Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/29.2
29.2 Het handhavingstekort en de opkomst van de bestuurlijke boete
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. C.L.G.F.H. Albers
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover uitvoerig J. van der Poel, Rondom compositie en compromis. Fiscale studie in bestuurs- en strafrecht, Utrecht: Kemink en Zn 1942 en verder H.E. Bröring, De bestuurlijke boete, Deventer: Kluwer 2005, p. 17.
Zie bijv. Van der Poel 1942, o.m. p. 186 e.v.
Zie o.m. J. van der Poel, ‘Een nieuw kleed voor het fiscaal recht’, TvS 1951, p. 181-210, i.h.b. p. 181 e.v.
Zie bijv. Kamerstukken II 1987/88, 20329, 3, p. 1 e.v.
Stb. 1989, 300. Zie ook M. Barels, ‘De WAHV. Efficiency en rechtsbescherming in evenwicht?’, in: E. Hofstee e.a. (red.), Kringgedachten, Deventer: Kluwer 2014, p. 3-17.
Commissie Michiels, Handhaven op niveau, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 36 en 57.
Zie: ‘Recht in beweging’, Kamerstukken II 1990/91, 21829, 1-2 en ‘Met vaste hand’, Kamerstukken II 1990/91, 22045, 1-2. Zie voorts: Handhaving door bestuurlijke boeten, Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten, (CTW 94/1 - 12 januari 1994), p. 7 en bijv. Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 73-74.
Aan de hand van specifieke criteria werd bepaald welke overtredingen in aanmerking kwamen voor bestuursstrafrechtelijke afdoening, zie C.L.G.F.H. Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten. Balanceren op een magische lijn?, Den Haag: Sdu 2002, p. 54 e.v.
Zie daarover meer uitvoerig: C.L.G.F.H. Albers, ‘Bestraffend bestuur 2014. Naar een volwassen bestraffend bestuurs(proces)recht’, in: Boetes en andere bestraffende sancties: een nieuw perspectief? (VAR-Reeks 152), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 7-109, i.h.b. p. 15 e.v.
Stb. 2009, 264. Opgemerkt zij dat de afdoening van lichte verkeersovertredingen niet onder de regeling uit de Awb valt. Daarop is de (afwijkende procedure uit de) WAHV van toepassing gebleven.
Het bestraffend bestuursrecht is geen nieuw verschijnsel.1 Voordat de Code Pénal in 1811 werd ingevoerd beschikte het bestuur ook al op grote schaal over de mogelijkheid om bij overtredingen van bestuurswetgeving bestraffende sancties op te leggen.2 Het merendeel van deze bestraffende sancties verdween echter na invoering van de Code Pénal. Deze sancties werden vanaf dat moment ondergebracht in het strafrecht en daarmee omgevormd tot strafrechtelijke sancties. Een uitzondering geldt voor het fiscale recht. Daar zijn door de eeuwen heen (in wisselende gedaanten) bestuursrechtelijke voorzieningen tot oplegging van bestraffende sancties blijven bestaan.3 De laatste decennia is het bestraffend bestuursrecht – zo bleek ook reeds uit de inleiding – weer sterk opgekomen. Deze (hernieuwde) belangstelling voor de bestuurlijke bestraffende sanctie – en dan vooral de bestuurlijke boete – houdt met name verband met het zogenoemde ‘handhavingstekort’.
Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw werd gezocht naar vormen van buitengerechtelijke afdoening van strafrechtelijke overtredingen. Zo stond bijvoorbeeld de handhaving van lichtere verkeersovertredingen binnen de strafrechtketen onder druk en er werd gezocht naar alternatieve vormen van handhaving.4 Dit resulteerde uiteindelijk eind jaren tachtig van de vorige eeuw in de invoering van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV, ook wel Wet Mulder genaamd),5 die het mogelijk maakte om lichtere verkeersovertredingen door middel van een bestuurlijke boete af te doen.
De invoering van de WAHV vormde de katalysator voor de opkomst van het ‘bestraffende bestuur’ op grote(re) schaal, vanaf het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. De directe aanleiding voor de opkomst van het ‘bestraffende bestuur’ en meer in het bijzonder de invoering van bestuurlijke boeteregelingen op grote schaal was gelegen in het op dat moment gesignaleerde ‘handhavingstekort’.6 Daadwerkelijke handhaving van bestuursrechtelijke wet- en regelgeving (b)leek via de strafrechtelijke weg vaak moeilijk te verwezenlijken, onder meer vanwege overbelasting, andere prioriteitsstelling en gebrekkige kennis met betrekking tot de specifieke bestuursrechtelijke regelingen bij het Openbaar Ministerie (OM). De oplossing werd gezocht in het toekennen van eigen en betere handhavingsbevoegdheden aan bestuursorganen.7 De verantwoordelijkheid voor (adequate) handhaving moest verschuiven van het OM naar de bestuursorganen. Om invulling te geven aan de eigen verantwoordelijkheid van de bestuursorganen werd, eind vorige eeuw en begin deze eeuw, in tientallen bijzondere bestuursrechtelijke wetten een bestuurlijke boetebevoegdheid opgenomen. Het kwam er op neer dat de handhaving van talrijke tot dan toe via het strafrecht afgedane overtredingen van bestuursrechtelijke wet- en regelgeving werd overgeheveld naar het bestuursrecht.8 Het ‘bestuursstrafrecht’ was geboren.9 Intussen werd bij Justitie – zoals gezegd – al vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw gewerkt aan een uniforme boeteregeling. Dit resulteerde in een uniforme procedure voor de oplegging van bestuurlijke boetes die een plaats kreeg in de op 1 juli 2009 inwerking getreden Vierde tranche van de Awb.10