Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/7.2
7.2 Het verkooprecht van de hypotheekhouder
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS622657:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan bij de overige hypothecaire bevoegdheden het geval is, zie hfdst. 6. Onder het oud BW moest óók de verkoopbevoegdheid nog in de hypotheekakte worden bedongen: het beding van eigenmachtige verkoop, dat was geregeld in art. 1223 BW (oud).
Parate executie impliceert dat noch beslag, noch een executoriale titel nodig is, zie o.m. Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/156 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 544.
Art. 3:273 BW. Bij een executieverkoop wordt de titel van rechtswege gezuiverd van hypotheekrechten en beslagen, alsook van beperkte rechten die niet tegen de verkoper kunnen worden ingeroepen. Dit zijn hoofdzakelijk jongere rechten die, gelet op het prioriteitsbeginsel, in rang na het hypotheekrecht van de executerende hypotheekhouder komen.
Dit laatste was aan de orde in HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137, NJ 2005/199 (ING/Gunning q.q.). Van Velten somt de verschillende rechtsgevolgen op voor een openbare en onderhandse executieverkoop en een ‘gewone’ onderhandse verkoop: bij een niet-executoriale verkoop blijven art. 3:264 (huurbeding), 3:270 (rangregeling), 3:273 (zuivering) en 7:19 BW (aansprakelijkheid bij executieverkoop) buiten toepassing. Zie Van Velten 2015, p. 734.
Behoudens misbruik van recht door deze derden. Daarvan was volgens het hof bijvoorbeeld geen sprake in Hof Leeuwarden 11 januari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BP1189. De beslagleggers mochten hun medewerking weigeren aan een onderhandse verkoop (niet executieverkoop). Zie hierover Bartels & Verstappen 2011, p. 322-323.
Het verkooprecht van de Nederlandse hypotheekhouder is in de wet vastgelegd. De hypotheekhouder hoeft dat recht dus niet expliciet te bedingen.1Art. 3:268 BW, waarin het recht van parate executie van een hypotheekhouder is geregeld, luidt:
‘1. Indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, is de hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed in het openbaar ten overstaan van een bevoegde notaris te doen verkopen.
2. Op verzoek van de hypotheekhouder de hypotheekgever of degene die executoriaal beslag heeft gelegd kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop onderhands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. (...)’
De hypotheekhouder heeft voor een gedwongen verkoop geen executoriale titel nodig, hij heeft een recht van parate executie.2 Dat betekent dat hij voor een executieverkoop in principe niet naar de rechter hoeft, mits hij het verhypothekeerde goed via een openbare verkoop executeert. Dat voordeel bestaat namelijk niet als de hypotheekhouder het vastgoed onderhands wil verkopen, want daarvoor is op grond van lid 2 van voornoemd artikel weer wél toestemming van de voorzieningenrechter vereist. Hierin schuilt al direct een verschil met het Engelse recht, op grond waarvan noch voor een executoriale openbare verkoop noch voor een executoriale onderhandse verkoop rechterlijke goedkeuring nodig is.
De Nederlandse hypotheekhouder kan niet om dit vereiste van een rechterlijke machtiging heen. Anders dan de Engelse wettelijke regeling van de executieverkoop is de Nederlandse regeling dwingendrechtelijk van aard. Dit komt tot uitdrukking in lid 5 van voornoemd artikel:
‘5. De hypotheekhouder kan niet op andere wijze zijn verhaal op het verbonden goed uitoefenen. Een daartoe strekkend beding is nietig.’
Met andere woorden: de Nederlandse hypotheekhouder is voor een executieverkoop gebonden aan de voorschriften van art. 3:268 e.v. BW. Een afwijkende verkoop is niet ongeldig, maar mist de kwalificatie ‘executoriaal’. Hierdoor heeft zij bijvoorbeeld geen zuiverende werking, zodat op het vastgoed rustende hypotheekrechten, beslagen en beperkte rechten die niet tegen de hypotheekhouder kunnen worden ingeroepen, niet tenietgaan.3 Daarnaast loopt de hypotheekhouder het risico dat hij de verkoopopbrengst in (aanloop naar) een faillissement niet meer mag verrekenen met de hypothecaire vordering.4 Maar het belangrijkste bezwaar is misschien nog wel gelegen in het feit dat een dergelijke verkoop niet afdwingbaar is; de hypotheekhouder heeft voor zo’n vrijwillige verkoop de medewerking van de hypotheekgever nodig, alsook van eventuele andere beperkt gerechtigden en beslagleggers. Dit doet afbreuk aan de rechtspositie van de hypotheekhouder, omdat hij voor het optimaal uitwinnen van zijn hypotheekrecht afhankelijk is van anderen.5
In de volgende paragrafen zullen (onder meer) bovengenoemde verschillen verder worden uitgediept. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld welke mogelijkheden een Engelse hypotheekhouder met betrekking tot (de inrichting van) de executieverkoop heeft, die de Nederlandse hypotheekhouder vanwege het dwingende karakter van de verkoopregeling mist.