Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.6
8.6 Schadevergoedingsacties in de praktijk: kwantitatieve en kwalitatieve resultaten
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492249:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie tabel 23 (categorieën vonnis en verstek).
Voor een bedrag van € 8.973,-.
Zie het voorgaande hoofdstuk over resultaten in hoofdzaken inzake doorlooptijden. In een zaak met opheffingskortgeding bedraagt de periode van beslagrekest tot vonnis gemiddeld zeventien maanden.
Felsö e.a. 2007, p. 31-57. Alhoewel deze effecten in het betreffende onderzoek vooral bij eisende partijen werden waargenomen, ligt voor de hand dat deze evenzo gelden voor beslagen wederpartijen.
In totaal negenentwintig vraaggesprekken, met daarin een vraag die zag op de zaak waarin contact met de betreffende advocaat werd opgenomen.
In twee gevallen nader op te maken bij staat, in een geval in de vorm van een tegenvordering.
In zeventien gevallen omdat: in vier situaties sprake was van een terechte vordering, verstek werd uitgesproken, beslag geen doel trof, er geen schade was of een schikking was bereikt, het beslag werd opgeheven, een arbitrageprocedure liep, en het beslag niet knellend was (twee gevallen).
In negen gevallen.
In het kader van het onderzoek naar conservatoir beslag zijn voor zowel zaken met voorafgaand opheffingskortgeding als die zonder, hoofdzaken getraceerd.1 Daarbij is geregistreerd in hoeveel gevallen een schadevergoeding door ofwel de beslagene dan wel de beslaglegger werd gevorderd. Dit bleek in slechts een gering aantal gevallen te zijn gebeurd. In één geval van de in totaal honderdenzeven vonnissen met informatie over de terechtheid van de vordering werd een schadevergoeding aan de beslagene toegekend op grond van de onrechtmatigheid van het beslag2 (tabel 27).
2006
Vordering schadevergoeding
Opheffingskortgeding N = 50
Geen opheffingskortgeding N = 57 vonnissen
Schadevergoeding gevorderd
Aantal
%
Aantal
%
Beslagene
4
8%
2
5%
Beslaglegger
3
6%
1
2%
Totaal
7
14%
3
7%
Schadevergoeding toegekend
Aantal
%
Aantal
%
Beslagene
1
1%
0
-
Beslaglegger
0
-
0
-
Totaal
0
1%
0
-
* Vonnissen met een inhoudelijke uitspraak over de hoofdvordering die aan het beslag ten grondslag heeft gelegen.
In de doctrine worden de doorlooptijden van zaken waarin een uitspraak wordt gedaan over de hoofdvordering en – indien gevorderd – een eventuele reconventionele schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag, wel als complicerende factor bij het verhalen van schade aangemerkt.3 Uit onderzoek is bekend dat lange doorlooptijden daarnaast zowel financiële als emotionele effecten hebben (zoals onzekerheid, stress en frustratie). Bij kleinere bedrijven en hogere bedragen zijn beide effecten groter dan bij grote bedrijven.4 Zolang er geen oordeel beschikbaar is over de (terechtheid van de) vordering die aan het beslag ten grondslag ligt, staat immers niet vast of er sprake is van een onrechtmatig beslag. Ook indien hierover (inmiddels) wel duidelijkheid bestaat en een schadevordering wordt beoordeeld in een opvolgende schade(staat)procedure, gaat het om een reguliere civiele zaak op tegenspraak met de daarbij bijbehorende doorlooptijden, die dus bovenop de doorlooptijd van de procedure inzake de hoofdvordering komen.
Ook tijdens de telefonische vraaggesprekken met advocaten van partijen die met een beslag werden geconfronteerd, werd het al dan niet instellen van een vordering tot schadevergoeding en de redenen om dit wel of niet te doen aan de orde gesteld.5 In drie gevallen werd een reconventionele schadevordering ingesteld.6 Daarnaast waren er omstandigheden waarin een vordering inzake schadevergoeding volgens de advocaat niet aan de orde was.7 In een breed scala aan situaties werd van het instellen van een schadevordering afgezien:8 omdat de schade zich moeilijk liet becijferen/specificeren, omdat de kans op schadevergoeding als gering werd geschat, omdat dit de complexiteit van de hoofdzaak zou vergroten, door het risico van een (extra) proceskostenveroordeling bij verlies en de geringe omvang van de materiële schade. In vier gevallen werd de (bewijs)problematiek na onterecht beslag bij het verhalen van schade en de lange duur van de procedure als knelpunt genoemd bij de algemene open vraag waarmee de vraaggesprekken werden afgesloten. Evenals bij de keuze voor het al dan niet instellen van een opheffingskortgeding spelen hier uit de rechtssociologie bekende keuzemechanismen een rol. Zo worden kosten en baten tegen elkaar afgewogen, waarbij factoren als onzekerheid over een succesvolle procedure en doorlooptijd als kostenaspecten worden beschouwd.