Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.4.4
6.3.4.4 De beoordeling van het rekest
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS592316:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 15.
Meijsen 2013, p. 113-114.
HR 24 november 1995, NJ 1996/161.
Aldus de Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 15, in navolging van nr. 5 van de noot van Loesberg onder Hof Den Bosch 11 november 2003, JOR 2004/115.
Meijsen 2013, p. 107-108.
Zie Meijsen 2013, p. 107-108 met verwijzingen naar relevante rechtspraak en Krzemi/ski 2016, p. 82.
Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 15-16.
Huydecoper 2006, p. 16, Klaassen 2009, p. 314-315, Meijsen 2013, p. 123-124.
Kritisch over het gemak waarmee conservatoir beslag in Nederland kan worden gelegd zijn o.m. Huydecoper 2006, p. 15-28 en Klaassen 2009, p. 347- 349. Deze normatieve benadering van het conservatoir beslag laat ik in mijn proefschrift buiten beschouwing.
Beslagsyllabus (versie augustus 2018), p. 12.
299. De voorzieningenrechter beslist op het verlof na summier onderzoek (art. 700 lid 2 Rv). De beoordeling van het beslagrekest bestaat uit drie onderdelen: formele vereisten (rechtmatigheidstoets), de gegrondheid van de vordering en een summiere afweging van belangen van de verzoeker en de schuldenaar.1 De toets van de gegrondheid van de vordering houdt in dat de voorzieningenrechter, uitgaande van de juistheid van de stellingen van de verzoeker, nagaat of deze in een bodemprocedure tot een toewijzing zouden leiden.2
In verband met de belangenafweging komt de vraag op, of ook het retentierecht en (met name) zijn derdenwerking bij de summiere beoordeling betrokken moeten worden. Het retentierecht legitimeert verhaal door de schuldeiser op het goed van de derde, zodat de rechter zich ook een beeld zal moeten vormen van de belangen die betrokken zijn bij de uitoefening van het retentierecht en de derdenwerking daarvan. Mijns inziens dient daarom bij de belangenafweging, ook het belang van de derde- eigenaar meegenomen te worden.
In een arrest dat ging over een (al of niet) vexatoir – en daarmee onrechtmatig – beslag, overwoog de Hoge Raad dat de relevante omstan digheden onder meer zijn: de hoogte van de vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.3 Deze ‘criteria’ hebben volgens de Beslagsyllabus, in navolging van een noot van Loesberg, een zekere reflexwerking in het kader van de belangenafweging bij het beoordelen van het beslagrekest.4
Het is ongebruikelijk dat de schuldenaar wordt gehoord alvorens het verlof wordt verleend.5 Voor de vraag wanneer de derde wél gehoord kan of moet worden voorafgaand aan de verlofverlening, kan aansluiting worden gezocht bij de daarover bestaande wet,6 rechtspraak en doctrine.7 De Beslagsyllabus zegt in het kader van de belangenafweging onder meer het volgende over het horen van de schuldenaar:
“Kan voorzien worden dat beslag op een bepaald object de schuldenaar in zijn belangen zeer zal treffen en is er anderszins voldoende vermogen aanwezig waarop de schuldeiser zich zal kunnen verhalen, dan kan op grond daarvan de voorzieningenrechter óf eerst beide partijen horen óf na het alleen (telefonisch) (doen) horen van de verzoeker het verlof weigeren.”8
Brengt nu het feit dat de retentor beslag legt op een goed van een derde hierin verandering in die zin dat het horen eerder aan de orde is (of zou moeten zijn) dan bij een ‘normaal’ beslag ten laste van de schuldenaar zelf?
Het horen van de schuldenaar is de uitzondering; behoudens bijzondere omstandigheden wordt het verlof ex-parte verleend.9 Hetzelfde heeft mijns inziens voor de bloot-verhaalsaansprakelijke derde te gelden. Het enkele feit dat beslag wordt gelegd op het goed van een derde is niet een zodanig bijzondere omstandigheid, dat het op zichzelf meebrengt dat de derde moet worden gehoord. De bijzonderheid dat de verzoeker in casu beslag legt op goederen van de derde, kan aanleiding geven voor nader onderzoek door middel van het horen van de verzoeker en/of de schulde naar en derde. Juist in dit geval bestaat de kans dat de schuldenaar zelf voldoende verhaal biedt en dat het niet nodig is om beslag te leggen op het goed van de derde en deze lastig te vallen met een schuld die niet de zijne is. Maar in paragraaf 6.2.6 is beschreven dat bij meerdere verhaalsmogelijkheden vrije keuze voor de schuldeiser het uitgangspunt is en subsidiariteit de uitzondering. Bovendien past een uitgebreide (discursieve) beoordeling niet bij de procedure tot verkrijgen van verlof voor conservatoir beslag. Het is naar zijn aard een eenzijdige procedure.10 Het gegeven dat een goed van een derde blootstaat aan verhaal maakt dit niet fundamenteel anders. Wanneer de voorzieningenrechter besluit om toch te horen, zal de rechter in mijn optiek in ieder geval óók de derde moeten. Dit heeft ermee te maken dat het conservatoir beslag op het goed van een derde niet de schuldenaar raakt, maar de derde-eigenaar.
Het verlof wordt verleend op voorwaarde dat binnen een bepaalde termijn (van minimaal acht dagen na het beslag) een eis in de hoofdzaak wordt ingesteld.11 Volgens de Beslagsyllabus is een termijn van 14 dagen gebruikelijk.12 Aangezien het horen van de beslagene eerder uitzondering dan regel is, is een opheffingskortgeding doorgaans de eerste mogelijkheid voor de derde (en de schuldenaar) om zich tegen het beslag te verweren. In paragraaf 6.3.4.6 komt dit aan de orde.