Richtlijn 2011/95/EU (L337/9).
Rb. Den Haag, 20-12-2023, nr. NL20.16879 en NL20.16880
ECLI:NL:RBDHA:2023:20195, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
20-12-2023
- Zaaknummer
NL20.16879 en NL20.16880
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2023:20195, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 20‑12‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2022:1329
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:2927, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:RBDHA:2022:1329, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 22‑02‑2022; (Tussenuitspraak)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2023:843
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2023:469
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2023:20195
- Vindplaatsen
JV 2024/33
JV 2022/71
SEW 2022, afl. 4 , p. 215
Uitspraak 20‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Einduitspraak artikel 15b/15c Kwalificatierichtlijn – de rechtbank heeft in februari 2022 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld over de wijze van beoordelen van het risico op ernstige schade en over hoe de zogenoemde “glijdende schaal” moet worden toegepast. Eisers vormen een gezin met 6 jonge kinderen en zijn afkomstig uit Libië. Eiser is in Libië persoonsbeveiliger geweest van hooggeplaatste politici. Eiser is buiten werktijd tijdens het hardlopen beschoten en geraakt in zijn hoofd. Eiser kan niet aannemelijk maken dat er gericht op hem is geschoten en hij kan niet aannemelijk maken dat hij daarna twee keer telefonisch is bedreigd. De rechtbank stelt vast dat eiser slachtoffer is geworden van willekeurig geweld. De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers geen bescherming nodig hebben enkel vanwege het algemene geweldsniveau in Libië en ook geen bescherming nodig hebben enkel vanwege een individuele vrees. Als er elementen zijn die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eisers, kan bij een lager niveau van geweld toch bescherming noodzakelijk zijn als die elementen het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld vergroten. Dit is het toepassen van “de glijdende schaal”; hoe meer blijkt dat deze elementen het risico om slachtoffer te worden kunnen vergroten, hoe minder hoog het algemene geweldsniveau hoeft te zijn om aan te moeten nemen dat bescherming nodig is. De rechtbank overweegt dat verweerder in deze procedure toepassing moet geven aan de glijdende schaal. Verweerder heeft namelijk zijn standpunt dat het geweldsniveau in Libië zo laag is dat dit de drempel niet haalt voor een dergelijke beoordeling, onvoldoende onderbouwd. Om vervolgens deugdelijk toepassing te kunnen geven aan de glijdende schaal moet verweerder nagaan welke elementen uit het relaas van eisers en uit de overige feiten en omstandigheden betrokken moeten worden bij de vraag of toch bescherming nodig is. De rechtbank overweegt ook dat verweerder op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de glijdende schaal. Eiser is eenmaal beschoten terwijl hij aan het hardlopen was en is daarbij in zijn hoofd geraakt. De rechtbank kwalificeert dit als het eerder ondergaan hebben van willekeurig geweld. Het hof heeft uitgelegd dat deze omstandigheid een aanwijzing is dat er een risico op ernstige schade bij terugkeer bestaat en daarom altijd moet worden betrokken bij toepassing van de glijdende schaal. Verweerder had de baan van eiser, de gezinssamenstelling en de leeftijd van de kinderen moeten betrekken bij de beoordeling of eisers een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld als zij moeten terugkeren naar Libië. Eiser is persoonsbeveiliger van hoog geplaatste politici geweest. Verweerder moet een standpunt innemen of dit werk, wat op zichzelf reeds een risico om onderworpen te worden aan geweld meebrengt, betekent dat eiser meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan andere burgers. Verweerder moet daarbij ook beoordelen of, als dat zo is, van hem gevergd kan worden om na terugkeer een andere baan te zoeken. Jonge kinderen zullen gevaar en geweldssituaties minder snel herkennen en onderkennen. In Libië is sprake van grote gebieden waar niet-ontplofte munitie en bommen liggen. Kinderen lopen in deze situatie een verhoogd risico om slachtoffer van geweld te worden. De rechtbank volgt op dit punt de recente Afdelingsjurisprudentie dus niet. Gezinnen met jonge kinderen zullen zich doorgaans ook moeilijker kunnen onttrekken aan een (dreigende) geweldssituatie. Dit wil niet zeggen dat alle kinderen en alle gezinnen uit Libië bescherming nodig hebben, maar dit betekent wel dat verweerder deze elementen daarom moeten betrekken bij de toepassing van de glijdende schaal. De rechtbank gaat in deze uitspraak ook in op het vermogen van eiser om adequaat te kunnen verklaren, medisch steunbewijs, de inspanningsplicht, de samenwerkingsplicht, het voordeel van de twijfel, het opnieuw moeten horen, risicogroep en 8 EVRM. De rechtbank vernietigt de besluiten, maar stelt verweerder niet door het doen van een tussenuitspraak in de gelegenheid om de motiveringsgebreken te herstellen. De rechtbank gaat er namelijk van uit dat beide partijen hoger beroep willen instellen om een oordeel van de Afdeling over het arrest X, Y van 9 november 2023 en de toepassing van dit arrest in de onderhavige procedure te verkrijgen. De rechtbank doet dus een einduitspraak en verklaart de beroepen gegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.16879 en NL20.16880
Einduitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen:
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1982, eiser,
[V-nummer] ,
[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1987, eiseres,
[V-nummer] ,
mede namens hun zes minderjarige kinderen,
allen van Libische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigden: mr. T.L. Schuitemaker en mr. F.M. van de Kamp).
Procesverloop
Eisers hebben op 28 januari 2018 een verzoek om internationale bescherming ingediend.
Verweerder heeft aanvankelijk een Dublinprocedure geëntameerd. Deze procedure is afgesloten met een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 december 2018.
Bij brief van 2 januari 2019 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat hun verzoeken om internationale bescherming in de nationale procedure zullen worden behandeld.
Bij brief van 24 september 2019 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat per 1 juli 2019 een besluitmoratorium voor de duur van één jaar ten aanzien van aanvragen van verzoekers uit Libië is ingesteld en dat uiterlijk op 1 juli 2020 zal worden beslist op hun asielaanvragen.
Bij afzonderlijke besluiten van 24 december 2020 heeft verweerder de aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Tevens is bepaald dat aan eisers geen vergunning voor verblijf op reguliere gronden wordt verleend en dat eisers geen uitstel van vertrek krijgen. Verweerder heeft tot slot bepaald dat deze besluiten tevens gelden als terugkeerbesluiten en dat eisers een vertrektermijn van vier weken hebben.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen. Na het (alsnog) nemen van de besluiten op 24 december 2020, hebben eisers aangegeven dat hun beroep niet langer tegen het niet tijdig beslissen is gericht en dat het beroep wordt gehandhaafd omdat zij het niet eens zijn met de ongegrondverklaring van hun asielaanvragen.
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen de ongegrondverklaring van hun aanvragen op 10 februari 2022 op zitting behandeld. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld de behandeling van het beroep aan te houden en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) te gaan stellen.
Bij verwijzingsuitspraak van 22 februari 2022 heeft de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2022:1329).
Het Hof heeft de vragen op 23 maart 2023 ter zitting behandeld (C-125/22). AdvocaatGeneraal Pikamäe heeft op 8 juni 2023 zijn conclusie genomen (ECLI:EU:C:2023:469).
Bij bericht van 10 oktober 2023 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het Hof op 9 november 2023 uitspraak zal doen. De rechtbank heeft in dit bericht tevens aangegeven dat partijen tot 24 november 2023 in de gelegenheid worden gesteld om aan te geven welke gevolgen de uitspraak van het Hof voor de onderhavige procedure dient te hebben en dat partijen in de gelegenheid zijn om gemotiveerd te verzoeken om een voorzetting van de behandeling van het beroep ter zitting.
Het Hof heeft bij uitspraak van 9 november 2023 de vragen van het Hof beantwoord (X, Y en hun zes minderjarige kinderen tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C125/22, ECLI:EU:C:2023:843, hierna “X, Y”) .
Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun zienswijze op de uitspraak van het Hof te geven en beide partijen hebben gemotiveerd verzocht om een voortzetting van het onderzoek ter zitting.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 1 december 2023. Eisers zijn verschenen en bijgestaan door hun gemachtigde. Namens eisers is tevens verschenen mr. S. Rafi in haar hoedanigheid van voorzitter van de Commissie Strategisch Procederen van Vluchtelingenwerk, die blijkens een ter zitting getoonde en na sluiting van het onderzoek op verzoek van de rechtbank aan het dossier toegevoegde machtiging, gemachtigd is om namens eisers het woord te voeren. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn beide gemachtigden. Na afloop van de voortgezette behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en partijen medegedeeld dat in de maand december 2023 uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
1. Eisers hebben aan hun asielaanvragen onder meer het navolgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard meerdere jaren in Tripoli als persoonsbeveiliger van hooggeplaatste politici te hebben gewerkt. Eiser heeft onder meer twee premiers, een vicepremier en enkele ministers beveiligd. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij hen “tegen alles en iedereen” moest beveiligen omdat het land in chaos verkeerde en men niet wist door wie en wanneer men wordt aangevallen. Eiser is éénmaal beschoten terwijl hij na werktijd aan het hardlopen was. Eiser is hierbij in zijn hoofd geraakt en heeft ten gevolge hiervan een kogelscherf in zijn linkerwang. Eiser stelt na deze beschieting tweemaal telefonisch te zijn bedreigd. De eerste bedreiging vond ongeveer vijf maanden na de beschieting plaats, de tweede bedreiging ongeveer één tot twee jaar na de beschieting. In deze telefoongesprekken is onder meer gezegd dat eiser voor de regering werkt, gedood zal worden en zijn kinderen ontvoerd zullen worden. Eiser heeft aangegeven dat tegen hem is gezegd “de eerste keer ben je ontsnapt, maar bij de tweede keer gaat jou dat niet lukken” en zijn bewoordingen geuit die doorgaans worden gebruikt om Khadaffi-aanhangers mee te duiden. In de correcties en aanvullingen op het gehoor is nader aangegeven dat bij de twee telefonische bedreigingen de stem en de wijze van bedreigen hetzelfde was. De directe aanleiding voor vertrek is een bedreiging die was gericht tegen zijn schoonvader en in aanwezigheid van kinderen van eisers is geuit. Deze bedreiging van de schoonvader ligt niet ten grondslag aan de verzoeken van eisers om internationale bescherming.
Eiser heeft verklaard sommige ideeën van Khadaffi wel te ondersteunen en sommige ideeën niet. Eiser heeft op zijn werk hierover gepraat met collega’s.
Eiser heeft (onderbouwde) vermoedens welke groepering verantwoordelijk is voor de beschieting en bedreigingen, maar kan dit niet bewijzen.
Eiser heeft geen bescherming bij de autoriteiten gevraagd omdat hij voor de autoriteiten werkt en daarom weet dat er geen bescherming mogelijk is. Ook zijn leidinggevende is na te zijn bedreigd vertrokken.
Eiser heeft in beroep een verklaring van een deskundige overgelegd die betrekking heeft op de risico’s die eiser als beveiliger loopt en het tijdsverloop tussen bedreigingen van milities. Eiser heeft verklaard dat de moeilijke levensomstandigheden, zoals het niet kunnen beschikken over brandstof, drinkwater en elektriciteit, mede aanleiding voor vertrek zijn geweest. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat hij van zijn broer heeft vernomen dat milities een stuk grond dat eiser van zijn vader heeft geërfd proberen in te nemen en dat deze milities te kennen hebben gegeven dat eenieder die zich hiertegen verzet zal worden gedood. Eiser legt ook deze omstandigheid ten grondslag aan zijn beschermingsverzoek. Eiser heeft voorts verklaard dat hij op hoog niveau het kickboksen heeft beoefend en dat hij hierdoor en door medische oorzaken met name bij het moeten benoemen van data geheugenproblemen ondervindt. Eiser heeft tijdens de gehoren meerdere malen aangegeven last te hebben van stress en concentratieproblemen. Eiseres heeft in haar gehoor verklaringen afgelegd die overeenkomen met de verklaringen van eiser en deels zijn gebaseerd op hetgeen eiser aan haar heeft verteld over zijn persoonlijke ervaringen en vrees. Eiseres heeft de vrees vanwege de persoonlijke ervaringen van eiser en de algemene onveilige situatie in Libië aan haar verzoek om bescherming ten grondslag gelegd. Eiseres heeft voorts verklaard door de omstandigheden in Libië vaak ziek te zijn geweest, altijd duizelig te zijn geweest en veel te zijn afgevallen. Eiseres heeft aangegeven dat er geen water, geen elektriciteit en geen veiligheid op straat is en dat zij vanwege die omstandigheden en vanwege de oorlog niet kunnen terugkeren. Eisers vrezen bij terugkeer voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn (hierna: Kri) en/of artikel 15c Kri. Eisers baseren dit op de beschieting, de bedreigingen, de humanitaire omstandigheden en het algemene geweldsniveau in Libië. Bij de zienswijze op de betekenis van de uitspraak van het Hof en meer in het bijzonder in de reactie op de zienswijze van verweerder, hebben eisers een ongetekende en ongedateerde reactie van, naar de rechtbank aanneemt, de Commissie Strategisch Procederen overgelegd en een nadere reactie van Chertisch overgelegd waarin hij zijn kwalificaties en expertise toelicht en onder meer ingaat op de actuele veiligheidssituatie in Libië en een aantal door de gemachtigde van eisers gestelde vragen.
