Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/2.3.1.0
2.3.1.0 Introductie
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183445:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 16 december 1975, gevoegde zaken 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jur. blz. 1663, punt 173 (Suiker Unie); HvJ EG 14 juli 1981, C-172/80, Jur. blz. 2021, punt 13 (Züchner); gevoegde zaken C-89/95, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-177/85 en C-125/85–C-129/85, Jur. blz. I-1307, punt 63 (Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie), en arrest van 28 mei 1998, C-7/95 P, Jur. blz. I-3111, punt 86 (John Deere).
Dat de inbreuk op de mededinging ‘merkbaar’ dient te zijn volgt niet met zoveel woorden uit de tekst van artikel 101 lid 1 Werkingsverdrag, maar is wel af te leiden uit de jurisprudentie van het Hof en de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie. Vgl. Van de Gronden 2017, p. 65-70.
Het kartelverbod is bedoeld om allerlei vormen van samenwerking tussen ondernemingen (kartels) waardoor de mededinging wordt beperkt, te verbieden. De gedachte is dat ondernemingen onafhankelijk, dus zonder daaraan ten grondslag liggend overleg, hun marktgedrag moeten bepalen.1 In een kartel is dat niet het geval en spannen ondernemingen samen om de concurrentie te beperken. In artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag worden kartels daarom verboden. De tekst van artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag luidt als volgt:
‘Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:
het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;
het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.’
In artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet is het kartelverbod als volgt geformuleerd:
‘Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.’
Artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet is duidelijk op Europese leest geschoeid. Beide wetsartikelen hebben als doel om de mededinging te beschermen. Het meest in het oog springende verschil is dat in artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet geen voorbeelden worden gegeven van kartelovereenkomsten terwijl dat in artikel 101 van het Werkingsverdrag wel het geval is. Verder ziet, als gezegd, artikel 101 van het Werkingsverdrag op grensoverschrijdende kartels terwijl artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet zich uitsluitend richt op kartels die de mededinging op (een deel van) de Nederlandse markt beperken. Naast dit al dan niet grensoverschrijdende aspect zijn in de wettekst van artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag en artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet nog de volgende twee voorwaarden opgenomen:
Er moet sprake zijn van samenwerking tussen ondernemingen, in de vorm van een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging (een kartelafspraak).
Die samenwerking moet ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging (merkbaar)2 wordt verhinderd, beperkt of vervalst (de mededingingsbeperking).
Ik werk deze twee voorwaarden die onderdeel uitmaken van de toetsing aan het eerste lid van het kartelverbod hieronder verder uit. Onder 2.3.1.1 bespreek ik de vraag wanneer sprake is van een kartelafspraak tussen ondernemingen. Onder 2.3.1.2 behandel ik de vraag wanneer sprake is van een beperking van de mededinging.