenis van vrijheid, over de aard van representatie, over de grenzen van macht, en over wat nodig is om geweldloos met elkaar samen te leven.31Het zijn vragen die nog steeds aan de orde zijn, en waarbij zijn denken als startpunt voor een analyse van de actualiteit kan fungeren. Ik geef een paar voorbeelden.
a. Het rechtsstatelijk potentieel van legaliteit in tijden van crisis
Zoals in par. 3 werd betoogd, realiseerde Hobbes zich maar al te goed dat de soeverein uiteindelijk ook van zijn burgers zelf afhankelijk is; zonder hun steun is een stabiele staat of samenleving niet mogelijk. Door de afhankelijkheidsrelatie tussen soeverein en burgers te benadrukken komt een vorm van democratische wederkerigheid en legitimiteit in beeld. En hoewel de soeverein zelf (als soeverein) formeel niet aan de wet is gebonden en dus willekeurig zou kunnen handelen, brengt die wederkerigheid ook met zich mee dat hij zichzelf best ook aan de wet gebonden weet. Zo verschijnt Hobbes als een vroege vertegenwoordiger van de rechtsstaatgedachte, die onder meer legitimiteit door legaliteit bepleit.32
Juist dit element lijkt vandaag een treffende les op te leveren. In de inleiding haalde ik reeds Arnon Grunberg aan die de coronamaatregelen van de overheid als ‘Hobbesiaans’ begrijpt.33 Het gaat dan om een overheid die een hernieuwd sociaal contract aangaat, om daarna in verregaande mate de eigen gang te kunnen gaan. Steeds worden burgerrechten beperkt, en parlementaire controlewaarborgen aangepast of zelfs uitgeschakeld. Grunberg brengt de vrijheidsbeperkingen van na 9/11 in herinnering: ‘De antwoorden op de aanslagen van 11 september 2001 bleken fataler dan de aanslagen zelf.’ De bevolking zal echter niet protesteren tegen een dergelijke gang van zaken, zo stelt Grunberg, want aan het gevoel van veiligheid kan vrijwel alles worden opgeofferd. Met Hobbes gaat hij niet verder aan de slag; hij zet hem vooral eenzijdig, dat wil zeggen absolutistisch in.
Toch kan Hobbes’ gedachtegoed ook positief worden aangewend, zeker vanuit het perspectief van legaliteit. De Amerikaanse politicoloog en constitutionalist Stephen Holmes heeft in dit verband na 9/11 fascinerend de vergelijking met medische crises gemaakt, en vooral de situatie in spoedvoorzieningen in ziekenhuizen (EHBO, IC’s).
‘Emergency-room doctors and nurses are not the only professionals who, when faced with a disorienting crisis, limit discretion and abjure gut-reactions, embracing instead a strict adherence to rules and protocols that provide them with a kind of artificial ‘cool head’. (…) Only those who fail to appreciate the gravity of a looming threat would advocate a wholesale dispensing with rules that professionals have developed over time to reduce the error rate of rapidfire choices made as crises unfold.’34
Juist strikt protocollair en transparant handelen maakt dat in de gezondheidszorg, waarin men wel vaker met urgente situaties wordt geconfronteerd, het hoofd koel wordt gehouden. Calamiteiten worden daardoor vermeden en crises hanteerbaar gemaakt. En zo biedt volgens Holmes protocollaire legaliteit ook voor overheden de gelegenheid om crises op een adequate wijze te bezweren, eerder dan die te verergeren door impulsief en oncontroleerbaar handelen. Vertaald naar het domein van de rechtsstaat: als je dan toch grondrechten en vrijheden moet beperken omdat de situatie daartoe aanzet (iets dat niet op voorhand ondenkbaar of uitgesloten is), doe dat dan alleen als ultimum remedium en tijdelijk, op basis van duidelijke en niet te ruim geformuleerde regels, waarbij doel en middel worden gescheiden, en handel er consequent naar. Een dergelijke benadering zet aan tot transparantie en controleerbaarheid,35waardoor de kans dat de betere beslissingen worden genomen het grootst is. Want inderdaad, ‘governments that act in the dark too often lose their way. They do the wrong things, catch and harass the wrong people, miss the right ones. Often they blunder, and if ill-motivated they do worse than blunder, because they can conceal their blunders.’36
b. De staat als artefact versus toe-eigening van de staat
In de tweede plaats: Hobbes wijst erop dat de soeverein weliswaar uit de volkswil ontstaat, maar er daarna los van moet worden begrepen. Hij is zoals gezegd immers geen partij bij het oorspronkelijk sociaal contract, en wordt daardoor ook onderscheiden van het volk. Dat na het sluiten van het sociaal contract – dat wil zeggen: in de echte wereld – aan de burgers niet meer wordt gevraagd wat goed voor hen is, bijvoorbeeld door het organiseren van regelmatige verkiezingen, maakt uiteraard dat we Hobbes geen democraat in de hedendaagse betekenis van het woord kunnen noemen. Ook voor andere vormen van democratische vormgeving, zoals checks and balances en scheiding der machten, had hij geen aandacht. Maar toch: de macht van de soeverein is nooit persoonlijk,37maar ligt besloten in zijn status als houder van ‘the Office of the Sovereign Representative’.38Juist omdat hij zich heeft weten los te wrikken van de massa – omdat de ‘menigte mensen (…) tot één persoon [is] gemaakt’ (XXVI, p. 125) –, kan hij de vertegenwoordiger van de staat worden en het algemeen belang verwoorden.39Dat de staat hiermee een artefact wordt, is een constitutionele vondst die tot op heden als een van de uitgangspunten van iedere democratische ordening geldt:40het gaat dus niet om de persoon maar om de taak, en het maakt de staat tot een denkbeeldige eenheid en autonome entiteit die niet gereduceerd kan worden tot het persoonlijke of particuliere.