2. Verweerder acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Verweerder acht mede gelet op de door eiser overgelegde documenten en afgelegde verklaringen geloofwaardig dat eiser van 2012, na de val van Khadaffi, tot aan het vertrek van eisers uit Libië in juni 2017 in Tripoli werkzaam is geweest in de persoonsbeveiliging van hooggeplaatste politici.
Verweerder heeft voorts in de besluitvormingsfase niet ongeloofwaardig geacht dat eiser is beschoten terwijl hij aan het hardlopen was en daarbij in zijn hoofd is geraakt. Omdat (onder meer) eiser echter enkel vermoedens heeft over wie hem heeft beschoten en niet kan onderbouwen wie de dader is geweest, wordt het door eiser gestelde verband tussen zijn werkzaamheden en de beschieting niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarnaast overwogen dat de twee gestelde bedreigingen niet geloofwaardig worden geacht. Verweerder heeft hierbij onder meer het tijdsverloop tussen de beschieting en de gestelde bedreigingen betrokken en heeft voorts overwogen dat eiser niet weet wie hem heeft bedreigd en enkel vermoedt dat de bedreigingen verband houden met zijn werkzaamheden, de beschieting en zijn opvattingen over Khadaffi.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geweld specifiek tegen hem gericht is geweest, waardoor eisers volgens verweerder bij terugkeer niet hoeven te vrezen voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri.
Verweerder stelt zich in de besluiten op het standpunt dat het aan de staatssecretaris is om risicogroepen te duiden en om vast te stellen of sprake is van een 15c-situatie.
Nu de staatssecretaris hiertoe geen aanleiding heeft gezien, hoeven eisers bij terugkeer ook niet te vrezen voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri. In de besluiten waar deze procedure betrekking op heeft, heeft verweerder geen inhoudelijke beoordeling opgenomen van de algemene veiligheidssituatie en heeft verweerder geen inhoudelijke motivering gegeven waarom uit het algemene geweldsniveau in Libië geen behoefte tot subsidiaire bescherming zoals bedoeld in artikel 15c Kri blijkt.
Verweerder heeft in zijn zienswijze op het arrest de actuele veiligheidssituatie beschreven en geduid en is tevens, net als tijdens de behandeling van het beroep ter zitting op 10 februari 2022, ingegaan op de beroepsgronden.
3. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en overweegt daartoe als volgt.
4. Het Hof heeft in het arrest van 9 november 2023 in de zaak X, Y de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
(…)
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 15 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit, om te bepalen of een persoon die om internationale bescherming verzoekt in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, alle relevante elementen die betrekking hebben op zowel de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker als de algemene situatie in het land van herkomst moet onderzoeken, alvorens vast te stellen welk soort ernstige schade deze elementen eventueel kunnen staven.
2) Artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit ter beoordeling of er sprake is van een reëel risico om ernstige schade als omschreven in die bepaling te lijden, rekening moet kunnen houden met andere elementen betreffende de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker dan de enkele omstandigheid dat hij afkomstig is uit een gebied van een bepaald land waar zich „the most extreme cases of general violence” voordoen in de zin van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008, N.A. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0717JUD002590407, § 115).
3) Artikel 15, onder b), van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat de intensiteit van het willekeurig geweld dat heerst in het land van herkomst van de verzoeker het in die bepaling omschreven vereiste van individualisering van de ernstige schade niet kan afzwakken.
(…)
5. Het Hof heeft hierbij onder meer het navolgende overwogen:
(…)
38 Hieruit volgt dat de toekenning van subsidiaire bescherming krachtens artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95 veronderstelt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker, indien hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, specifiek en individueel wordt blootgesteld aan een reëel risico op het ondergaan van de doodstraf, executie, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
39 Niettemin moeten bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijk risico ook de elementen worden onderzocht die betrekking hebben op de algemene situatie van het betrokken land, waaronder met name die welke verband houden met het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land. Aan de hand van een dergelijke algemene context kan namelijk nauwkeuriger worden beoordeeld in hoeverre de verzoeker daadwerkelijk een risico loopt op ernstige schade als omschreven in artikel 15, onder a) of b), van richtlijn 2011/95.
40 Wat, ten tweede, de in artikel 15, onder c), van deze richtlijn omschreven schade betreft, die bestaat in „een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon” van de verzoeker, moet worden opgemerkt dat deze bepaling betrekking heeft op een „algemener” risico op schade dan de risico’s die onder a) en b) van dat artikel worden genoemd. Zo wordt hier in ruimere zin gedoeld op een „bedreiging van het leven of de persoon” van een burger, en niet zozeer op bepaalde gewelddadigheden. Bovendien is deze bedreiging inherent aan een algemene situatie van gewapend conflict die „willekeurig geweld” meebrengt, hetgeen inhoudt dat het geweld gericht kan zijn tegen personen ongeacht hun persoonlijke situatie en hun identiteit, wanneer een dergelijk geweldsniveau dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico op deze bedreigingen zou lopen [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punten 26 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Hieruit volgt dat, in het kader van een uitzonderlijke situatie als die welke in het vorige punt van het onderhavige arrest is beschreven, om vast te stellen dat er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, niet de voorwaarde geldt dat de verzoeker aantoont dat hij specifiek wordt getroffen wegens elementen die eigen zijn aan zijn persoonlijke omstandigheden [zie in die zin arresten van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 43, en 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punt 27].
42 In andere, minder uitzonderlijke situaties blijken elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker echter wel relevant. Dus hoe meer de verzoeker het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld zal zijn vereist opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming krachtens artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 (zie in die zin arresten van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 39, en 30 januari 2014, Diakité, C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 31).
43 Hieruit volgt dat artikel 15 van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat zowel de omstandigheden die verband houden met de algemene situatie in het land van herkomst, met name het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land, als die welke verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, elementen kunnen vormen die relevant zijn voor de beoordeling van elk verzoek om subsidiaire bescherming door de bevoegde nationale autoriteit, ongeacht welk specifiek soort ernstige schade in de zin van dat artikel 15 wordt beoordeeld.
44 In dit verband moet nog worden benadrukt dat, ofschoon elk soort ernstige schade als bedoeld in de punten a) tot en met c) van artikel 15 van richtlijn 2011/95 een autonome grond voor erkenning van de subsidiaire bescherming vormt, waarvan de voorwaarden ten volle moeten zijn vervuld om deze bescherming te verlenen, dit artikel, zoals de advocaat-generaal in essentie in de punten 30, 40 en 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, evenwel geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen deze verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade. Ten eerste kan uit een en hetzelfde verzoek om internationale bescherming namelijk blijken dat er een risico bestaat dat de verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef aan verschillende soorten ernstige schade wordt blootgesteld. Ten tweede kan een en hetzelfde element worden gebruikt om te staven dat er sprake is van een reëel risico om meerdere van deze soorten ernstige schade te ondergaan.
(…)
47 Hoewel de lidstaten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 mogen verlangen dat de verzoeker in de eerste fase alle elementen ter staving van zijn verzoek om bescherming zo spoedig mogelijk indient, neemt dit niet weg dat de autoriteiten van de lidstaten zo nodig actief met hem moeten samenwerken om te bepalen welke elementen van het verzoek relevant zijn en deze aan te vullen, waarbij deze autoriteiten overigens vaak gemakkelijker toegang hebben tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C‑349/20, EU:C:2022:151, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak], met dien verstande dat bepaalde aspecten van de verklaringen van de verzoeker, ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal daarvoor, geen nadere bevestiging behoeven, mits aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 4, lid 5, onder a) tot en met e), van deze richtlijn is voldaan (arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 58).
49 Vervolgens komt uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn naar voren dat zowel „alle relevante feiten in verband met het land van herkomst” in de zin van punt a) van die bepaling als de „individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker” in de zin van punt c) ervan deel uitmaken van de relevante elementen waarmee deze autoriteit bij de beoordeling van elk verzoek om internationale bescherming rekening moet houden.
50 In die zin heeft het Hof geoordeeld dat zelfs wanneer in een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op grond van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, geen melding wordt gemaakt van elementen die eigen zijn aan de situatie van de verzoeker, uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn voortvloeit dat een dergelijk verzoek individueel moet worden beoordeeld, waarbij, wanneer alle relevante omstandigheden van het geval globaal in aanmerking worden genomen, rekening moet worden gehouden met een reeks van elementen die in deze bepaling worden genoemd [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punten 40 en 41].
51 Bovendien kan, krachtens artikel 4, lid 4, van richtlijn 2011/95, het feit dat een verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, in beginsel een duidelijke aanwijzing vormen dat de verzoeker een reëel risico loopt om ernstige schade te lijden, zodat deze omstandigheden die verband houden met de persoonlijke situatie van de verzoeker, hoe deze ook zijn, altijd moeten worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico om een van de in artikel 15 van die richtlijn omschreven vormen van ernstige schade te lijden.
(…)
53 In de derde en laatste plaats is de in de punten 43 en 48 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 15 van richtlijn 2011/95 in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn die in punt 32 van het onderhavige arrest zijn herhaald. Een onderzoek van de verzoeken om internationale bescherming waarbij geen rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, en met name met alle in artikel 4, lid 3, van deze richtlijn opgesomde elementen, voordat de in artikel 15 ervan omschreven vorm van ernstige schade wordt vastgesteld die eventueel door deze elementen zou kunnen worden gestaafd, zou namelijk leiden tot schending van de verplichting die krachtens deze richtlijn op de lidstaten rust om de personen te identificeren die deze bescherming werkelijk behoeven [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punt 44].
(…)
63 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 inderdaad ziet op de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict van dien aard is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die wordt teruggestuurd naar het betrokken land of de betrokken regio, louter door zijn aanwezigheid op het grondgebied van dat land of die regio een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
64 Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kan deze bepaling echter ook betrekking hebben op andere situaties, waarin de combinatie van een geringere mate van willekeurig geweld dan die welke kenmerkend is voor een dergelijke uitzonderlijke situatie en elementen die eigen zijn aan de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, het reële risico op een ernstige en individuele bedreiging in de zin van die bepaling een concrete vorm kan geven.
65 Hieruit volgt dat de elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker waarmee de bevoegde nationale autoriteit rekening moet houden, in die andere situaties noodzakelijkerwijs verder gaan dan het feit dat iemand afkomstig is uit een gebied van een bepaald land waar zich de „most extreme cases of general violence” voordoen in de zin van de rechtspraak van het EHRM, en met name zijn arrest van 17 juli 2008, N.A. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0717JUD 002590407, § 115).
67 Gelet op de door de verwijzende rechter opgeworpen vraagtekens waaraan in punt 19 van het onderhavige arrest is herinnerd, moet nog worden opgemerkt dat de in artikel 4, lid 3, onder c), van deze richtlijn opgenomen lijst van relevante elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker niet uitputtend is, zodat, in de in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde situaties, de nationale autoriteit die bevoegd is voor de toekenning van de subsidiaire bescherming elk geval afzonderlijk moet beoordelen en daarbij zo nodig rekening moet houden met ieder ander element dat verband houdt met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker en dat eraan kan bijdragen dat het reële risico op ernstige schade als omschreven in artikel 15, onder c), van de richtlijn een concrete vorm aanneemt, gezien de mate van willekeurig geweld in het betrokken land of de betrokken regio. In dit verband kunnen met name elementen die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de verzoeker en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant worden beschouwd.
