Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris, worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Rb. Den Haag, 14-04-2026, nr. NL25.43311
ECLI:NL:RBDHA:2026:9064
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
NL25.43311
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:9064, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 14‑04‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
beroep, asiel, Nigeria, risicoanalyse, gegrond
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43311
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , geboren op [datum 1] , van Nigeriaanse nationaliteit,
eiseres, mede namens haar kinderen:
[kind1] , geboren op [datum 2] , van Nigeriaanse nationaliteit,
[kind2] , geboren op [datum 3] , van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] ,
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie,1.
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20002.. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond verklaard dient te worden, omdat de minister in het bestreden ten onrechte geen risicoanalyse heeft uitgevoerd als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025.3.Om die reden wordt het bestreden besluit vernietigd. Omdat de door de minister gemaakte risicoanalyse in het verweerschrift van 6 januari 2026 niet voldoet, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 28 september 2022 voor de tweede maal een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is eiseres een vertrektermijn onthouden en heeft de minister eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De behandeling van het beroep stond eerder gepland op de zitting van 11 december 2025, maar is op verzoek van de minister aangehouden, omdat ten onrechte geen risicoanalyse was gemaakt om te beoordelen of eiseres bij terugkeer het risico loopt op hernieuwde uitbuiting/smokkel, dan wel represailles van de zijde van de mensenhandelaren.
2.3.
De minister heeft op 6 januari 2026 alsnog bij wijze van verweer een risicoanalyse gemaakt.
2.4.
De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep4.heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Hieraan hebben zowel de gemachtigde van eiseres als de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres was niet aanwezig. De behandeling van het beroep en het verzoek is vervolgens op verzoek van de gemachtigde van de minister aangehouden, omdat hij onvoldoende tijd heeft gehad om zich op de pleitnota van de gemachtigde van eiseres van 14 januari 2026 voor te bereiden.
2.5.
De rechtbank behandeling van het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is voortgezet op de zitting van 12 maart 2026. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Ontstaan en verloop vorige procedure
3. Eiseres heeft op 8 februari 2019 voor de eerste keer asiel aangevraagd. Op 30 juni 2021 is deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw 2000. Op 20 januari 2022 is dit besluit aanvullend gemotiveerd. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 25 april 2022 is het beroep gegrond verklaard, het betreden besluit vernietigd en zijn de rechtsgevolgen in stand gelaten.5.Bij uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022 is het hoger beroep ongegrond verklaard.6.
3.1.
Met de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling staat in rechte vast dat de verklaringen van eiseres over de moord op haar vader vanwege politieke motieven ongeloofwaardig zijn. Dit geldt ook voor de verklaringen van eiseres dat zij na de moord op haar vader zou zijn meegenomen door drie mannen, door hen zou zijn verkracht en bedreigd. Verder heeft eiseres haar vrees voor represailles door de voodoopriester en voor besnijdenis niet aannemelijk gemaakt.
Ontstaan en verloop huidige procedure
4. Op 28 september 2022 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag gedaan.
4.1.
Op 20 juni 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw 2000. De minister heeft in dat besluit de gestelde biseksualiteit van eiseres ongeloofwaardig geacht en hij heeft de relevante aspecten die eiseres in haar eerdere asielprocedure naar voren heeft gebracht en in deze procedure heeft herhaald, buiten beschouwing gelaten. Volgens de minister zijn dat geen nieuwe feiten en omstandigheden.
4.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Op 20 augustus 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.7.De rechtbank heeft de minister opdracht gegeven om eiseres te horen over het feit dat ze een alleenstaande moeder is met minderjarige kinderen, dat zij zichzelf en haar dochter niet kan beschermen tegen besnijdenis, dat zij in Nigeria geen familie of netwerk heeft en dat zij slachtoffer is van mensenhandel. De minister dient aan de hand van dat gehoor een aanvullende motivering te geven. De rechtbank heeft in die uitspraak verder geoordeeld dat de minister de verklaringen van eiseres over haar gestelde biseksualiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
4.3.
