Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/3.4.4.3
3.4.4.3 Instemming met deelname aan projectactiviteiten
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603349:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 16.46b lid 2 Wm. Dit besluit dient blijkens dit lid in overeenstemming te zijn met de besluiten met betrekking tot CDM- of JI-projecten die onder het Kyotoprotocol zijn genomen.
Uit de Memorie van Toelichting, behorende bij de wet die artikel 16.46b Wm invoerde, volgt ook niet ondubbelzinnig dat onder ‘verlening van instemming’ ook het verzoek om instemming moet worden verstaan. Daar wordt eveneens vastgesteld dat er een vergoeding kan worden gevraagd voor het verlenen van instemming (MvT, Kamerstukken II 2004/05, 30247, nr. 3, p. 28).
MvT, Kamerstukken II, 2004/05, 30247, nr. 3, p. 28.
Inzendingen met het motto ‘niet geschoten is altijd mis’ worden dan niet ontmoedigd.
Zie artikel 12 Kyotoprotocol.
Artikel 6 jo artikel 3 Kyotoprotocol (inclusief Doha-amendement) en Decision 9/CMP.1, Annex, artikel 21.
Artikel 16.46a en artikel 16.46b Wm regelen de wijze waarop kan worden deelgenomen aan projectactiviteiten. Deze bepalingen implementeren tevens artikel 11 ter Richtlijn ETS.
Instemming met een projectactiviteit is mogelijk, indien het:
een JI-project dat buiten Nederland of de Nederlandse exclusieve economische zone wordt uitgevoerd, of;
een CDM-project betreft.1
De Minister is de bevoegde instantie die, op verzoek van de projectdeelnemer, toestemming voor een project kan verlenen.2 Toestemming dient echter te worden geweigerd indien:
de deelname door de projectdeelnemer aan de projectactiviteit niet voldoet aan de eisen die in het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig dat protocol genomen besluiten aan die deelname zijn gesteld;
de projectdeelnemer zijn hoofdvestiging niet heeft in een staat die de internationale overeenkomst, bedoeld in artikel 11ter, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, heeft bekrachtigd, of in een staat of een subfederale of regionale entiteit die overeenkomstig artikel 25 van genoemde richtlijn aan het systeem van handel in broeikasgasemissierechten is gekoppeld, en
voor zover het gaat om projectactiviteiten voor het opwekken van elektriciteit door waterkracht met een opwekkingsvermogen van meer dan 20 MW: bij de projectactiviteit en de uitvoering daarvan de in artikel 11ter, zesde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten bedoelde internationale normen en richtsnoeren, waaronder de richtlijnen van de Wereldcommissie Stuwdammen, niet in acht worden genomen.’3
Verder kan de Minister instemming weigeren indien:
van een andere projectactiviteit waarbij de projectdeelnemer is of was betrokken en waarvoor Onze Minister instemming heeft verleend, is gebleken dat niet is voldaan aan de eisen die in het derde lid met betrekking tot die uitvoering zijn gesteld;
niet wordt voldaan aan de regels, bedoeld in het vijfde lid.’4
Dit vijfde lid van artikel 16.46b Wm bepaalt dat bij regeling van de Minister nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot instemming met deelname aan projectactiviteiten. Deze regels zijn vastgesteld in hoofdstuk 4a Rhe.
Indien overeenkomstig de artikelen 6 lid 3 en 12 lid 9 Kyotoprotocol en daarop gebaseerde besluitvorming een machtiging van Nederland voor projectdeelneming is vereist, omvat de instemming tevens deze machtiging. Dit volgt uit artikel 16.46b lid 6 Wm.