68 Bovendien is het – zoals in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht en overeenkomstig artikel 4, lid 4, van richtlijn 2011/95 – aan de bevoegde nationale autoriteit om rekening te houden met de omstandigheid dat de verzoeker reeds ernstige schade heeft geleden of in die zin reeds rechtstreeks is bedreigd, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
(…)
73 Ofschoon, zoals in punt 39 van dit arrest is benadrukt, de relevante elementen betreffende de algemene situatie in het land van herkomst van de verzoeker, waaronder met name de elementen die betrekking hebben op het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land, ook in dergelijke gevallen moeten worden onderzocht, kan het feit dat er sprake is van een zeker niveau van geweld en onveiligheid in dat land, hoe hoog ook, niettemin niet leiden tot afzwakking van de strekking van de voorwaarde dat, wil er sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95, moet worden aangetoond dat de verzoeker – in voorkomend geval rekening houdend met een dergelijk geweldsniveau – een reëel risico loopt om specifiek en individueel aan dergelijke schade te worden blootgesteld indien hij naar hetzelfde land wordt teruggestuurd.
(…)
Humanitaire omstandigheden
6. De rechtbank heeft het Hof door het stellen van de vierde prejudiciële vraag verzocht nader te duiden of artikel 15 Kri, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, lid twee, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus dient te worden uitgelegd dat humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, dienen te worden betrokken bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming heeft. Het Hof heeft deze vierde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk verklaard en dus niet inhoudelijk beantwoord. Het Hof heeft hierbij -kort gezegd- overwogen dat de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat de door eisers gestelde humanitaire omstandigheden een (in)direct gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade en onvoldoende heeft onderbouwd wie deze actor is en waaruit het handelen en/of nalaten van deze actor blijkt. De rechtbank heeft in haar verwijzingsuitspraak dus onvoldoende deugdelijk onderbouwd dat de beantwoording van deze vierde vraag noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen in de onderhavige procedure.
De rechtbank heeft geconstateerd dat dr. I. Chertisch in de verklaring van 19 november 2023 uitgebreid en met bronnen onderbouwd is ingegaan op de humanitaire situatie in Libië. De rechtbank zal zich evenwel in de onderhavige procedure niet nogmaals tot het Hof wenden om dezelfde vraag met deze nadere onderbouwing voor te leggen. Dit betekent dat er thans geen rechtsregel en geen jurisprudentie is waaruit blijkt dat humanitaire omstandigheden een relevant element vormen voor de beoordeling of eisers in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming. Eisers hebben hiervoor geen nadere onderbouwing gegeven, zodat de rechtbank deze rechtsvraag in de onderhavige procedure niet verder zal beoordelen en aan de humanitaire omstandigheden geen relevantie toekomt bij de vraag of verweerder de asielaanvragen terecht heeft afgewezen.
Algemene veiligheidssituatie
7. De rechtbank overweegt voorts dat in de bestreden besluiten, zoals hiervoor overwogen, verweerder geen inhoudelijke beoordeling heeft opgenomen van de algemene veiligheidssituatie en dat verweerder geen inhoudelijke motivering heeft gegeven waarom uit het algemene geweldsniveau in Libië geen behoefte aan subsidiaire bescherming zoals bedoeld in artikel 15c Kri blijkt. In de gehandhaafde bestreden besluiten is volstaan het met aangeven dat het aan de staatssecretaris is om risicogroepen te duiden en om vast te stellen of sprake is van een 15c-situatie en dat, nu de staatssecretaris hiertoe geen aanleiding heeft gezien, er dús geen sprake is van een 15c-situatie en eisers bij terugkeer ook niet te vrezen hebben voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri.
De rechtbank overweegt dat deze motivering niet volstaat, ongeacht of en ongeacht hoe toepassing moet worden gegeven aan de glijdende schaal. Verweerder heeft nadat het Hof de vragen van de rechtbank heeft beantwoord, ervoor gekozen om zijn besluiten onverkort te handhaven en geen aanvullende besluiten te nemen, maar enkel een verweerschrift uit te brengen. Wel is verweerder in dit verweerschrift uitgebreid ingegaan op de algehele veiligheidssituatie en het geweldsniveau in Libië en heeft verweerder gemotiveerd waarom dit niet tot vergunningverlening leidt. Verweerder heeft voorts in zijn verweerschrift erkend dat het standpunt dat ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri enkel aan de orde kan zijn bij een uitzonderlijke situatie en dat individuele omstandigheden nooit bij de 15cbeoordeling kunnen worden betrokken, niet langer kan worden gehandhaafd.
De rechtbank overweegt dat reeds doordat geen nieuw of aanvullend besluit is genomen, de rechtbank de besluiten zal vernietigen en het beroep gegrond zal verklaren De besluiten zijn daarom onvoldoende gemotiveerd en zullen worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank kwalificeert een verweerschrift niet als een aanvullend besluit en heeft dat ook zo ter zitting besproken. Dat verweerder heeft gemeend, zoals toegelicht ter zitting, dat het uitbrengen van een verweerschrift minder tijd met zich brengt dan het nemen van een nieuw of aanvullend besluit en het uitbrengen van een verweerschrift daarom in het belang van eisers is, leidt niet tot een andere conclusie. De rechtbank toetst in de onderhavige procedure immers de besluiten en verricht geen rechtmatigheidsbeoordeling van een verweerschrift.
De rechtbank zal, mede gelet op het principiële karakter van een einduitspraak na een verwijzing, vanzelfsprekend hiermee niet volstaan en beoordelen of de rechtsgevolgen in stand moeten worden gelaten. De rechtbank zal daarmee de zaak ten gronde beoordelen en alle argumenten van partijen hierbij betrekken.
8. Het Hof heeft - kort gezegd - uitgelegd dat om te beoordelen of subsidiaire bescherming moet worden geboden, alle relevante elementen moeten worden onderzocht alvorens te duiden welke soort ernstige schade hiermee kan worden onderbouwd. Het Hof heeft ook aangegeven dat er geen rangorde bestaat tussen de verschillende soorten schade en dat er gelijktijdig vrees kan bestaan voor meerdere soorten schade en dat elementen gelijktijdig meerdere soorten schade kunnen onderbouwen.
9. Het Hof heeft in punt 46 overwogen dat de beoordeling van de feiten en omstandigheden die aan een verzoek om internationale bescherming ten grondslag liggen, in twee onderscheiden fasen verloopt en dat in de eerste fase de feitelijke omstandigheden worden vastgesteld die bewijzen tot staving van het verzoek kunnen vormen, terwijl in de tweede fase die bewijzen juridisch worden beoordeeld en er wordt beslist of in het licht van de feiten die een zaak kenmerken, is voldaan aan de materiële voorwaarden van artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn voor de toekenning van internationale bescherming. De rechtbank zal allereerst beoordelen of uit de feiten blijkt of thans in Libië het geweldsniveau dermate hoog is, dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat indien eisers terugkeren naar Libië, zij alleen al door hun aanwezigheid in Libië een reëel risico lopen op een ernstige en individuele bedreiging van het leven of hun persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Indien door deze beperkte beoordeling van de vraag of aan de materiële voorwaarden van artikel 15 Kri is voldaan al blijkt dat sprake is van een dergelijke situatie, komen eisers immers reeds voor subsidiaire bescherming in aanmerking, ongeacht of hun individuele relaas geloofwaardig moet worden geacht en ongeacht of er elementen zijn die de toepassing van de glijdende schaal vergen en moeten worden betrokken bij de vraag of eisers een reëel risico lopen op ernstige schade zoals geduid in artikel 15c Kri. De rechtbank heeft dit ter zitting met partijen besproken en dit een “kale 15c-situatie” genoemd. Partijen zijn het erover eens dat er thans in Libië geen sprake is van een “kale 15c-situatie”. Ook de rechtbank komt tot die conclusie. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3278) waarin een uitgebreide beoordeling is verricht van de algemene veiligheidssituatie in Libië. De rechtbank heeft deze door de Afdeling verrichte beoordeling ter zitting besproken en ook aangegeven dat de Afdeling in latere jurisprudentie heeft verwezen naar deze beoordeling en dit oordeel heeft bevestigd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4386, ten tijde van de voortgezette behandeling nog niet gepubliceerd en de uitspraak van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4001). De rechtbank beschikt niet over recente informatie die niet betrokken is door de Afdeling bij de beoordeling van de algehele veiligheidssituatie of die tot een andere beoordeling leidt. De rechtbank heeft eisers ter zitting voorgehouden dat dr. I. Chertisch in zijn verklaring van 19 november 2023 het standpunt inneemt dat sprake is van een burgeroorlog in Libië. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat de bronnen die in de 104 voetnoten worden genoemd, geen informatie bevatten die recenter is dan de informatie die ten grondslag ligt aan de door de Afdeling verrichte beoordeling en overigens de door dr. I. Chertisch gehanteerde term “burgeroorlog” niet gelijkluidend is aan de in artikel 15c omschrijving van een reëel en voorzienbaar risico op ernstige schade en deze verklaring dus niet tot de conclusie leidt dat sprake is van een zogenoemde “kale 15c-situatie”. Eisers hebben ter zitting aangegeven dit ook niet (langer) te betogen.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
10. De rechtbank zal voorts beoordelen of eisers reeds op grond van de feitelijke omstandigheden en hun individuele relaas in aanmerking moeten komen voor subsidiaire bescherming. Indien door deze beperkte beoordeling van de vraag of aan de materiële voorwaarden van artikel 15 Kri is voldaan al blijkt dat sprake is van een dergelijke situatie, komen eisers immers reeds voor subsidiaire bescherming in aanmerking, ongeacht of sprake is van een “kale 15c-situatie” en ongeacht of er elementen zijn die de toepassing van de glijdende schaal vergen en moeten worden betrokken bij de vraag of eisers een reëel risico lopen op ernstige schade zoals geduid in artikel 15c Kri. Dit betekent dat de rechtbank de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling zal toetsen aan de hand van de beroepsgronden.
11. De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar punten 39 en 73 van het arrest X, Y waarin het Hof heeft uitgelegd dat de algemene veiligheidssituatie weliswaar relevant is omdat dan nauwkeuriger kan worden beoordeeld of eisers daadwerkelijk risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15a Kri en 15b Kri, maar dat vereisten die aan die vrees worden gesteld niet lager zijn doordat sprake is van willekeurig geweld. De rechtbank heeft gelet op de specifieke situatie in de onderhavige procedure het Hof gevraagd uit te leggen of er een glijdende schaal moet worden toegepast bij 15b. Het hof heeft uitgelegd dat dit niet zo is. Het relaas van de vreemdeling moet weliswaar worden beoordeeld met inachtneming van zijn referentiekader en moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de algemene feiten en omstandigheden in het land van herkomst waaronder het niveau van algemeen geweld, maar dit betekent niet dat er andere of lagere eisen worden gesteld aan het aannemelijk maken van het reële risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15a Kri en/of 15b Kri. Eisers zullen dus aannemelijk moeten maken dat zij een reëel risico lopen om specifiek en individueel aan ernstige schade te worden blootgesteld indien zij terugkeren naar Libië.
12. De rechtbank overweegt dat eisers hierin niet zijn geslaagd en dat verweerder niet aannemelijk heeft hoeven achten dat eisers indien zij terugkeren naar Libië, een reëel risico lopen op foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel.
13. Eiseres heeft niet gesteld dat zij persoonlijk een dergelijke vrees heeft en uit haar verklaringen blijken ook geen elementen die een dergelijke vrees zouden kunnen onderbouwen. Evenmin is gesteld dat de zes minderjarige kinderen individuele argumenten hebben waaruit een dergelijk vrees voor een risico bij terugkeer blijkt. Verweerder heeft in het kader van zijn samenwerkingsplicht kunnen volstaan met het beoordelen van de aangedragen feiten en omstandigheden tegen de achtergrond van het geweldsniveau en met inachtneming van het referentiekader van eiseres.
14. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit het relaas van eiser deels geloofwaardig heeft geacht. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser als persoonsbeveiliger voor hooggeplaatste personen heeft gewerkt. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat er buiten werktijd bewust en gericht op eiser is geschoten, onder meer omdat eiser dit incident niet in de tijd heeft kunnen plaatsen, niet heeft kunnen waarnemen en niet weet wie op hem geschoten heeft. Eiser heeft slechts aangenomen dat hij een beoogd slachtoffer was. Verweerder heeft de telefonische bedreigingen die eiser stelt ontvangen te hebben, evenmin geloofwaardig geacht. Verweerder heeft dit gemotiveerd door aan te geven dat eiser deze gestelde telefonische bedreigingen in verband brengt met de reeds ongeloofwaardig geachte gerichte beschieting, dat het tijdsverloop tussen de gestelde beschieting en de gestelde twee telefonische bedreigingen en tussen de bedreigingen zelf aanzienlijk is en dat eisers na de laatste gestelde bedreigingen nog anderhalf jaar in Libië zijn gebleven zonder problemen te hebben ondervonden. Op grond van met name deze omstandigheden acht verweerder het gestelde relaas nagenoeg geheel ongeloofwaardig en de gestelde vrees onvoldoende onderbouwd.
15. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet in staat is (geweest) om adequaat te verklaren en dat daarom de tegenwerpingen van verweerder geen stand kunnen houden. De rechtbank overweegt dat eiser op 20 september 2019 en op 30 januari 2020 is gehoord over zijn asielmotieven en dat de verpleegkundige en de arts van het FMMU in hun advies van 27 mei 2019 hebben aangegeven dat er geen klachten zijn en hebben geconstateerd en dat er geen sprake is van beperkingen ten aanzien van het horen en beslissen.
16. Eisers hebben aanvankelijk naar aanleiding van medische gegevens om aanhouding van de behandeling van het beroep verzocht omdat zij het iMMO wilden verzoeken onderzoek te verrichten naar de vraag of psychische problematiek heeft geïnterfereerd met het vermogen van eiser om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren. Eisers hebben tijdens de behandeling ter zitting op 10 februari 2022 op vragen van de rechtbank aangegeven het verzoek om aanhouding in te trekken omdat het iMMO had aangegeven in de gehoren van eiser onvoldoende aanleiding te zien voor dergelijk onderzoek.
17. Eiser heeft voorts gewezen op de klachten die kunnen ontstaan door jarenlange beoefening van de kickbokssport op hoog niveau, heeft medische gegevens overgelegd en heeft verklaard last van geheugenproblemen te hebben. De rechtbank stelt evenwel vast dat het FMMU geen beperkingen ten aanzien van het horen en beslissen heeft vastgesteld en dat eiser geen bericht van een deskundige heeft overgelegd waaruit volgt dat eiser niet in staat mocht worden geacht om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren. Dit betekent niet dat aan de verklaringen die eiser zelf aflegt over zijn vermogen om te kunnen verklaren geen betekenis toekomt, maar betekent wel dat de verklaringen van eiser over zijn vermogen om niet adequaat te kunnen verklaren niet worden ondersteund. Bij gebrek aan verdere aanwijzingen is eisers eigen verklaring onvoldoende om afbreuk te doen aan het advies van het FMMU. De rechtbank stelt verder vast dat de voornaamste tegenwerpingen van verweerder in de geloofwaardigheidsbeoordeling geen verband houden met het vaag of summier verklaren. Verweerder heeft zijn geloofwaardigheidsbeoordeling met name gebaseerd op de omstandigheid dat eiser eenvoudigweg niet weet wie hem heeft beschoten en daarom aan dat incident geen vrees hoeft te ontlenen. De rechtbank stelt vast dat deze tegenwerping geen verband houdt met het al dan niet adequaat kunnen verklaren en ook niet met het hebben van geheugenproblemen. Eiser heeft immers verklaard in eerste instantie niet te hebben gedacht dat er gericht op hem was geschoten, maar hier pas over is gaan nadenken toen hij tweemaal telefonisch is bedreigd. Dat eiser niet weet wie hem heeft beschoten, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen verband met geheugenproblemen of het niet goed kunnen verklaren, maar met het ontbreken van kennis waarover eiser nooit heeft beschikt.
18. Eiser heeft medische informatie overgelegd. In een schrijven van 19 januari 2021 van de afdeling mondziekten, kaak- en aangezichtchirurgie van de Noordwest Ziekenhuisgroep is vermeld dat een, naar de rechtbank aanneemt op een röntgenfoto, metaalhoudend fragment zichtbaar is met deels afgerond aspect, dat een mogelijk restant van een kogel of deel van een granaat is.
Eiseres heeft verklaard dat eiser op een dag na het hardlopen thuis is gekomen met een bebloed gezicht en dat eiser haar naderhand heeft verteld te zijn beschoten door onbekenden. De rechtbank overweegt dat deze verklaring de verklaring van eiser dat hij gewond is geraakt tijdens het hardlopen bevestigt. De rechtbank overweegt verder dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat eiser op een andere manier dan te zijn beschoten een restant van een kogel of deel van een granaat in zijn linkerwang heeft gekregen.
19. Eiser heeft zich evenwel niet op het standpunt gesteld dat verweerder gehouden was om forensisch medisch onderzoek te doen. Verweerder is op grond van artikel 18 van de Procedurerichtlijn gehouden een forensisch medisch onderzoek te starten als hij dat relevant acht. In het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C1/4.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, is opgenomen wanneer verweerder dat aan de orde vindt. Eisers hebben niet gesteld dat dit beleid onverenigbaar is met de nationale regelgeving of het Unierecht en hebben ook niet onderbouwd dat verweerder zijn beleid niet juist heeft toegepast of in redelijkheid zijn beleid niet onverkort had kunnen toepassen maar in afwijking hiervan zelf forensisch medisch onderzoek moeten laten verrichten. Eiser heeft verklaard wat de kern van zijn asielrelaas is, namelijk de beschieting en de bedreigingen. Eiser heeft de beschieting en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden reeds aannemelijk gemaakt zodat medisch steunbewijs niet meer nodig is om deze verklaringen te onderbouwen. Eiser weet niet wie hem heeft beschoten. De rechtbank overweegt dat nader medisch onderzoek om een causaal verband vast te kunnen stellen tussen de verklaring dat hij niet weet wie hem heeft beschoten en de reeds geloofwaardig geachte beschieting, niet tot steunbewijs zal leiden. Eiser heeft niet verklaard dat hij gevolgen van de gestelde bedreigingen heeft ondervonden die in het kader van forensisch medisch onderzoek kunnen worden onderzocht, zodat voor dit deel van het asielrelaas ook medisch onderzoek niet is geïndiceerd. In de onderhavige procedure heeft verweerder daarom naar het oordeel van de rechtbank in het kader van zijn samenwerkingsplicht niet nader te hoeven onderzoeken of uit medisch onderzoek steunbewijs voor het relaas van eiser kan worden gevonden.
De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft weten te maken dat er gericht op hem is geschoten en dat dit slechts een vermoeden van eiser is. Verweerder heeft ook voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser met enkel zijn verklaringen niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij tweemaal telefonisch is bedreigd en niet aannemelijk heeft hoeven achten dat, zoals in de correcties en aanvullingen is weergegeven, dat beide bedreigingen door dezelfde persoon zijn geuit omdat eiser de stem herkende. Verweerder heeft bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling het tijdsverloop mogen betrekken tussen de beschieting en de gestelde bedreigingen en tussen de bedreigingen zelf. Dat dr. I Chertisch in zijn verklaring aangeeft dat dit tijdsverloop vaker voorkomt hoeft verweerder niet alsnog tot een ander standpunt te brengen. Verweerder heeft bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling ook mogen betrekken dat eisers na de laatste gestelde bedreiging niet zijn vertrokken uit Libië en ook geen problemen hebben ondervonden.
20. De rechtbank overweegt dat het algemene geweldsniveau ten tijde van de gestelde bedreigingen hoog was en dat vele strijdende partijen zich schuldig maakten aan geweld en. Het relaas van eiser dat hij is beschoten en is bedreigd past weliswaar in dit algehele beeld en past ook bij de stelling dat er veel strijdende milities in Libië en ook in Tripoli actief waren in de tijd dat eiser werkzaam is geweest als persoonsbeveiliger van hooggeplaatste politici, maar dit algemene geweld betekent niet, zoals het Hof heeft uitgelegd, dat er lagere eisen gesteld dienen te worden aan het aannemelijk maken van een individuele vrees. Het algemene geweld dat door milities is uitgeoefend ondersteunt de vermoedens van eiser dat hij slachtoffer is geworden van gericht geweld dus onvoldoende. De rechtbank acht deze bewijsdrempel niet te hoog. Weliswaar zullen diegenen die geweld plegen doorgaans weinig moeite doen om zich kenbaar te maken aan hun slachtoffers en is in die zin de bewijslast voor eiser groot. Om te kunnen beoordelen of eiser dient te vrezen bij terugkeer, dient eiser echter wel aannemelijk te maken dat hij gericht beschoten is en voor wie hij vreest. De stelling dat hij vreest voor “de milities” omdat hij beschoten is door “de milities” is in de onderhavige procedure onvoldoende. Uit de door beide partijen overgelegde algemene landeninformatie blijkt nu juist dat er vele strijdende partijen in Libië waren en zijn. Eiser kan geen enkele concretisering geven van zijn stelling dat hij gericht is beschoten. Dat hij incidenteel met collega’s heeft gesproken over Khadaffi en positieve aspecten van zijn handelen heeft weten te benoemen, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij daarom gericht is beschoten. Eiser heeft verklaard dat hij pas door de telefonische bedreigingen is gaan vermoeden dat de beschieting wel eens bewust op hem gericht kon zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser dit incident ook zelf in wezen niet in verband brengt met de enkele gesprekken die hij over Khadaffi heeft gevoerd. De rechtbank overweegt in dit kader tot slot dat de verklaring van dr. I. Chertisch door verweerder niet tot het alsnog geloofwaardig achten van het relaas heeft hoeven leiden. Dr. I. Chertisch heeft in antwoord op vragen van gemachtigde van eisers of het wel eens voorkomt dat er sprake is van tijdsverloop tussen incidenten en of het uitzonderlijk is dat iemand driemaal in een tijdsbestek van vier jaar wordt beschoten/bedreigd, aangegeven dat hij denkt dat dit niet uitzonderlijk is. Dr. I. Chertisch heeft vermeld dat hij meer dan 50 rapporten heeft geschreven voor Libische asielzoekers en zowel zaken heeft gezien met een groter als met een geringer tijdsverloop tussen incidenten. Dr. I Chertisch heeft zijn verklaring van 26 pagina’s afgesloten met de volgende passage afgesloten:
(…)
In other words, while attacks can and do occur everywhere, they can and do occur more frequently in some areas and with some people. This is shown by a variety of sources.
As a concluding remark, I wish to state that, due to his personal circumstances, the asylum seeker is one of such people. He is especially at risk of being illtreated and killed by militiamen.
(…)
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat gemachtigde van eisers enkele vragen aan dr. I. Chertisch heeft gesteld. Niet is gebleken dat het gehele zaakdossier is vertaald en overgelegd. Deze passage roept dan ook vragen op omdat onduidelijk is op welke persoonlijke omstandigheden van eiser wordt gedoeld en vooral op welke informatie dit is gebaseerd. Aan deze passage komt, nu dit niet is toegelicht, geen bewijswaarde toe.
21. De rechtbank overweegt dat de verklaring van dr. I. Chertisch het relaas van eiser onvoldoende ondersteunt om zijn relaas en de individuele vrees die eiser hieraan ontleent integraal geloofwaardig te achten.
22. Voor zover verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat verweerder nooit geloofwaardig heeft geacht dat eiser is beschoten tijdens het buiten werktijd hardlopen, acht de rechtbank dit onjuist en stelt de rechtbank vast dat verweerder na het arrest van het Hof een ander standpunt inneemt. Gedurende en na de procedure bij het Hof zijn geen andere feiten of omstandigheden naar voren gekomen. Het staat verweerder niet vrij om, wellicht vanwege het arrest, zonder gewijzigde of nieuw gebleken feiten en omstandigheden en zonder enige toelichting zijn eerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling te wijzigen. De discussie tussen partijen tot het moment waarop het Hof uitspraak heeft gedaan, heeft zich toegespitst op de vraag of de beschieting van eiser tijdens het hardlopen een uiting van gericht geweld of willekeurig geweld is geweest.
In de besluitvorming is weliswaar geopperd dat een persoonsbeveiliger ook in “the line of duty” zou kunnen worden beschoten, maar eiser heeft uitdrukkelijk verklaard dat dit nimmer is gebeurd. Verweerder heeft niet betwist dat eiser een fragment van een kogel of granaat in zijn linkerwang heeft en het is moeilijk voorstelbaar dat dit anders dan door een beschieting kan zijn gebeurd. Verweerder kan zonder nadere toelichting de verklaring van eiseres niet terzijde leggen voor zover zij heeft verklaard dat eiser na het hardlopen met een bebloed gezicht is thuisgekomen en dit betrekking heeft op de door eiser gestelde beschieting. Verweerder dient de verklaringen van eiser, ook voor zover deze betrekking hebben op de beschieting, te plaatsen in de openbaar toegankelijke informatie over het land en gebied van herkomst. Verweerder is blijkens zijn ambtsbericht en andere landeninformatie waar beide partijen naar hebben verwezen op de hoogte van het geweldsniveau in Libië en meer in het bijzonder in Tripoli ten tijde van de gestelde beschieting. Ook deze informatie dient verweerder te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen die eiser heeft afgelegd over de beschietingen. Dat thans ter zitting wordt betoogd dat nimmer geloofwaardig is bevonden dat de beschieting een uiting van willekeurig uitgeoefend geweld is geweest, acht de rechtbank bovendien onverenigbaar met het standpunt zoals verweerder dat tijdens de behandeling ter zitting op 10 februari 2022 en dus vóór het arrest van het Hof heeft ingenomen.