Op 4 februari 2025 heeft de minister eiseres aanvullend gehoord. Op 11 maart 2025 hebt de minister een nieuw voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht. Op 8 april 2025 heeft eiseres haar zienswijze op het voornemen ingediend. Op 24 juni 2025 heeft eiseres een aanvullend voornemen uitgebracht. Op 8 juli 2025 heeft eiseres hier een zienswijze op ingediend.
4.4.
Met het bestreden besluit heeft de minister de opvolgende aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft onder meer overwogen dat geloofwaardig is geacht dat eiseres een alleenstaande vrouw en moeder is, maar dat dit niet maakt dat eiseres als vluchteling moet worden aangemerkt of dat zij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op ernstige schade loopt. In dit verband heeft de minister overwogen dat eiseres haar stelling dat zij een alleenstaande vrouw en moeder is zonder beschermend netwerk niet nader heeft onderbouwd en dat zij niet voldoet aan het risicoprofiel. De minister heeft er in dit verband op gewezen dat eiseres nog diverse familieleden in Nigeria heeft wonen. Verder heeft de minister verwezen naar de onder 3. genoemde uitspraak van 25 april 20228.waarin is overwogen dat de vrees van eisers vanwege mensenhandel, voodoo en de eed die zij in deze context hebt afgelegd niet aannemelijk is. Volgens de minister heeft eiseres op dit punt geen verklaringen afgelegd die nieuw en relevant zijn. Ook heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor (seksueel) geweld of (genitale) verminking. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in de familie van eiseres of de bevolkingsgroep waartoe zij behoort besnijdenis voor komt.
Had de minister eiseres moeten horen omtrent haar identiteitsgroei?
5. Eiseres voert aan dat zij in haar zienswijze van 8 juli 2025 naar voren heeft gebracht dat er bij haar sprake is van groei in haar seksuele identiteit. Volgens eiseres is het juist dat de rechtbank bij uitspraak van 20 augustus 2024 heeft geoordeeld over haar seksuele gerichtheid, maar vanwege tijdsverloop had de minister eiseres moeten horen omtrent de identiteitsgroei. Omdat de minister dit heeft nagelaten, is er sprake van een onzorgvuldige beschikking.
5.1.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit de uitspraak van 20 augustus 2024 niet volgt dat de minister eiseres diende te horen over haar gestelde seksuele geaardheid. De rechtbank heeft daarover immers expliciet geoordeeld dat de minister de verklaringen daaromtrent niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft slechts geoordeeld dat de minister eiseres nader diende te horen over het feit dat zij alleenstaand moeder met minderjarige kinderen is, de stelling dat eiseres zichzelf en haar dochter niet kan beschermen tegen besnijdenis en dat zij in Nigeria geen familie of netwerk heeft en dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Niet in geschil is dat de minister eiseres daarover nader heeft gehoord. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat sprake is van tijdsverloop en daarmee sprake is van groei in haar seksuele identiteit, betekent niet dat reeds om die reden aanleiding had moeten zijn voor de minister om eiseres op dit punt te horen. Van een onzorgvuldig besluit op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beroepsgrond dat eiseres bij terugkeer naar haar land van herkomst ernstig risico zou lopen vanwege haar seksuele geaardheid behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiseres als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM9.?
