De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.1:4.3.1 Inleiding: de referentiegroep
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.1
4.3.1 Inleiding: de referentiegroep
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701892:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het bestuursrecht is er, anders dan in het civiele recht, geen voldoende afgebakende wettelijke regeling waar de positie van nadeelcompensatiedeskundigen mee kan worden vergeleken. Afdeling 3.3 Awb – die voorziet in een algemene regeling voor advisering in het bestuursrecht – is daarvoor niet zonder meer geschikt. Dat heeft te maken met de reikwijdte van afdeling 3.3 Awb. Die reikwijdte is enerzijds te beperkt, en anderzijds te breed om als vergelijkingsmaatstaf te dienen. Te beperkt, omdat afdeling 3.3 Awb, blijkens art. 3:5 lid 1 Awb, uitsluitend betrekking heeft op adviseurs die bij wettelijk voorschrift zijn benoemd (zie ook § 2.3.2). Een nadeelcompensatieadviseur kan echter ook ‘ad hoc’ worden benoemd of op grond van een beleidsregel. In zo een geval is afdeling 3.3 Awb naar de letter van de wet dus niet van toepassing. Langs de andere kant is afdeling 3.3 Awb dan weer te breed. Dat komt doordat afdeling 3.3 Awb ook van toepassing is op andere vormen van advies dan (extern) deskundigenadvies. Gedacht kan worden aan representatieadvies of semirechtelijk advies.1 Dat maakt dat de regels die voortvloeien uit afdeling 3.3 Awb wel zeer summier en algemeen zijn. Een en ander maakt afdeling 3.3 Awb op zichzelf dus geen geschikt referentiekader.
Gelet op het voorgaande zou ik de positie van nadeelcompensatiedeskundigen ook nog langs een andere lat willen leggen. In 1978 schreven Hoogendijk-Deutsch en Samkalden een invloedrijk preadvies voor de Vereniging voor Administratief Recht met als onderwerp ‘advisering in het bestuursrecht’.2 Dat preadvies heeft veel navolging gekregen.3 Later is het onderwerp nog eens grondig hernomen door Kummeling 4 en De Poorter en Van Soest-Ahlers.5 Kenmerkend voor deze publicaties is dat zij vanuit verschillende bestuursrechtelijke deelgebieden een algemeen kader voor deskundigenadvisering aan bestuursorganen construeren. In de context van dit onderzoek kunnen de deskundigen, zoals die worden genormeerd door dat algemene kader – aangevuld met de regels van afdeling 3.3 Awb – dienen als ‘referentiegroep’. Tevens zal ik indien nodig andere bestuursrechtelijke deelgebieden waar deskundigenadvisering belangrijk is in de vergelijking betrekken.