De rechtbank merkt hierbij op dat, zoals door gemachtigde van eisers ter zitting terecht naar voren is gebracht, verweerder ten tijde van de behandeling ter zitting op 10 februari 2022 blijkens het proces-verbaal van deze zitting het navolgende heeft opgemerkt over het relaas van eiser voor zover hij stelt te zijn beschoten tijdens het hardlopen:
(…)
“Eiser is niet singled out geweest. Het is angst zaaien door milities.”
(…)
De rechtbank overweegt dat verweerder ongeloofwaardig heeft mogen achten dat eiser gericht beschoten is maar dat verweerder niet in deze fase van de procedure ongeloofwaardig kan achten dat eiser slachtoffer is geworden van willekeurig geweld.
23. De rechtbank overweegt dat eisers in beroep kort voor de behandeling ter zitting op 10 februari 2022 stukken hebben overgelegd waaruit zou volgen dat zij vrezen bij terugkeer in verband met de eigendom van grond. De rechtbank overweegt dat verweerder eisers hierover niet heeft gehoord en dat de stellingen van eisers dermate vaag zijn dat niet duidelijk is geworden dat sprake is van asielmotieven waarover verweerder eisers in deze fase van de onderhavige procedure nog moet horen. De rechtbank laat deze stukken dan ook buiten beschouwing. Het staat eisers vrij om, indien sprake is van nieuwe asielmotieven, deze motieven aan te dragen bij een opvolgende asielaanvraag.
24. De rechtbank concludeert samenvattend dat verweerder de werkzaamheden van eiser geloofwaardig heeft geacht en dat verweerder zich thans niet op het standpunt kan stellen dat eiser niet is beschoten terwijl hij buiten diensturen aan het hardlopen was. De rechtbank overweegt dat verweerder het relaas van eisers overigens ongeloofwaardig heeft mogen achten. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat hij last heeft van geheugenproblemen en dat jarenlang op hoog niveau heeft gekickbokst en dat het beoefenen van deze sport geheugenproblemen veroorzaakt, maar de rechtbank heeft evenwel vastgesteld dat het FMMU geen beperkingen heeft geconstateerd en eiser geen medische stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat een deskundige beperkingen ten aanzien van het adequaat kunnen verklaren heeft vastgesteld. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de tegenwerpingen van verweerder betrekking hebben op de hoofdlijnen van het relaas van eiser en de vraag of hij aannemelijk heeft weten te maken dat hij slachtoffer is geweest van gericht geweld. Eiser kan zijn verklaringen dat sprake is geweest van gericht geweld niet staven met de verklaring van dr. I. Chertisch en eiser heeft evenmin medisch steunbewijs overgelegd. Omdat eiser enkel zijn werkzaamheden en het beschoten worden aannemelijk heeft weten te maken, terwijl hij niet weet door wie of welke militie dit zou zijn gedaan, hoeft verweerder aan eiser ook niet het voordeel van de twijfel te geven en hoeft verweerder dit ook niet nader te motiveren. De rechtbank overweegt hierbij dat de stelling van eiser dat hij zeker weet dat hij door “een militie” is beschoten, onvoldoende concreet is om te onderbouwen dat dit geweld ook tegen hem persoonlijk gericht is geweest. Het geweld in Libië vindt namelijk plaats door vele milities die blijkens openbare informatie ook geregeld wisselen van samenstelling. Eiser kan mede daardoor ook niet concretiseren voor welke militie of milities hij vreest als hij zou moeten terugkeren. De enkele verklaring van eiser dat hij met zijn collega’s wel eens heeft gesproken over Khadaffi, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Eiser heeft niet verklaard met welke frequentie en intensiteit hij tijdens zijn werk heeft gesproken over politiek en/of dat derden aanstoot hebben genomen aan zijn opvattingen. Eiser heeft nu juist aangegeven na de beschieting niet te hebben gedacht dat er gericht op hem was geschoten, maar dat hij dit pas na de gestelde eerste telefonische bedreiging vermoedde. De rechtbank overweegt dat dit afdoet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaring dat de beschieting te maken heeft met zijn werkzaamheden of zijn incidentele gesprekken met collega’s omdat eiser dat verband dan eerder zou hebben gelegd.
25. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht, met dien verstande dat verweerder niet na het arrest bepaalde aspecten van het asielrelaas alsnog ongeloofwaardig kan achten als er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken. Eisers hebben voldaan aan hun inspanningsplicht. Zij hebben immers in meerdere gehoren verklaringen afgelegd en hebben inspanningen geleverd om hun verklaringen te staven met onder meer medische informatie, landeninformatie en verklaringen van dr. I. Chertisch, die eisers als deskundige aanmerken. De rechtbank overweegt tevens dat verweerder bij het verrichten van de geloofwaardigheidsbeoordeling voldoende invulling heeft gegeven aan zijn samenwerkingsverplichting. Verweerder heeft eisers door het horen op hun asielmotieven in de gelegenheid gesteld verklaringen af te leggen en verweerder heeft de verklaringen beoordeeld tegen de achtergrond van de landeninformatie. Er zijn geen beperkingen ten aanzien van het horen en beslissen vastgesteld door een deskundige en verweerder was niet gehouden om forensisch medisch onderzoek te laten verrichten om na te gaan of er medisch steunbewijs is voor de kern van het asielrelaas. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een te hoge bewijsdrempel voor eisers. Van eisers mag worden verwacht dat zij concrete feiten en omstandigheden aandragen om aannemelijk te maken dat eiser slachtoffer is geweest van gericht geweld. Eisers zijn hierin niet geslaagd omdat zij enkel aannemelijk hebben weten te maken dat eiser éénmaal is beschoten en daarbij in zijn gezicht is geraakt en deze beschieting niet tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft plaatsgevonden. Eisers hebben hun stellingen dat eiser twee keer telefonisch is bedreigd niet nader kunnen onderbouwen en de rechtbank heeft de in een laat stadium overgelegde stukken die verband houden met de eigendom van grond buiten beschouwing gelaten.
Er bestaan dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eisers, indien zij worden teruggestuurd naar Libië, specifiek en individueel worden blootgesteld aan een reëel risico op het ondergaan van de doodstraf, executie, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Dit betekent dat eisers op grond van hun individuele asielrelaas bij terugkeer niet hoeven te vrezen voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15b Tri.
Risicogroep
26. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij als persoonsbeveiliger van hooggeplaatste politici moet worden beschouwd als deel uitmakend van een risicogroep. Deze beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf C2/3.2 is bepaald dat “De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een bevolkingsgroep als risicogroep kan aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de staatssecretaris een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep. Als de staatssecretaris heeft geoordeeld dat er sprake is van een risicogroep, dan wordt dat in beginsel opgenomen in het landgebonden beleid.”.
Persoonsbeveiligers van hooggeplaatste politici in Libië zijn niet aangemerkt als risicogroep en eiser heeft niet onderbouwd waarom dat ten onrechte is. De stelling dat hij vanwege zijn werkzaamheden risico heeft gelopen om aan geweldsuitoefeningen te worden onderworpen komt immers deels voort uit juist deze werkzaamheden. Het risico om aan geweld te worden onderworpen vanwege de aard van de werkzaamheden dient evenwel te worden onderscheiden van het risico op vervolging en het dient ten gevolge te worden onderworpen aan geweld.
Voor zover dr. I. Chertisch in de verklaring van 29 november 2023 heeft vermeld dat hij zich, onder verwijzing naar bronnen, op het standpunt stelt dat “any individual who has worked (or works) as a personal guard to a politician that is disliked by the militias is at more risk of being harmed than other categories of people.”, overweegt de rechtbank dat verweerder op grond hiervan niet hoeft over te gaan tot het in het landenbeleid benoemen van persoonsbeveiligers in Libië tot risicogroep. Een groter risico lopen om slachtoffer te worden van geweldshandelingen dan anderen is niet gelijk te stellen met vervolging, daargelaten dat eisers geen enkel verband met een vervolgingsgrond zoals genoemd in artikel 1A Vluchtelingenverdrag hebben onderbouwd. De stelling dat eiser politici heeft beveiligd en persoonsbeveiligers een risico lopen omdat de politieke overtuiging van de betreffende politicus dan ook aan hen wordt toegedicht, passeert de rechtbank omdat deze stelling onvoldoende is toegelicht. Eiser heeft verklaard dat tijdens zijn werk nimmer incidenten zijn geweest met betrekking tot degene die hij moest beveiligen. Dat eiser als persoonsbeveiliger dan toch moet worden aangemerkt als behorende tot een risicogroep in verband met een toegedichte politieke overtuiging volgt de rechtbank dan ook niet.
Glijdende schaal
27. Het Hof heeft in het arrest X, Y van 9 november 2023 haar bestendige jurisprudentie die is gestart in 2009 in het arrest Elgafaji, voor het zover het de toepassing van een zogenoemde glijdende schaal betreft, herhaald en bevestigd.
Zoals hiervoor weergegeven heeft het Hof in punten 40-42 namelijk overwogen dat om vast te stellen dat er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van artikel 15c Kri, niet de voorwaarde geldt dat de verzoeker aantoont dat hij specifiek wordt getroffen wegens elementen die eigen zijn aan zijn persoonlijke omstandigheden, maar dat in andere, minder uitzonderlijke situaties elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker echter wel relevant blijken en hoe meer de verzoeker het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld zal zijn vereist opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming krachtens artikel 15c Kri. Het Hof heeft de tweede prejudiciële vraag van de rechtbank aldus beantwoord dat rekening moet kunnen worden gehouden met andere elementen betreffende de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker dan de enkele omstandigheid dat hij afkomstig is uit een gebied van een bepaald land waar zich „the most extreme cases of general violence” voordoen. Deze beoordeling is dus meeromvattend dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste zoals bedoeld in het arrest van het 17 juli 2008 in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0717JUD002590407).
28. Het Hof heeft tevens uitgelegd dat om te bepalen of een persoon die om internationale bescherming verzoekt in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, alle relevante elementen die betrekking hebben op zowel de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, als de algemene situatie in het land van herkomst moet worden onderzocht, alvorens vast te stellen welk soort ernstige schade deze elementen eventueel kunnen staven en het onderzoek naar de beschermingsbehoefte dus twee fases kent. Het Hof heeft ook aangegeven dat artikel 15 Kri geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen de verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade.
29. De rechtbank heeft op grond van de feiten en omstandigheden, eerst beoordeeld of eisers reeds vanwege een geloofwaardig bevonden en zwaarwegend geacht individueel asielrelaas of reeds vanwege het algemene geweldsniveau in aanmerking komen voor bescherming. Statusverlening moet immers reeds geschieden als uit een geloofwaardig geacht individueel relaas een reëel risico voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op het ondergaan van de doodstraf, executie, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing volgt. Indien dit niet het geval is maar eisers reeds vanwege “een kale 15c-situatie” bescherming behoeven, zal ook aanstonds moeten worden overgegaan tot het verlenen van een subsidiaire beschermingsstatus.
Doorgaans zal eerst een geloofwaardigheids- en een zwaarwegendheidsbeoordeling plaatsvinden om te bezien of de vreemdeling een vluchteling is en deze hoedanigheid moet worden bevestigd door statusverlening. Gelet echter op het debat tussen partijen is duidelijk dat de onderhavige procedure enkel betrekking heeft op de subsidiaire beschermingsregeling en niet op het vluchtelingschap, behoudens de niet onderbouwde stelling dat persoonsbeveiligers in Libië als risicogroep zouden moeten worden aangemerkt.
30. De rechtbank heeft eerst deze deelbeoordelingen verricht omdat deze in omvang beperkte toetsing reeds kan leiden tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
De rechtbank heeft in de onderhavige procedure eerst bezien of sprake is van een “kale 15csituatie”, omdat die beoordeling in omvang het minst omvattend is, mede doordat dit tussen partijen niet in geschil is.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eisers geen aanspraak maken op bescherming enkel vanwege het algemene geweldsniveau en ook geen aanspraak maken op bescherming vanwege een individuele vrees. Om vervolgens deugdelijk toepassing te kunnen geven aan de zogenoemde glijdende schaal dient nagegaan te worden welke elementen uit het relaas van eisers hierbij betrokken te worden. In dit kader is het relevant om na te gaan welke verklaringen geloofwaardig zijn bevonden of hadden moeten worden bevonden. Tevens is van belang om na te gaan in hoeverre de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling stand kan houden. Een geloofwaardig geacht asielrelaas kan immers relevante elementen die betrekking hebben op zowel de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker bevatten.
