Rb. Noord-Holland, 13-03-2023, nr. 23-000985
ECLI:NL:RBNHO:2023:2188
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
13-03-2023
- Zaaknummer
23-000985
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2023:2188, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 13‑03‑2023; (Rekestprocedure)
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑03‑2023
Inhoudsindicatie
bezwaarschrift artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden - na veroordeling computervredebreuk en schending ambtsgeheim - ongegrond - op basis van de abstracte toets géén grond om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
parketnummer : [parketnummer]
raadkamernummer : 23-000985
datum : 13 maart 2023
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ter dezer zake woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam (Achillesstraat 79, 1076 PX Amsterdam),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 12 januari 2023 ter griffie van de rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 27 februari 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, mr. T.P.A.M. Wouters voornoemd en de officier van justitie gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Op bevel van de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland van 23 november 2022 is, ten behoeve hiervan, op 5 januari 2023 bij de veroordeelde celmateriaal afgenomen.
De veroordeelde doet een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA.
Door en namens de veroordeelde is in raadkamer naar voren gebracht dat de opname van zijn DNA-materiaal in de databank niet van belang kan zijn voor de opsporing of voorkoming van strafbare feiten van de veroordeelde. Hij heeft niet de intentie om nogmaals een strafbaar feit te plegen. Hij werkt inmiddels als timmerman en heeft geen toegang meer tot politiesystemen. De raadsman wijst voorts op de Memorie van Toelichting bij de Wet DNA waarin onder meer een uitzondering is gemaakt voor ‘valsheid in geschrift’. De raadsman meent, onder verwijzing naar een tweetal rechtbankuitspraken, dat deze uitzondering moet worden doorgetrokken naar de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld; computervredebreuk en schending ambtsgeheim.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.
Naar de mening van de officier van justitie kan niet met zekerheid worden aangenomen dat opname van het DNA-materiaal van de veroordeelde, gelet op de feiten waarvoor hij is veroordeeld, niet van belang kan zijn voor de opsporing of voorkoming van strafbare feiten van de veroordeelde. DNA-materiaal kan immers worden achtergelaten op allerhande gegevensdragers waarmee dergelijke feiten worden gepleegd. Het gaat er uitdrukkelijk niet om dat in de strafzaak van de veroordeelde DNA-onderzoek niet nodig was. Er is derhalve geen sprake van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA.
Beoordeling
Het bezwaarschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De rechtbank is ook bevoegd om van het bezwaarschrift kennis te nemen.
Bij vonnis van 26 oktober 2022 is de veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 54 uren subsidiair 27 dagen hechtenis.
Daarbij is bewezen verklaard dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan:
- computervredebreuk, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt en worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf overneemt
- enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.
Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA-materiaal van de veroordeelde van
23 november 2022 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.
De veroordeelde heeft op 5 januari 2023 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Uitgangspunt van de Wet DNA is dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid onder a en b genoemde – en volgens de Hoge Raad beperkt uit te leggen – uitzonderingen voordoet.
De uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA doet zich niet voor.
De rechtbank dient op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Bij de beoordeling of in dit concrete geval sprake is van een uitzonderingssituatie, als genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet DNA, moet een abstracte toets worden aangelegd. Deze abstracte toets houdt in dat dat bij de beoordeling van het feit niet alleen wordt uitgegaan van de kwalificatie, maar ook van soortgelijke delicten. Gelet op de strekking van de wet en de bedoeling van de wetgever wordt namelijk in de praktijk te veel gewicht toegekend aan de wijze waarop een feit gepleegd wordt. Dit betekent dat niet van belang is of in de zaak waarin de veroordeelde is veroordeeld een DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. Het gaat om de vraag of dergelijke feiten in zijn algemeenheid middels DNA-onderzoek op te lossen zijn. Bovendien is niet relevant op welke wijze een bepaald feit is uitgevoerd. Verder zijn de voorbeelden die in de Memorie van Toelichting bij de Wet DNA zijn genoemd als delicten in welk geval DNA-onderzoek geen rol speelt, waar eveneens in het bezwaarschrift naar wordt verwezen, naar het oordeel van de rechtbank, achterhaald en bovendien ongelukkig gekozen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de feiten – op basis van de abstracte toets – géén grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ten aanzien van computervredebreuk of vergelijkbare cyberdelicten zijn er verschijningsvormen te bedenken waarbij DNA-sporen op gegevensdragers van belang kunnen zijn. Dat in onderhavige zaak DNA-onderzoek niet heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders, nu geabstraheerd dient te worden van het specifiek door de veroordeelde gepleegde feit. Ten aanzien van het schenden van het ambtsgeheim kan vergelijkbaar geredeneerd worden, met dien verstande dat dit feit ook gepleegd kan worden met fysieke documenten waarop DNA-materiaal kan worden aangetroffen.
Het voorgaande leidt ertoe dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 13 maart 2023 gegeven door
mr. M.E. Francke, rechter,
in tegenwoordigheid van M. Dambrink. griffier,
De griffier is buiten staat de beschikking mede te ondertekenen