Indien na instemming een van de hierboven beschreven verplichte weigeringsgronden zich alsnog voordoet, of het project niet meer voldoet aan de regels uit artikel 16.46b lid 5 jo hoofdstuk 4a Rhe, dan kan de instemming worden ingetrokken.5
De Minister kan in een regeling bepalen dat er een vergoeding voor het verlenen van instemming is vereist. Bij die regeling moeten dan tevens nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de hoogte van en de wijze waarop de vergoeding dient te worden betaald. Deze regels zijn vastgesteld in artikel 61 Rhe. Hierin zijn echter geen regels opgenomen over de wijze waarop de genoemde vergoedingen dienen te worden betaald. Daarnaast zijn blijkens dit artikel de daar genoemde vergoedingen verschuldigd voor het in behandeling nemen van het verzoek om instemming. Aangezien artikel 16.46b lid 8 slechts toestaat dat de Minister bij regeling vaststelt dat er een vergoeding dient te worden betaald voor de verlening van instemming en dat in dat geval ten aanzien van de hoogte en de wijze waarop de vergoeding dient te worden betaald nadere regels dienen te worden vastgesteld, lijkt artikel 61 Rhe strikt genomen in strijd met artikel 16.46b lid 8 Wm.6 Mijns inziens moet artikel 16.46b lid 8 Wm echter niet zo strikt worden geïnterpreteerd. Immers, de kosten voor de instemming worden gemaakt bij de overweging tot het al dan niet verlenen van instemming. De Memorie van Toelichting bevat in dit kader de volgende overweging:
‘Op deze manier wordt voorts bevorderd dat alleen serieuze aanvragen bij de overheid worden ingediend. Ook in het licht van het gegeven dat in dit stadium niet is te voorzien hoeveel bedrijven om instemming zullen vragen en het gegeven dat ook buitenlandse bedrijven een verzoek bij de Nederlandse overheid kunnen indienen, is het verstandig om de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de instemming in rekening te brengen zodat de overheid niet (onvoorzien) voor hoge kosten komt te staan.’7
Hoewel ook in de Memorie van toelichting slechts wordt gesproken over de verlening van instemming, en niet het tevens het in behandeling nemen van een verzoek tot instemming, volgt uit de hier geciteerde motivering tot invoering van artikel 16.46b lid 8 Wm, dat ook voor het in behandeling nemen de kosten op de aanvrager moeten kunnen worden verhaald. Immers, indien slechts in geval van instemming de kosten op de aanvrager zouden kunnen worden verhaald, zie ik niet in hoe dit alleen serieuze aanvragen zou bevorderen. Aangenomen dat een ‘niet-serieuze’ aanvraag wordt afgewezen, zou voor deze aanvraag, bij een strikte lezing van ‘verlening van instemming’, geen vergoeding zijn verschuldigd. De beoogde bevordering zou in het geval van een strikte lezing dus ook niet worden bereikt.8 Wel is vereist dat de Minister in de regeling nog vaststelt op welke wijze de vergoeding dient te worden betaald. Dit wordt immers voorgeschreven door artikel 16.46b lid 8 Wm.
Informatie over verleende instemmingen moet door de Minister voor het publiek toegankelijk worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 16.46b lid 9 Wm. Dit lid verklaart artikel 10 Wob echter van overeenkomstige toepassing, waardoor de uitzonderingen in dat artikel vermeld ook gelden ten aanzien van de openbaarmaking van deze informatie.
In de artikelen 16.46a en 16.46b Wm zijn alleen regels gesteld met betrekking tot de instemming met Kyoto-projecten, buiten het Nederlands grondgebied en exclusief economische zone. Ingevolge artikel 11 ter lid 2 Richtlijn ETS dienen lidstaten, waaronder dus ook Nederland, die als gastland voor JI- of CDM-projecten fungeren er echter voor te zorgen dat geen ERU’s of CER’s worden verleend voor reducties of beperkingen van broeikasgasemissies uit activiteiten die onder de Richtlijn vallen. Voor CDM-projecten heeft Nederland wat dit vereiste betreft geen probleem. Nederland staat op Annex-I bij de UNFCCC, waardoor zij niet als gastland voor CDM-projecten kan optreden.9 Voor JI-projecten kan Nederland echter, als Annex-I partij bij de UNFCCC met een reductieverplichting onder het Kyotoprotocol en Doha-amendement, wel als gastland optreden, zodra het Doha-amendement voor Nederland in werking treedt.10 Niet is uitgesloten dat Nederland JI-projecten toestaat op het eigen grondgebied. Althans, via de daarvoor geldende procedures vastgelegd in de besluiten gebaseerd op artikel 6 Kyotoprotocol, JI-projecten op het Nederlands grondgebied laat uitvoeren. Immers, de overdracht van kredieten voor deze projecten is een internationaalrechtelijke kwestie. Het vereist geen implementatie op nationaal niveau. Wanneer een dergelijk project echter reducties of beperkingen van broeikasgasemissies tot stand brengt middels activiteiten die ook onder het ETS vallen, dan mogen ingevolge artikel 11 ter lid 2 Richtlijn ETS hiervoor geen ERU’s worden verleend. Doordat de Nederlandse wetgever dit verbod niet in nationale wetgeving heeft omgezet, bestaat hier een formeel gebrek. Zolang Nederland in de praktijk voor dergelijke projecten echter geen instemming verleent, zal er in de praktijk ook geen strijd met de Richtlijn ontstaan.