Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/9.3.3
9.3.3 Art. 23 A, lid 4, OESO-modelverdrag
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS303211:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De bepaling is verder van toepassing wanneer de bronstaat naar een gereduceerd tarief belasting heft over dividend of rente op grond van art. 10 of art. 11 van het OESO-modelverdrag terwijl de woonstaat op grond van het verdrag meent verplicht te zijn voorkoming te verlenen over deze inkomensbestanddelen op grond van de vrijstellingsmethode. Verleent de woonstaat in dit geval op grond van art. 23 A, lid 4, OESO-modelverdrag geen verrekening van de belasting die is ingehouden door de bronstaat dan is toch nog sprake van dubbele belasting. Zie ook F. Engelen, Interpretation of Tax Treaties under International Law, Doctoral Series 7, Amsterdam: IBFD Acadamic Counsel 2004, p. 515.
Punt 56. 1 van het commentaar bij de art. 23 A en 23 B.
Punt 56.3 van het commentaar bij de art. 23 A en 23 B.
Punt 56.2 van het commentaar bij de art. 23 A en 23 B.
Sinds 2000 is in het vierde lid van art. 23 A een bepaling opgenomen die als volgt luidt: ‘The provisions of paragraph 1 shall not apply to income derived or capital owned by a resident of a Contracting State where the other Contracting State applies the provisions of this Convention to exempt such income or capital from tax or applies the provisions of paragraph 2 of Article 10 or 11 to such income.’ Deze bepaling is van toepassing als de bronstaat afziet van het belasten van een inkomensbestanddeel op grond van het desbetreffende belastingverdrag. De woonstaat leidt echter uit het verdrag af dat hij voorkoming van dubbele belasting voor het inkomensbestanddeel moet verlenen volgens de vrijstellingsmethode omdat de bronstaat tot heffen gerechtigd zou zijn. In dat geval is de woonstaat niet verplicht om voorkoming van dubbele belasting te verlenen.1
Art. 23 A, lid 4, heeft betrekking op verschillen van inzicht tussen de woonstaat en de andere staat over de interpretatie van feiten die er zonder deze bepaling toe zouden leiden dat de woonstaat voorkoming had moeten verlenen, terwijl de andere staat meent dat het inkomensbestanddeel niet aan hem is toegewezen. Verder is de bepaling van toepassing als het verschil in inzicht de interpretatie van een bepaling van een belastingverdrag betreft.2 Wanneer het verschil van inzicht echter gaat over de interpretatie van een verdragsterm die naar nationaal recht moet worden uitgelegd en dus voortvloeit uit de wisselwerking tussen de nationale regelgeving en de toepassing van het belastingverdrag, wordt niet aan de bepaling toegekomen. Doet zich een dergelijk kwalificatieverschil voor, dan voorkomt art. 23 A, lid 1, immers al dat het inkomensbestanddeel onbelast blijft.3
De bepaling is ten slotte evenmin van toepassing als de bronstaat meent gerechtigd te zijn over een inkomensbestanddeel te heffen op grond van het belastingverdrag maar daarvan afziet op grond van zijn nationale wetgeving.4 De woonstaat is dan verplicht om voorkoming te verlenen.