Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/1.1.4
1.1.4 Fouten van de belastingplichtige
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418084:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Verzuimboeten blijven hier buiten beschouwing, omdat deze boeten betrekking hebben – kort gezegd – op het niet of niet-tijdig doen van aangifte en op het niet of niet-tijdig betalen van belasting.
Zie in dit verband: P.G.M. Jansen en A.O. Lubbers, Over pleitbare standpunten en lichtvaardig handelen, TFB 1999/6.
In WFR 1995/6135 beschrijf ik een aantal fouten bij de betaling van het griffierecht, waardoor dit griffierecht te laat wordt betaald.
Het betreft hier een door de plv. Directeur-Generaal der Belastingen namens de staatssecretaris van Financiën genomen besluit.
Belanghebbende verliest haar status als beleggingsinstelling door de fout van de bank mitsdien niet.
Met het oog op de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is, uitnodigen tot het doen van aangifte. Deze aangifte is voor de belastingadministratie een hulpmiddel bij het opleggen van de aanslag. De belastingplichtige dient de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen. Maakt de belastingplichtige hierbij fouten, dan loopt hij in beginsel het risico een boete opgelegd te krijgen. Zo is in artikel 67d AWR neergelegd:
Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat (...) de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem (...) een boete kan opleggen (...).
Uiteraard leidt niet elke fout in de aangifte tot een boete. Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove schuld1. Het is vaste jurisprudentie, dat er geen sprake is van opzet of grove schuld, indien het door de belastingplichtige bij zijn aangifte ingenomen standpunt, hoewel dit standpunt achteraf onjuist wordt bevonden, pleitbaar of verdedigbaar was2.
Is een belastingplichtige het niet eens met de hem opgelegde aanslag, dan kan hij daartegen bezwaar aantekenen en, bij een afwijzing van dat bezwaar, in beroep gaan. In de jurisprudentie zijn gevallen te vinden, waarin bezwaar- of beroepschriften onjuist zijn geadresseerd of bij verkeerde instanties zijn ingediend, griffierecht als gevolg van vergissingen niet(-tijdig) is betaald3 enz. Deze fouten kunnen ertoe leiden – indien geen sprake is van verschoonbare omstandigheden – dat de belastingplichtige in de bezwaar- of beroepsprocedure niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hoewel vele arresten ter illustratie kunnen dienen, beperk ik mij hier tot het noemen van HR 15 december 1999, BNB 2000/79. In deze zaak had belanghebbende bij de verzending van haar beroepschrift een onjuist postbusnummer gebruikt. Nadat het beroepschrift door de PTT was geretourneerd, is het door belanghebbende nogmaals verzonden. Deze (juist geadresseerde) zending kwam echter te laat bij het Hof binnen. De Hoge Raad oordeelt:
3.3. (...) Het Hof heeft overwogen dat de verkeerde adressering van de beroepsinstantie bij verzending per post voor rekening van belanghebbende komt. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu vaststaat dat bij de vermelding van de beroepsmogelijkheid in de uitspraak [op het bezwaar] het juiste postbusnummer van het Hof is vermeld en belanghebbende klaarblijkelijk voor het Hof niet heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. (...)
Een fout van een andere orde is te vinden in het Besluit van 26 maart 1998, nr. DB98/336M, BNB 1998/1904. De koers van de aandelen in belanghebbende, een niet-beursgenoteerde beleggingsinstelling, wordt in beginsel op de intrinsieke waarde gehouden doordat zij (via de bank) eigen aandelen inkoopt. Als gevolg van een evidente misslag bij de bank zijn meer aandelen ingekocht dan – gelet op het aan een beleggingsinstelling (artikel 28 Wet Vpb. 1969) gestelde aandeelhoudersvereiste – was toegestaan. Na ontdekking van deze misslag, is het aandelenbezit teruggebracht tot een toegestaan niveau. Omdat de bank, die de inkoop van aandelen in de beleggingsinstelling regelt, kennelijk onwetend was van de fiscale consequenties van haar gedragingen, worden in dit besluit aan deze misslag van de bank geen gevolgen verbonden voor de status van de belastingplichtige als beleggingsinstelling5.