De beoordeling of dergelijke elementen blijken uit de verklaringen van eisers, beperkt zich echter niet tot feiten en omstandigheden die specifiek ten grondslag worden gelegd aan het onderbouwen van de vrees bij terugkeer.
31. Het Hof heeft in punten 67 en 68 opgemerkt dat de in artikel 4, lid 3, onder c, Kri opgenomen lijst van relevante elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker niet uitputtend is, zodat de nationale autoriteit die bevoegd is voor de toekenning van de subsidiaire bescherming elk geval afzonderlijk moet beoordelen en daarbij zo nodig rekening moet houden met ieder ander element dat verband houdt met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker en dat eraan kan bijdragen dat het reële risico op ernstige schade als omschreven in artikel 15c Kri een concrete vorm aanneemt, gezien de mate van willekeurig geweld in het betrokken land of de betrokken regio. Het Hof heeft in dit verband benoemd dat met name elementen die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de verzoeker en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant worden beschouwd. Het Hof heeft ook gewezen op artikel 4, lid 4, Kri, waarin de verplichting is neergelegd om rekening te houden met de omstandigheid dat de verzoeker reeds ernstige schade heeft geleden of in die zin reeds rechtstreeks is bedreigd, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
32. De rechtbank zal toetsen of verweerder deugdelijk heeft beoordeeld en gemotiveerd waarom het toepassen van deze zogenoemde glijdende schaal volgens verweerder niet tot de conclusie leidt dat eisers toch bescherming behoeven en dat aan hen subsidiaire bescherming moet worden verleend in verband met een reëel risico als bedoeld in artikel 15c Kri.
33. De rechtbank overweegt dat indien er in het land of gebied van herkomst van de vreemdeling een aanzienlijk niveau van algemeen geweld maar geen “kale 15c-situatie” is, verweerder dient te beoordelen of sprake is van “een minder uitzonderlijke situatie”, waarin elementen die verband houden met de individuele situatie en omstandigheden wel relevant zijn en dan dus toepassing moet worden gegeven aan de glijdende schaal om te onderzoeken en beoordelen of eisers behoefte hebben aan (subsidiaire) bescherming.
34. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat thans het geweldsniveau in Libië en Tripoli dermate laag is, dat toepassing van een glijdende schaal nimmer tot inwilliging van de asielaanvragen kan leiden. De rechtbank volgt dit niet. Weliswaar veronderstelt de door het Hof gehanteerde terminologie “een minder uitzonderlijke situatie” dat er een zeker geweldsniveau moet zijn om een zekere uitzonderlijke situatie aan te nemen en dat het Hof heeft bedoeld dat indien deze drempel niet wordt behaald de subsidiaire beschermingsregeling niet tot bescherming verplicht, maar verweerder heeft zijn standpunt niet genoegzaam gemotiveerd. In het kader van de inspanningsplicht is het aan eisers om hun vrees en hun beschermingsbehoefte te onderbouwen. Gelet echter op de omstandigheid dat zowel op in september 2021 als in februari 2023 algemene ambtsberichten zijn uitgebracht, verweerder besluit- en vertrekmoratoria heeft moeten instellen en uit actuele door eisers overgelegde algemene informatie blijkt dat sprake is van een hoog geweldsniveau en de algehele veiligheidssituatie niet stabiel is, had verweerder nader dienen te onderbouwen dat de drempel om een glijdende schaal toe te moeten passen niet is gehaald. De rechtbank verwijst in dit verband naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3278) waarin een uitgebreide beoordeling is verricht van de algemene veiligheidssituatie in Libië. Doordat de Afdeling dit oordeel in latere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2023:4386 en ECLI:NL:RVS:2023:4001) heeft bevestigd, is dit oordeel van de Afdeling over de algemene veiligheidssituatie in Libië ten tijde van de uitspraak van de rechtbank in de onderhavige procedure actueel.
35. De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 augustus 2023 ten aanzien van het algemene geweldsniveau onder meer het navolgende overwogen:
(…)
Het oordeel van de Afdeling over de algemene veiligheidssituatie in Libië
(…)
6. Uit het AA 2021, de brief van VWN en het AA 2023 komt het beeld naar voren dat de situatie in Libië nog altijd instabiel is en dat er regelmatig gewapende conflicten tussen verschillende facties en milities voorkomen, waarbij ook burgerslachtoffers vallen. De staatssecretaris heeft zich echter in zijn reactie op de vragen van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat uit de ambtsberichten en de brief van VWN niet blijkt dat in Libië zo grootschalig, willekeurig en wijdverspreid geweld heerst dat de vreemdelingen alleen al om die reden daarnaar niet kunnen terugkeren. Hij heeft daarbij terecht betrokken dat uit het AA 2023, pagina 16, blijkt dat de onveilige situatie in Libië in de verslagperiode voortduurde, maar dat er niet gesproken kon worden van een grootschalig conflict. Er waren geen aanhoudende vuurgevechten, maar wel geweldsuitbarstingen. Het staakt-het-vuren, dat sinds oktober 2020 van kracht is, duurde voort (AA 2021, pagina 7). Met dat staakt-het-vuren kwam het offensief tegen de hoofdstad Tripoli ten einde. De staatssecretaris wijst er terecht op dat uit het AA 2023 geen stijging blijkt van het aantal burgerslachtoffers ten opzichte van de verslagperiode daarvoor. In het AA 2021, pagina 14, staat dat er in de verslagperiode 165 dodelijke slachtoffers zijn gevallen, inclusief migranten en strijders. Volgens het AA 2023, pagina 24, zijn er in de periode van oktober 2021 tot januari 2023 in totaal 189 slachtoffers geregistreerd. In verhouding tot het aantal inwoners van Libië van ongeveer 6,7 miljoen is dat aantal niet zo hoog dat zich daarom, naast andere factoren, de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet. Verder wijst de staatssecretaris er terecht op dat in het AA 2021, vanaf pagina 17, veel incidenten staan genoemd, maar dat daaruit niet blijkt dat structureel burgerslachtoffers vallen door willekeurig geweld tussen milities. Bovendien staat in het AA 2023 dat geweld tegen burgers op kleine schaal voorkwam. Ook het afgenomen aantal binnenlandse ontheemden, hoewel nog altijd hoog, acht de staatssecretaris terecht van belang. De brief van VWN geeft geen wezenlijk ander beeld dan uit het AA 2021 en AA 2023 naar voren komt. In die brief staat onder andere dat er 180 doden zijn gevallen in 2021 en dat het aantal binnenlandse ontheemden na het AA 2021 opnieuw is afgenomen. Hoewel het aantal slachtoffers en ontheemden nog altijd aanzienlijk is, is het aantal niet zo hoog dat het de conclusie rechtvaardigt dat zich in Libië de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet.
(…)
36. De Afdeling heeft de algemene veiligheidssituatie in Libië beoordeeld en geconcludeerd dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld niet blijkt dat zich in Libië een “kale 15c- situatie” voordoet. Gelet op de door de Afdeling betrokken informatie blijkt evenwel (nog steeds) van een aanzienlijk geweldsniveau. Verweerder is in zijn verweerschrift van 24 november 2023 uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op actuele informatie om te onderbouwen dat er geen sprake is van een “kale 15c-situatie”. Verweerder heeft echter om te onderbouwen dat dat geen toepassing hoeft te worden gegeven aan een glijdende schaal, op grond van diezelfde informatie gesteld dat het willekeurige geweld slechts incidenteel voor komt en beperkt is in intensiteit en hevigheid. Deze motivering volstaat niet, gelet op de openbare en actuele informatie waar de Afdeling haar oordeel op heeft gebaseerd en op de door eisers overgelegde informatie. Het is om de drempel te bereiken om een glijdende schaal toe te moeten passen, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om aan te geven dat er geen grootschalige gewapende conflicten en geen aanhoudende vuurgevechten plaatsvinden. Uit alle beschikbare informatie blijkt dat sprake is van meer dan incidenteel geweld en gelet op de aantallen dodelijke slachtoffers, gewonden en ontheemden kan niet worden beargumenteerd dat het willekeurig geweld beperkt is in intensiteit en hevigheid.
37. Dit betekent dat verweerder had moeten beoordelen of er elementen zijn die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eisers die zodanig relevant zijn dat het niveau van willekeurig geweld meebrengt dat subsidiaire bescherming vanwege ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri moet worden geboden.
38. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit onvoldoende heeft gedaan.
39. Eisers dienen om te voldoen aan hun inspanningsplicht elementen aan te dragen die verband houden met hun individuele situatie en persoonlijke omstandigheden die zodanig relevant zijn dat het niveau van willekeurig geweld meebrengt dat aan hen subsidiaire bescherming vanwege het reële risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri moet worden geboden.
Het Hof heeft in punt 50 overwogen dat zelfs wanneer in een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op grond van artikel 15c Kri, geen melding wordt gemaakt van elementen die eigen zijn aan de situatie van de verzoeker, uit artikel 4, lid 3, Kri voortvloeit dat een dergelijk verzoek individueel moet worden beoordeeld, waarbij, wanneer alle relevante omstandigheden van het geval globaal in aanmerking worden genomen, rekening moet worden gehouden met een reeks van elementen die in deze bepaling worden genoemd.
40. Verweerder zal om aan zijn samenwerkingsplicht te voldoen actief moeten nagaan of in de relazen en bewijsmiddelen van eisers blijkt van elementen die moeten worden betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal. Dit vergt van verweerder dat hij alert is op dergelijke omstandigheden die wellicht geen persoonlijke vrees kunnen onderbouwen en ook niet zien op de intensiteit van gewapende confrontaties, het organisatieniveau van betrokken strijdkrachten, de duur van een conflict en/of aantallen (dodelijke) slachtoffers en ontheemden, maar wel relevant kunnen zijn voor de onderbouwing van ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri indien toepassing moet worden gegeven aan de glijdende schaal. In voorkomende gevallen kan dit ook betekenen dat de hoormedewerker nadere vragen over de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden zal moeten stellen als niet aanstonds duidelijk is of sprake is een “kale 15c-situatie” of van een “minder uitzonderlijke situatie die tot toepassing van de glijdende schaal noopt” of van een lagere gradatie van willekeurig geweld.
41. Eisers hebben zich op het principiële standpunt gesteld dat verweerder hen opnieuw moet horen, omdat verweerder conform vaste Afdelingsjurisprudentie ten tijde van de bestreden besluiten geen glijdende schaal toepaste en daarom in de gehoren ook niet heeft gevraagd naar elementen die in dit kader relevant zijn. Eisers hebben daarbij aangegeven dat als verweerder in de gehoren niet vraagt naar dergelijke argumenten, hij niet op de hoogte kan zijn van dergelijke elementen en deze elementen dan ook niet kan betrekken bij de toepassing van de glijdende schaal.
42. De rechtbank volgt dit niet. Verweerder moet eisers in de gehoren in staat stellen om te verklaren waarom zij om bescherming verzoeken, verweerder dient door het stellen van nadere vragen eisers hierbij te ondersteunen, verweerder dient samen te werken om te bezien of er steun voor de verklaringen van eisers kan worden gevonden en verweerder dient vervolgens de asielaanvragen grondig te onderzoeken en de gestelde beschermingsbehoefte welwillend te onderzoeken.
De samenwerkingsplicht kan meebrengen dat verweerder moet dóórvragen naar elementen die eigen zijn aan de individuele situatie of persoonlijke omstandigheden als de vreemdeling stelt dat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging indien de vreemdeling dient terug te keren naar het land of gebied van herkomst en de vreemdeling verklaart over willekeurig geweld en/of de hoormedewerker weet heeft of moet hebben dat er sprake is van een aanzienlijke mate van geweld in die betreffende herkomstregio.
Dit alles ontslaat de vreemdeling echter niet van het leveren van inspanningen om al deze aspecten in zijn relaas zoveel mogelijk naar voren te brengen en zoveel mogelijk te staven. Verweerder is immers ook niet gehouden om in het kader van zijn samenwerkingsplicht zelf asielmotieven aan te dragen.
Verweerder zal wel alert moeten zijn of uit het vrije relaas en de antwoorden op de vragen van de hoormedewerker elementen naar voren komen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden en die mogelijk een beschermingsbehoefte onderbouwen.
