RFR 2012/118
IPR. Kan de Nederlandse rechter rechtsmacht aannemen, als een Nederlands kind in Turkije zijn gewone verblijfplaats heeft, op de grond dat zijn vader in Turkije niet met het gezag kan worden belast?
HR 07-09-2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7355
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
7 september 2012
- Magistraten
Mrs. J.B. Fleers, J.C. van Oven, F.B. Bakels, W.D.H. Asser, M.A. Loth
- Zaaknummer
12/01231
- Conclusie
A-G mr. P. Vlas
- LJN
BW7355
- JCDI
JCDI:ADS912475:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Gezag en omgang
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal erkennings- en executierecht
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2012:BW7355, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑09‑2012
ECLI:NL:HR:2012:BW7355, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑09‑2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑03‑2012
- Wetingang
Essentie
Internationaal privaatrecht.
Kan de Nederlandse rechter rechtsmacht aannemen op grond van art. 4 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, ingeval een Nederlands kind in Turkije zijn gewone verblijfplaats heeft , op de grond dat zijn vader in Turkije niet (mede) met het gezag over hem kan worden belast?
Samenvatting
In 2005 is uit de moeder een dochter geboren, die door de vader is erkend. De vader en de moeder zijn niet met elkaar gehuwd (geweest). De dochter verblijft sinds 2009 in Turkije bij de moeder, die naar Turks recht van rechtswege als enige met het gezag over haar is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.