6. Eiseres voert aan dat zij als alleenstaande vrouw niet kan terugkeren naar Nigeria. Zij zal bij terugkeer op straat terechtkomen en het risico lopen slachtoffer te worden van (seksueel) geweld. Hoewel de minister het geloofwaardig acht dat eiseres een alleenstaande vrouw is en erkent dat de situatie van alleenstaande vrouwen precair is, neemt hij ten onrechte niet aan dat eiseres op grond daarvan een risico loopt in Nigeria. Volgens eiseres heeft de minister in het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd waarom hetgeen op pagina 63 is beschreven in het AAB10.Nigeria van 2023 ten aanzien van alleenstaande vrouwen niet op haar van toepassing is.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het (aanvullend) voornemen en bestreden besluit terecht heeft overwogen dat eiseres familie heeft in Nigeria en dat zij om die reden niet wordt beschouwd als alleenstaande vrouw en moeder zonder beschermend netwerk. De stelling van eiseres dat zij geen contact meer heeft met haar familie, betekent niet dat dit contact niet kan worden hersteld. Anders dan eiseres stelt, bestond er voor de minister geen aanleiding om eiseres hierover nader te horen. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op de verklaring van eiseres in het aanvullend gehoor van 4 februari 2025 waarin zij heeft verklaard dat zij nog wel het adres heeft uit de tijd dat zij nog bij haar familie woonde. De minister heeft mogen vinden dat de stelling van eiseres dat zij - omdat het lang geleden is - niet weet of zij daar nu nog steeds wonen onvoldoende is om aan te nemen dat eiseres niet opnieuw contact met hen zou kunnen krijgen. De minister heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat niet valt in te zien dat eiseres stelt eventueel met behulp van het Rode Kruis contact zou kunnen krijgen met haar ex-schoonfamilie en waarom dit niet mogelijk zou zijn met haar eigen familie. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de asielmotieven ‘het zijn van een alleenstaande vrouw met kind’ en ‘de vrees voor besnijdenis’ wel voldoende in onderlinge samenhang beoordeeld?
7. Eiseres stelt dat uit het AAB Nigeria van 2023 volgt dat zij zich als alleenstaande vrouw met een kind na terugkeer niet zal kunnen staande houden. Het is volgens haar dan ook niet onaannemelijk dat zij haar dochter ook niet meer kan beschermen tegen een besnijdenis. Volgens eiseres deze twee asielmotieven ten onrechte niet in samenhang beoordeeld.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. In dit verband verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar wat zij hiervoor onder 6.1. heeft overwogen over het wel of niet hebben van een beschermend netwerk. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat de rechtbank in haar uitspraak van 25 april 2022 al heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet kan worden gevolgd in haar gestelde vrees voor besnijdenis. De rechtbank oordeelde in die uitspraak dat de minister voldoende heeft onderbouwd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat besnijdenis voorkomt in haar familie of in de bevolkingsgroep waartoe haar echtgenoot behoort en dat de minister in het aanvullend besluit van 20 januari 2022 met verwijzing naar het AAB Nigeria van 31 maart 2021 ook deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de vrees voor besnijdenis van de dochter van eiseres niet aannemelijk wordt geacht. In dit kader heeft de rechtbank gewicht toegekend aan het gegeven dat zowel eiseres als haar partner tegen de besnijding van eiseres of haar dochter zijn en niet valt in te zien dat zij zich hiertegen niet zouden kunnen verzetten. De verwijzing naar het AAB Nigeria 2023 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
De minister heeft ten onrechte geen risicoanalyse verricht.
8. Eiseres stelt dat het geloofwaardig is dat zij gebruik heeft gemaakt van een netwerk van mensenhandelaren. Gelet op de huidige jurisprudentie dient de minister een
risicoanalyse te verrichten om te beoordelen of eiseres bij terugkeer niet het risico
loopt op hernieuwde uitbuiting/smokkel, dan wel represailles. Dit heeft de minister ten onrechte nagelaten.
8.1.
Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft de minister alsnog een risicoanalyse uitgevoerd als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025.11.Deze risicoanalyse is neergelegd in het verweerschrift van 6 januari 2026.
8.2.
De rechtbank is stelt met partijen vast dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat de minister in het bestreden besluit geen risicoanalyse heeft gemaakt. Dit betekent dat het beroep reeds om die reden gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De vraag die vervolgens voorligt is, of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
8.3.
Volgens de Afdeling moet de minister een risicoanalyse maken in de zin van de Country Guidance Nigeria 2021 van de EUAA. In de Country Guidance wordt door de EUAA een aantal factoren geformuleerd die bij de risicoanalyse betrokken moeten worden, zoals het machtsniveau/de capaciteit van de mensenhandelaar, kennis van de mensenhandelaar over de familie en de achtergrond van de slachtoffers, de gezinsstatus van het slachtoffer alsmede diens sociaaleconomische en financiële positie.