Dergelijke visie kan ook vandaag nog als een alternatief worden begrepen voor onprettige doctrines over de natuurlijke samenhang van de politieke gemeenschap en het volk.41Dus ook tegen doctrines die democratie reduceren tot slechts een persoonlijke strijd om de macht (toeeigening van de staat). Ik verwijs naar messianistische of hooliganeske politici in binnen- en buitenland die door ophitsende of zelfs oorlogstaal te bezigen, daartoe aangevuurd door de zogenoemde echo chambers van het internet, maatschappelijke tegenstellingen aanjagen. Mijn inschatting is dat dergelijk taalgebruik er door de huidige crisis niet minder op zal worden. De rechtsstaat is echter in zijn meest algemene en tegelijk meest kernachtige definitie nu juist dé manier om mensen, culturen, religies en generaties met elkaar te verbinden, en dit ondanks dat er tussen die groepen meningsverschillen bestaan – veelvuldige en diepgewortelde meningsverschillen zelfs! – over hoe die samenleving eruit moet zien. Dat was in de tijd van Hobbes actueel, en vandaag is dat nog onverminderd zo. Dat heeft als consequentie dat het van belang is om een geweldloze omgang te vinden met de spanningen die in een democratie onvermijdelijk bestaan,42ook en vooral in tijden van crisis. Tegenstellingen aanjagen past daar niet bij, en zeker politieke leiders hebben wat dit aangaat een bijzondere verantwoordelijkheid. Ian Buruma zei het recent als volgt:
‘Opruiende taal kan er makkelijk toe leiden dat mensen met een neiging tot geweld zich vrij voelen om het ook daadwerkelijk te plegen. Als de president of de premier zegt dat we bedreigd worden door landverraders, dan is het niet alleen geoorloofd om ze te lijf te gaan; het is onze patriottische plicht.’43
c. Hoeveel overheid is nodig om vrij te kunnen leven?
En tenslotte zou je kunnen zeggen dat Hobbes in zijn natuurtoestand als het ware de kenmerken van een rauwe kapitalistische maatschappij heeft geprojecteerd. Wat ons dat vandaag zou kunnen leren, is dat een ongeregelde markteconomie eenvoudig kan leiden tot een instabiele samenleving en rechtsstaat. De overheid – hoe ook geconstrueerd; dat kan voor mij ook een Europese Unie zijn – is nodig om de ontwikkeling van die markt te reguleren en het welzijn van zijn burgers te bevorderen.44Dat wordt gedaan door de grote sociaaleconomische verdelingsmechanismen: collectieve en private verzekeringen, pensioenen, belastingen, onderwijs, et cetera. Het is geen toeval dat voor een herwaardering daarvan momenteel nogal wat aandacht wordt gevraagd.45Hobbes heeft ook wat dit aangaat volgens mij de krijtlijnen uitgezet waarbinnen een rechtsstaat kan functioneren, inclusief een begin van aandacht voor het creëren van een min of meer stabiele middenklasse: een groep van zelfbewuste burgers die niet heel rijk zijn of heel arm, en die daardoor in staat zijn voor hun vrijheid en die van het collectief op te komen. De Engelse historicus John Gray zei het in een interview een aantal jaren geleden als volgt:
‘De boosdoeners van de vorige eeuw waren de totalitaire systemen: nazisme, communisme. Dat heeft geleid tot een diep wantrouwen tegenover big government bij liberale denkers. Intussen leren we dat ook te weinig staat levensbedreigend is. Vrijheid is geen natuurgegeven. Pas de regels van het samenleven maken ons vrij, zoals de filosoof Hobbes al wist: zonder staat val je terug in de oorlog van iedereen tegen allen. Mensen verlangen bescherming van de overheid. Dat gaat verder dan het traditionele monopolie van geweld. Ze willen ook beschermd worden tegen armoede, werkloosheid en uitsluiting. Daarom hebben sociale-markteconomieën ook de grootste legitimiteit bij de bevolking.’46
5. Tot slot
Ik las ergens dat het momenteel gouden tijden zijn voor cipiers met een autoritair karakter. Ik heb proberen duidelijk te maken dat dergelijke figuren er niet op moeten rekenen zich al te zeer aan Hobbes te kunnen laven. In retrospectief zijn in zijn Leviathan namelijk prominent de contouren te herkennen van wat wij vandaag een democratische rechtsstaat plegen te noemen. Hobbes is volgens mij vooral een denker die vorm heeft gegeven aan de structuren en principes van de moderne burgerlijke samenleving. Juist daardoor blijft hij aanzetten tot reflectie over wat nodig is om in een rechtsstaat te leven, ook in tijden van crisis.