Rb. Gelderland, 28-10-2015, nr. 4367179 CV EXPL 15-5088
ECLI:NL:RBGEL:2015:6650
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
28-10-2015
- Zaaknummer
4367179 CV EXPL 15-5088
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2015:6650, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 28‑10‑2015; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
AR 2015/2060
Uitspraak 28‑10‑2015
Inhoudsindicatie
De kantonrechter, verklaart het verzet deels gegrond.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer : 4367179 CV EXPL 15-5088
Grosse aan : mr. Klostermann
Afschrift aan : mr. Geurts
Vonnis in verzet d.d. 28 oktober 2015
in de zaak van:
de besloten vennootschap [naam 1 BV] .,
gevestigd te [plaats] ,
eiseres in verzet, verder te noemen [naam 1 BV] ,
gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann,
tegen
de besloten vennootschap [naam 2 BV] ,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde in verzet, verder te noemen [naam 2 BV] ,
gemachtigde: mr. R.G.J. Geurts.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verstekvonnis d.d. 17 juni 2015
- -
de verzetdagvaarding
- -
het tussenvonnis d.d. 19 augustus 2015
- -
de brief met bijlagen d.d. 2 oktober 2015 van mr. Geurts
- -
de griffiersaantekeningen van de op 14 oktober 2015 gehouden comparitie
Hierna is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1
Tussen [naam 1 BV] en [naam 2 BV] is d.d. 15 november 2010 een directieovereenkomst gesloten waarin onder meer is bepaald dat door [naam 2 BV] voor de uitvoering van de directietaken [naam 3] aan [naam 1 BV] ter beschikking wordt gesteld.
2.2
Als uitvloeisel van de directieovereenkomst is [naam 2 BV] tot statutair bestuurder van [naam 1 BV] benoemd.
2.3
[naam 2 BV] is per brief d.d. 1 oktober 2014 door de algemene vergadering van aandeelhouders van [naam 1 BV] met ingang van 29 september 2014 ontslagen als statutair bestuurder. Vervolgens heeft de raad van commissarissen van [naam 1 BV] per brief d.d. 2 oktober 2014 de directieovereenkomst met [naam 2 BV] opgezegd.
3. Het geschil
3.1
Bij het verstekvonnis is de door [naam 2 BV] in de inleidende dagvaarding ingestelde primaire vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit en tot vaststelling dat [naam 1 BV] [naam 2 BV] te werk dient te stellen en vanaf 1 februari 2015 de in de directieovereenkomst bepaalde vergoeding dient te betalen, toegewezen.
3.2
Daartegen is [naam 1 BV] opgekomen in de verzetdagvaarding, waarin zij vóór alle weren heeft gevorderd dat de kantonrechter het verzet reeds gegrond zal verklaren vanwege onbevoegdheid en de zaak ter inhoudelijke behandeling doorverwijst naar de bevoegde rechter, met veroordeling van [naam 2 BV] in de kosten van het bevoegdheidsincident.
4. De beoordeling in het incident
4.1
Het verzet is tijdig ingesteld terwijl een bevoegdheidsincident in verzet (nog) mogelijk is en het systeem van de wet voorziet in behandeling daarvan door de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.
4.2
[naam 1 BV] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de kantonrechter niet de bevoegde rechter is om kennis te nemen van de vorderingen van [naam 2 BV] in de eerste plaats gewezen op artikel 2:15 BW waarin de rechtbank als bevoegde rechter wordt aangewezen om kennis te nemen van vorderingen die de overeenkomst tussen de vennootschap en een statutair bestuurder beheersen. [naam 2 BV] heeft dat -terecht- op de comparitie niet bestreden. Waar de primaire vordering van [naam 2 BV] ziet op vernietiging van het ontslagbesluit moet dan ook geoordeeld worden dat de kantonrechter terzake niet bevoegd is.
4.3
Mogelijk is de door [naam 2 BV] ingeslagen weg naar de kantonrechter geïnspireerd door de in haar ogen kennelijk onredelijke wijze waarop haar relatie met [naam 1 BV] is geëindigd. [naam 2 BV] rept althans in randnummer 47 van de inleidende dagvaarding van een opzegging met een valse of voorgewende reden, terwijl zij zich ook beroept op het gevolgencriterium.
Deze begrippen zijn ontleend aan artikel 7:681 BW (oud) en [naam 2 BV] meent kennelijk dat haar overeenkomst met [naam 1 BV] kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in welk geval de kantonrechter de bevoegde rechter is. [naam 2 BV] ziet er dan echter aan voorbij dat indien de statutair bestuurder een rechtspersoon is, hetgeen op grond van artikel 2:11 BW mogelijk is, de contractuele verhouding tussen die rechtspersoon en de vennootschap niet kan kwalificeren als een arbeidsovereenkomst omdat daarvoor de dienstverrichting van een natuurlijk persoon is vereist. Het persoonlijk karakter van de arbeidsovereenkomst brengt anders gezegd met zich dat een werknemer slechts een natuurlijk persoon kan zijn.
4.4
Op de comparitie heeft [naam 2 BV] nog opgeworpen dat haar bestuurder [naam 3] , die feitelijk de werkzaamheden bij [naam 1 BV] uitvoerde, met haar moet worden vereenzelvigd.
Nog daargelaten dat niet [naam 3] maar [naam 2 BV] de vorderingen instelt, kan de kantonrechter [naam 2 BV] ook hierin niet volgen. De arbeidsovereenkomst onderscheidt zich immers van de opdrachtovereenkomst door het element ‘in dienst’ en dat brengt met zich dat niet gelijktijdig van beide overeenkomsten sprake kan zijn. In dit geval is duidelijk gekozen voor een (fiscale) constructie om een managementovereenkomst aan te gaan tussen [naam 1 BV] en [naam 2 BV] .
4.5
De vordering tot verwijzing naar de civiele rechter is toewijsbaar en [naam 2 BV] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld.
5. De beslissing
De kantonrechter,
verklaart het verzet deels gegrond,
vernietigt het op 17 juni 2015 door de kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Apeldoorn, tussen partijen onder zaak-/rolnummer 4132047 CV EXPL 15-3111 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw rechtdoende:
verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen,
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de civiele rechter van het team kanton en handelsrecht van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,
wijst partijen er op dat voor voortzetting van de procedure vereist is dat een van de partijen de andere partij bij exploot oproept tegen een nieuwe roldatum (artikel 74 lid 1 Rv.),
wijst partijen er op dat zij voor wat betreft het vervolg van deze procedure slechts door tussenkomst van een advocaat proceshandelingen kunnen verrichten,
veroordeelt [naam 2 BV] in de kosten van het bevoegdheidsincident, aan de zijde van [naam 1 BV] tot op heden begroot op € 452,00,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.