8.4.
Hoewel de minister in de risicoanalyse van 6 januari 2026 al deze relevante factoren heeft benoemd en beoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de minister met deze risicoanalyse onvoldoende motiveert waarom eiseres bij terugkeer niet een reëel risico loopt op ernstige schade door represailles van de zijde van de mensenhandelaren. De minister citeert in de risicoanalyse twee verklaringen van eiseres over [naam mensenhandelaar] , de mensenhandelaar. In antwoord op de vraag of [naam mensenhandelaar] een bekend/berucht persoon is in Nigeria, heeft eiseres verklaard: “Als je het hebt over een bekend figuur heb je het vaak over mensen in de politiek. Maar [naam mensenhandelaar] , nee.”
Verder wijst de minister erop dat eiseres heeft verklaard dat [naam mensenhandelaar] “(…) jongens had die voor hem werkten”. Volgens de minister kan die laatste verklaring duiden op enig netwerk, maar valt daaruit geenszins af te leiden dat de mensenhandelaar geacht moet worden in staat te zijn eiseres te traceren als zij terugkeert naar Nigeria. De minister weegt dit daarom voor eiseres in negatieve zin mee in de risicoanalyse. De rechtbank is van oordeel dat deze twee geciteerde verklaringen onvoldoende zijn om die conclusie te dragen. De minister neemt in dit geval terecht aan dat de verklaring van eiseres dat [naam mensenhandelaar] jongens voor hem had werken, kan duiden op enig netwerk. Het ontgaat de rechtbankwaarom de verklaring van eiseres dat [naam mensenhandelaar] geen bekend persoon is, in de zin van een bekend iemand uit de politiek, tot de conclusie zou moeten leiden dat er dus geen aanleiding is om aan te nemen dat de mensenhandelaar in staat moet worden geacht eiseres na terugkeer naar Nigeria te traceren. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de twee door de minister geciteerde verklaringen van eiseres daarvoor onvoldoende grond. Omdat de omvang van het netwerk van mensenhandelaren, mede gelet op de informatie uit het AAB Nigeria van 2023, een wezenlijk, zo niet doorslaggevend onderdeel uitmaakt van de risicoanalyse, dient de minister nader te motiveren waarom in het geval van [naam mensenhandelaar] niet wordt uitgegaan van een netwerk dat in staat zou zijn om eiseres bij terugkeer naar Nigeria te traceren. Als het dossier daarvoor op dit moment te weinig informatie bevat, ligt het op de weg van de minister om daar nader onderzoek naar te doen. Dit kan bijvoorbeeld door eiseres nader te horen op dit punt. De rechtbank merkt verder op dat uit de motivering in het verweerschrift niet blijkt waarom de schuld van eiseres, in dit geval 25.000 euro, slechts leidt tot enig risico. Eiseres wijst er in dit verband terecht op dat in de risicoanalyse van de minister wel erg de nadruk lijkt te zijn gelegd op de door eiseres gevreesde spirituele represailles en geen dan wel onvoldoende aandacht is geweest voor de fysieke represailles waar eiseres voor vreest. Reeds om deze redenen kunnen de rechtsgevolg van het bestreden besluit niet in stand blijven. De minister dient een nieuw risicoanalyse uit te voeren en op basis daarvan een nieuw besluit te nemen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade vanwege represailles van de mensenhandelaar. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb12.. De minister moet een nieuw besluit nemen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en ziet ook geen mogelijkheid om zelf een beslissing te nemen.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:71, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
9.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 14 januari 2026 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister inde door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑04‑2026
Vreemdelingenwet 2000.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; ECLI:NL:RVS:2025:1996.
Zaak NL25.43312.
ECLI:NL:RBDHA:2022:11589 (NL21.11903).
202203000/1/V1 en 202203000/2/V1
NL24.26309
ECLI:NL:RBDHA:2022:11589 (NL21.11903)
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Algemeen ambtsbericht.
De uitspraak van de Afdeling van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1996.
Algemene wet bestuursrecht.