Verweerder zal onder omstandigheden gehouden zijn nadere vragen te stellen om de beschermingsbehoefte grondig te onderzoeken. Omdat dit onderzoek betrekking heeft op individuele en persoonlijke omstandigheden en willekeurig geweld verschillende vormen kan aannemen en zal verschillen naar gelang onder meer het aantal strijdende partijen en de organisatie van deze partijen, kan van verweerder bezwaarlijk worden verwacht alle denkbare risico-verhogende elementen uit te vragen in een gehoor. Dit valt dan ook niet onder de samenwerkingsplicht. Eisers hebben terecht gewezen op Hofjurisprudentie waarin het belang van het horen in de bestuurlijke fase aan de orde is gekomen. Eisers hebben echter in de onderhavige procedure meerdere malen een persoonlijk onderhoud gehad, hebben hierbij en daarna de gelegenheid gehad om individuele omstandigheden aan te dragen die een verhoogd risico met zich brengen en hebben ook op meerdere momenten, ook na het arrest X, Y, schriftelijk en mondeling van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
43. In de onderhavige procedure zal de rechtbank verweerder niet opdragen om eisers aanvullend te horen om na te gaan of sprake is van elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden die mogelijk onderbouwen dat zij een verhoogd risico lopen om slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Eisers zijn meerdere malen gehoord en de rechtbank acht eisers, die rechtsbijstand hebben van (een) professioneel gemachtigde(n), in staat om zelf na te gaan of sprake is van elementen die meebrengen dat zij een groter risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eisers dienen inspanningen te verrichten om hun gestelde beschermingsbehoefte te onderbouwen en nu eisers zichzelf ook op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een “kale 15c-situatie”, mag ook worden verwacht dat zij begrijpen dat zij niet kunnen volstaan met het aandragen van algemene informatie over geweldsincidenten en slachtoffers. Eisers hebben zich niet op het standpunt gesteld dat zij hiervoor onvoldoende gelegenheid hebben gehad maar hebben in wezen uit principiële overwegingen gesteld, zoals ook aangegeven ter zitting, dat de verantwoordelijkheid voor het onderzoeken welke elementen moeten worden betrokken bij de glijdende schaal op verweerder rust en verweerder daarom eisers nogmaals moet horen. De rechtbank volgt dit niet. De stelling dat verweerder geen rekening kan houden met dergelijke elementen als hij eisers niet nogmaals hoort, volgt de rechtbank ook niet. Eisers kunnen deze elementen in de reeds door hen afgelegde verklaringen duiden of hadden nieuwe elementen kunnen aandragen. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat eisers, net als de rechtbank, ook voordat het Hof de vragen van de rechtbank had beantwoord, aannamen dat uit de jurisprudentie van het Hof volgde dat een glijdende schaal moet worden toegepast bij de beoordeling of er bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri dreigt. Eisers hebben ook, zowel in beroepsgronden vóór als na het arrest X, Y, elementen aangedragen waarvan zij stellen dat die in dit kader relevant zijn. Verweerder is hierbij ingegaan op de elementen die door eisers zijn aangedragen en door eisers zijn benoemd als relevant voor de toepassing van de glijdende schaal. De rechtbank heeft eisers ter zitting gevraagd of er nog meer concrete elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden zijn die verweerder alsnog moet betrekken bij de toepassing van de glijdende schaal. Eisers hebben daarop aangegeven zelf geen nadere elementen te kunnen duiden, maar dat verweerder desondanks is gehouden is om eisers te horen en na te vragen of er elementen zijn die moeten worden betrokken bij de glijdende schaal. Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank in deze procedure in dit kader door verweerder geen nader onderzoek geboden.
De rechtbank zal dus beoordelen of verweerder de glijdende schaal goed heeft toegepast en daarbij ook alle relevante elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden deugdelijk heeft betrokken om grondig te onderzoeken of er gelet op de actuele minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Libië en meer in het bijzonder in Tripoli, een noodzaak bestaat om aan eisers subsidiaire bescherming te bieden.
44. Verweerder heeft bij wijze van subsidiair standpunt aangegeven dat toepassing van de glijdende schaal niet tot inwilliging van de asielaanvragen leidt omdat er geen enkele grond is om aan te nemen dat eisers op grond van hun individuele omstandigheden een reëel risico lopen om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder acht dus geen enkele individuele of persoonlijke omstandigheid van eisers in dit verband relevant.
De rechtbank overweegt dat dit standpunt miskent dat het Hof in punt 51 heeft uitgelegd dat “krachtens artikel 4, lid 4, Kri het feit dat een verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, in beginsel een duidelijke aanwijzing vormt dat de verzoeker een reëel risico loopt om ernstige schade te lijden, zodat deze omstandigheid die verband houdt met de persoonlijke situatie van de verzoeker, hoe deze ook is, altijd (onderstreping en cursivering door de rechtbank) moeten worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico om een van de in artikel 15 van die richtlijn omschreven vormen van ernstige schade te lijden.” Het Hof heeft in punt 68 overwogen dat het bovendien aan de bevoegde nationale autoriteit is om rekening te houden met de omstandigheid dat de verzoeker reeds ernstige schade heeft geleden of in die zin reeds rechtstreeks is bedreigd, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Verweerder heeft niet onderkend dat hij deze beoordeling ook moet maken.
45. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder zich tot aan het arrest op het standpunt gesteld dat de beschieting van eiser geen gericht geweld was en eerst na het arrest gesuggereerd dat nimmer geloofwaardig is geacht dat de beschieting is veroorzaakt door willekeurig geweld. De rechtbank stelt vast dat omdat verweerder ongeloofwaardig heeft mogen achten dat de beschieting een uiting van gericht geweld is geweest en verweerder de beschieting niet alsnog ongeloofwaardig kan achten, eiser eerder is blootgesteld aan ernstige schade. Eiser is beschoten en hierbij in zijn hoofd geraakt, welk feit zonder meer als ernstige schade dient te worden aangemerkt. Verweerder had deze beschieting als relevant element voor de toepassing van de glijdende schaal moeten aanmerken. Eiser is eerder slachtoffer van willekeurig geweld geweest en de rechtbank heeft vastgesteld dat de glijdende schaal moet worden toegepast omdat in het land en gebied van herkomst van eisers een minder uitzonderlijke situatie als bedoeld in punt 42 van het arrest X, Y van 9 november 2023 bestaat.
46. Artikel 4, derde lid, onder c, Kri bepaalt dat de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en onder meer rekening houdt met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen.
Het Hof heeft in punt 67 van het arrest X, Y overwogen dat deze lijst van relevante elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker niet uitputtend is.
In de situatie, waarin de combinatie van een geringere mate van willekeurig geweld dan die welke kenmerkend is voor een uitzonderlijke situatie als bedoeld in “een kale 15c-sistuatie” en elementen die eigen zijn aan de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, het reële risico op een ernstige en individuele bedreiging in de zin van die bepaling een concrete vorm kunnen geven, dient verweerder al deze elementen te betrekken bij de beoordeling of de asielaanvragen van eisers moeten worden ingewilligd.
Het Hof heeft uitgelegd dat in dit verband met name elementen die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de verzoeker en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant kunnen worden beschouwd. Advocaat-Generaal Pikamäe heeft in zijn conclusie van 8 juni 2023 een aantal voorbeelden gegeven van persoonlijke en individuele omstandigheden die een verhoogd risico mee kunnen brengen om slachtoffer van willekeurig geweld te worden.
De rechtbank wijst in dit verband ook op de Judicial analysis 15(c) Qualification Directive, (2011/95/EU) en de (vernieuwde en deze analysis incorporerende Qualification for International Protection, judicial analysis van 2023 van het EUAA, (European Union Agency for Asylum, voorheen EASO, European Asylum Support Office). In deze analysis wordt uiteengezet op welke wijze de lidstaten van de Unie artikel 15 Kri uitleggen en toepassen, en worden ook voorbeelden gegeven van persoonlijke en individuele omstandigheden die in het kader van de toepassing van de glijdende schaal moeten worden betrokken bij de vraag of de vreemdeling als er geen “kale 15c-situatie” is, toch een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
De rechtbank verwijst in dit verband ook naar rechtsoverwegingen 58-60 van de verwijzingsuitspraak in deze procedure van 22 februari 2022.
47. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de baan van eiser en de jonge leeftijd van de kinderen van eisers omstandigheden zijn die moeten worden betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal en ook tot de conclusie moeten leiden dat eisers een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri.
Zoals besproken ter zitting zal verweerder een standpunt moeten innemen of de werkzaamheden van eiser als persoonsbeveiliger van hooggeplaatste politici een element is dat moet worden betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal. Verweerder zal daarbij ook moeten motiveren of van eiser kan worden verwacht dat hij een andere baan aanneemt als uit de door verweerder te verrichten risicotaxatie zou volgen dat deze baan een verhoogd risico met zich brengt om slachtoffer van willekeurig geweld te worden. De rechtbank merkt op dat verweerder in dit verband reeds is ingegaan op de verklaring van dr. I. Chertisch en onderbouwd heeft aangegeven dat de bronvermelding van de betreffende passages niet accuraat is omdat de vermelde bronnen geen betrekking hebben op de conclusies in de verklaring. Verweerder zal hierbij moeten ingaan op de vraag of de blootstelling aan geweld vanwege werkzaamheden als persoonsbeveiliger een risico is dat uitsluitend verband houdt met de aard van de werkzaamheden of ook voortkomt uit het niveau van willekeurig geweld. Het Hof heeft in punt 50 overwogen dat zelfs wanneer in een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op grond van artikel 15c geen melding wordt gemaakt van elementen die eigen zijn aan de situatie van de verzoeker, uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn voortvloeit dat een dergelijk verzoek individueel moet worden beoordeeld. De rechtbank overweegt dat voor zover verweerder zou menen dat eiser onvoldoende heeft uitgelegd waarom zijn baan als persoonsbeveiliger een verhoogd risico op ernstige schade als bedoeld in 15c Kri meebrengt omdat hij dit element voornamelijk ten grondslag heeft gelegd aan ernstige schade als bedoeld in artikel 15b Kri, verweerder in het kader van zijn samenwerkingsverplichting toch dient na te gaan of dit element uit het (geloofwaardig bevonden) relaas van eiser moet worden betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal en een verhoogd risico meebrengt.
48. Verweerder heeft ten aanzien van het argument van eisers dat de gezinssamenstelling en de leeftijd van de zes kinderen een verhoogd risico opleveren om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, verwezen naar de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023. In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer het navolgende overwogen:
(…)
6.1.
De vreemdelingen hebben ook een beroep gedaan op de nu aanhangige prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 februari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1329, over artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en de zogenoemde glijdende schaal. De staatssecretaris heeft zich, gelet op wat onder 2 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door hun individuele omstandigheden een reëel risico lopen op ernstige schade. De beoordeling van het risico op ernstige schade moet de staatssecretaris in asielzaken altijd verrichten aan de hand van de persoonlijke kenmerken van een vreemdeling, diens individuele omstandigheden en wat die vreemdeling verder heeft aangevoerd. Dit alles bezien in het licht van de algemene veiligheidssituatie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4200, onder 5). Dat heeft de staatssecretaris in dit geval gedaan. Verder hebben de vreemdelingen aangevoerd dat de staatssecretaris in zijn beoordeling had moeten betrekken dat de minderjarige kinderen extra kwetsbaar zijn in Libië. Hoewel in de nieuwsberichten die de vreemdelingen hebben overgelegd, staat dat onder de burgerslachtoffers die in Libië zijn gevallen ook kinderen zijn, blijkt uit die informatie niet dat kinderen in Libië eerder dan volwassenen slachtoffer worden van willekeurig geweld. Er bestaat daarom geen aanleiding deze zaak aan te houden in afwachting van het antwoord van het Hof op de hiervoor genoemde prejudiciële vragen. Het toepassen van de glijdende schaal zou namelijk naar het oordeel van de Afdeling niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.
(…)
49. De rechtbank is het niet eens met deze overwegingen van de Afdeling. Een gezinssamenstelling van twee ouders en zes kinderen, waarvan de oudste is geboren in 2010, kan om meerdere redenen een verhoogd risico met zich brengen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
50. De rechtbank overweegt dat de vaststelling dat uit nieuwsberichten (en andere algemene informatie) niet blijkt dat kinderen in Libië eerder dan volwassenen slachtoffer worden van willekeurig geweld, niet betekent dat leeftijd geen element is dat in het geval Libië het land van herkomst is als relevant element moet worden betrokken bij de toepassing van de glijdende schaal. De rechtbank overweegt dat het aantal (dodelijke) slachtoffers en ontheemden een indicatie kan zijn voor een verhoogd risico, maar het enkel betrekken van deze gegevens bij de beoordeling of bepaalde elementen een verhoogd risico opleveren volstaat niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 10 juni 2021 in de zaak CF, DN (ECLI:EU:C:2021:472, C-901/19) en meer in het bijzonder de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag door het Hof en de punten 31-37.
