Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.7:7.3.7 Homologatiecriteria
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.3.7
7.3.7 Homologatiecriteria
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192564:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
373. De homologatiecriteria stellen indirecte grenzen aan de inhoud van het akkoord.1 De gronden voor weigering van de homologatie komen uitgebreid aan bod in hoofdstuk 9, maar zijn ook in het kader van de inhoud van het akkoord relevant omdat de opsteller van het akkoord rekening moet houden met deze grenzen. Hierbij verdient vermelding dat sommige weigeringsgronden door de rechter ambtshalve kunnen worden toegepast, reden waarom deze door de aanbieder van een akkoord bij de formulering van de inhoud van het akkoordvoorstel steeds in het oog moeten worden gehouden. Aan andere weigeringsgronden komt de rechter alleen toe wanneer ze worden ingeroepen door (een) door het akkoord geraakte partij(en).
Zo zal de rechter de homologatie ambtshalve weigeren, indien niet aan de homologatiecriteria van art. 384 lid 2 Fw is voldaan. Dit artikellid bevat algemene weigeringsgronden, die grotendeels zijn ontleend aan de regeling van het surseance- en faillissementsakkoord. Deze gronden zien vooral op de deugdelijke totstandkoming van het akkoord.
Op grond van art. 384 lid 3 Fw zal de rechtbank de homologatie op verzoek van een of meer tegenstemmers weigeren, indien de schuldeisers of aandeelhouders op basis van het akkoord rechten zouden krijgen die “een aanmerkelijk lagere waarde” hebben dan de betaling die zij naar verwachting in een faillissement zouden ontvangen. Deze best interests-test speelt dus bij het vormgeven en opstellen van de materiële inhoud van het akkoord een belangrijke rol. Elke individuele tegenstemmer kan immers afdwingen dat de rechter nagaat of aan de best interests-test is voldaan.2
Ten slotte omvat het vierde lid van art. 384 Fw een tweeledige waarborg voor tegenstemmende klassen. De aanbieder van het akkoord dient er rekening mee te houden dat, wanneer een klasse tegenstemt, het akkoord niet gehomologeerd kan worden wanneer een tegenstemmende klasse niet conform haar rang deelt in de reorganisatiewaarde of op basis van het akkoord geen aanspraak kan maken op een uitkering in contanten ter grootte van de verwachte opbrengst in liquidatie.3