Dat niet alle statistieken onderscheid maken in leeftijd en dat er “niet genoeg” minderjarige doden, gewonden en ontheemden zijn om aannemelijk te maken dat kinderen eerder slachtoffer van willekeurig geweld worden dan volwassenen, getuigt van een te beperkte beoordeling en risicotaxatie. Bovendien is de beoordeling statistisch gezien niet zuiver als enkel absolute aantallen slachtoffers worden vergeleken. Voor een deugdelijke interpretatie van absolute aantallen slachtoffers en ontheemden, is tenminste noodzakelijk dat er informatie is over de bevolkingssamenstelling en omvang van de categorie 0- tot 18-jarigen en categorie personen ouder dan 18 jaar. Het element leeftijd dient bovendien bezien te worden in samenhang met andere factoren zoals de aard van het willekeurig geweld en de locatie waar dit willekeurig geweld vooral plaatsvindt. Eisers hebben met landeninformatie onderbouwd dat in grote gebieden in Libië veel niet-ontplofte munitie is en dat deze gebieden daarom als vermoedelijke of bevestigde gevaarlijke gebieden zijn aangemerkt. Ook zonder deskundigen in te schakelen, zal voor verweerder duidelijk zijn dat kinderen doorgaans minder goed in staat zullen zijn om gevaar te herkennen en risico’s te mijden, ook als ze daarop wel zijn gewezen. Verweerder dient zich terdege rekenschap te geven van de aangedragen informatie en dient zich ook uit eigen beweging te vergewissen van relevante landeninformatie. Uit deze informatie blijkt, zoals door eisers terecht aangegeven, waaruit het willekeurig geweld deels bestaat. Kinderen, ook in de leeftijd van de kinderen van eisers, zullen doorgaans begrijpen dat vuurgevechten gevaarlijk zijn en dat ze die situaties zullen moeten vermijden en ontlopen. Het onderkennen van gevaarlijke situaties die niet direct waarneembaar zijn, zal voor kinderen minder eenvoudig zijn. De aard van dit geweld, in combinatie met de jonge leeftijd van kinderen brengt een verhoogd risico mee om slachtoffer te worden van ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. Dit betekent niet dat verweerder aan alle kinderen uit Libië subsidiaire bescherming moet bieden. Verweerder dient dit verhoogde risico echter wel te betrekken bij de beoordeling welk risico eisers in de onderhavige procedure lopen als zij thans dienen terug te keren naar Tripoli.
Daargelaten dat de kinderen van eisers, gelet op hun jonge leeftijd en gelet op de informatie over de specifieke aard van het willekeurige geweld in het herkomstgebied van eisers, zelfstandig een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, zal een gezin met jonge kinderen zich doorgaans ook moeilijker in veiligheid kunnen brengen als er uitbarstingen van willekeurig geweld zijn. Verweerder zal bij de toepassing van de glijdende schaal juist op dit soort aspecten in moeten gaan in plaats van te volstaan met het wijzen op statistieken waaruit op zichzelf niet valt af te leiden of het aantal minderjarige slachtoffers betekent dat kinderen een verhoogd risico lopen. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft aangeven, niet duidelijk is hoeveel kinderen in één gezin dan een verhoogd risico met zich brengen, doet niet af aan de verplichting van verweerder om de persoonlijke en individuele omstandigheden van eisers te betrekken in zijn beoordeling. Verweerder zal, zoals het Hof in punt 67 heeft overwogen, elk geval afzonderlijk moeten beoordelen en dus eenvoudigweg maatwerk moeten leveren. Deze verplichting is overigens neergelegd in artikel 4, lid 3, Kri en ziet dus op het beoordelen van alle verzoeken om internationale bescherming en op alle aspecten van deze beoordeling in een concrete procedure. Dat verweerder weinig houvast zal hebben omdat persoonlijke en individuele omstandigheden aanzienlijk kunnen verschillen, zal deze individuele beoordeling complex maken, maar doet niet af aan de verplichting van verweerder om de relevante elementen te duiden en kenbaar te betrekken bij de risicotaxatie en de toepassing van de glijdende schaal.
51. Het Hof heeft er bovendien in punt 67 op gewezen dat in dit verband met name elementen die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de verzoeker en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen (onderstreping en cursivering door de rechtbank) dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant kunnen worden beschouwd.
52. De rechtbank stelt vast dat de bewijsdrempel die de Afdeling in de uitspraak van 30 augustus 2023 aanlegt, gelet op deze overweging van het Hof in het arrest X, Y te hoog is door -kennelijk- te vereisen dat uit (statistieken in) nieuwsberichten moet kunnen worden afgeleid dat kinderen eerder dan volwassenen daadwerkelijk slachtoffer zijn geworden van willekeurig geweld. Het verrichten van een risicotaxatie voor deze eisers verschilt echter wezenlijk van de beoordeling of dit risico zich reeds heeft verwezenlijkt voor andere kinderen. Het enkel aannemelijk kunnen maken van een verhoogd risico door gegevens te kunnen overleggen van aantallen minderjarigen die reeds slachtoffer van willekeurig geweld zijn geworden, stelt te hoge eisen aan het onderbouwen van een beschermingsbehoefte. Het vereisen van een onderbouwing dat kinderen in Libië eerder dan volwassenen slachtoffer worden van willekeurig geweld maakt het aannemelijk maken van dit verhoogd risico welhaast onmogelijk en dat acht de rechtbank niet in lijn met de hiervoor aangehaalde uitleg van het Hof in punt 67.
53. In het kader van de glijdende schaal overweegt de rechtbank voorts dat eisers niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun verblijf buiten Libië en met name de lange duur hiervan, een verhoogd risico met zich brengt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Voor zover eisers in dit verband hebben verwezen naar de verklaring van dr. I. Chertisch, overweegt de rechtbank dat de stellingen dat eisers bij terugkeer naar Libië frequent checkpoints moeten passeren en daarbij niet zullen kunnen verbergen dat ze lange tijd niet in Libië zijn geweest én dat dit een verhoogd risico oplevert om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, onvoldoende zijn onderbouwd. De verklaring van dr. I. Chertisch is op dit punt voornamelijk gebaseerd op aannames en als na controle blijkt dat eisers langdurig buiten Libië hebben verbleven meebrengt dat zij om die reden worden onderworpen aan geweld, lijkt dit voort te komen uit gericht geweld. Eisers hadden dit nader moeten toelichten. Ook valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom eisers bij elke controle, voor zover die er zijn, zouden moeten vertellen welke werkzaamheden voor welke politicus eiser heeft verricht en hij dit niet eenvoudigweg kan en zal verzwijgen.
54. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft onderzocht of aan eisers subsidiaire bescherming moet worden geboden omdat verweerder onvoldoende deugdelijk toepassing heeft gegeven aan de glijdende schaal en dus onvoldoende grondig heeft onderzocht of eisers een reëel risico lopen op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri. Verweerder zal deze beoordeling opnieuw dienen te verrichten en daarbij -tenminste- in moeten gaan op de werkzaamheden van eiser, de gezinssamenstelling en de leeftijd van de kinderen en het risico dat de zes minderjarig kinderen zelf lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder is overigens gehouden om nader na te gaan of er meer elementen in de relazen van eisers en de door hen overgelegde bewijsmiddelen zijn die moeten worden betrokken bij het toepassen van de glijdende schaal.
Artikel 8 EVRM
55. Eisers hebben in de aanvankelijke gronden van beroep en dus nadat de bestreden besluiten zijn genomen, gesteld dat hen vanwege de ondertoezichtstellingen van hun kinderen een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM moest worden verleend. Tijdens de voortgezette behandeling van het beroep op 1 december 2023 hebben eisers dit argument laten vallen omdat de kinderen niet langer onder toezicht zijn gesteld. Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder hen desondanks een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM moet verlenen en wel in verband met de duur van de procedure. Eisers vinden dat het tijdsverloop door onder meer het besluitmoratorium en de prejudiciële procedure moet leiden tot verblijfsaanvaarding. De rechtbank heeft ter zitting aangegeven dat dit argument eerst op zitting naar voren is gebracht, verweerder dit dus niet heeft kunnen beoordelen en dat de rechtbank de behandeling van het beroep in deze fase van de procedure hiervoor niet gaat aanhouden wegens strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat eisers een aanvraag kunnen indienen om verblijf op grond van artikel 8 EVRM te verkrijgen.
Conclusie
56. Zoals hiervoor gemotiveerd zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, reeds omdat verweerder in de bestreden besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen zogenoemde “kale 15c-situatie” in Libië is en verweerder geen aanvullend besluit heeft uitgebracht, maar heeft volstaan met het indienen van een verweerschrift met een aanvullende beoordeling.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat verweerder opnieuw zal moeten beoordelen of toepassing van de glijdende schaal tot de conclusie leidt dat aan eisers subsidiaire bescherming moet worden verleend.
57. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn die gelijkluidend is aan de termijn om een rechtsmiddel in te stellen.
De rechtbank neemt aan dat verweerder geen nieuw besluit zal nemen, maar een oordeel van de Afdeling wenst te verkrijgen over de toepassing van het arrest X, Y door de rechtbank en de rechtbank neemt ook aan ook eisers in hoger beroep willen gaan om van de hoogste rechter een oordeel te verkrijgen over de gevolgen van het arrest X, Y voor de rechtspraktijk in het algemeen en de onderhavige procedure in het bijzonder. De rechtbank heeft dit ter zitting ook zo met partijen besproken en begrijpt in zekere zin dat niet zal worden berust in de onderhavige uitspraak.
Om hoger beroep mogelijk te maken zal de rechtbank dan ook geen tussenuitspraak doen om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen, maar een einduitspraak doen.
58. De rechtbank geeft verweerder tot slot mee dat indien wel een nieuw besluit wordt genomen, verweerder bij de vermelding van de rechtsgevolgen en de terugkeerplicht een land van bestemming dient op te nemen. Dit ontbreekt in de bestreden besluiten.
59. Omdat de beroepen gegrond worden verklaard zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank als volgt vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit:
- indienen beroep – 1 punt
- verschijnen ter zitting bij de rechtbank op 10 februari 2022 – 1 punt
- verschijnen mondelinge behandeling bij het Hof d.d. 23 maart 2023 – 2 punten
- het indienen van een zienswijze na het arrest – 0,5 punt
- verschijnen ter zitting bij de rechtbank op 1 december 2023 – 1 punt
De rechtbank kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”. De rechtbank verwijst hierbij naar de einduitspraken van de rechtbank van 15 maart 2021 (TQ, ECLI:NL:RBDHA:2021:2376), 7 juli 2021 (LH, ECLI:NL:RBDHA:2021:6993), 14 november 2022 (C, B en X, ECLI:NL:RBDHA:2022:11952) en 27 december 2022 (X, ECLI:NL:RBDHA:2022:14223, hersteld bij uitspraak van 11 januari 2023).
De waarde per punt is gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht Bijlage B1.2. € 837,-. Dit betekent dat de rechtbank een bedrag van € 6.905,25 (5,5 punten x 1,5 x € 837,-) zal toekennen voor bovengenoemde verrichte proceshandelingen.
De gestelde reiskosten zijn gespecifieerd en komen gelet op artikel 1 onder d, en artikel 2, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft een bedrag van € 242,72 ,- bij wijze van kilometervergoeding en overige kosten (774 km x € 0,28 + € 26,- parkeerkosten).
De rechtbank bepaalt de hoogte van de proceskosten derhalve op € 7.147,97
(€ 6.905,25 + € 242,72).
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de bestreden besluiten;
- -
draagt verweerder op om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvragen te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 7.147,97.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en
mr. G.J.W.M Kipping, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 december 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Uitspraak 22‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Asiel – Libië – subsidiaire bescherming – aanvullende prejudiciële vragen artikel 15 Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelt aanvullende vragen over de subsidiaire beschermingsregeling en verzoekt het Hof om deze vragen versneld (PPA) te behandelen en te voegen met de prejudiciële vragen die Haarlem over 15c Kwalificatierichtlijn heeft gesteld. Eisers zijn afkomstig uit Libië en leggen aan hun asielaanvraag individuele omstandigheden, het niveau van willekeurig geweld in Tripoli en de humanitaire omstandigheden ten gevolge van dit geweld ten grondslag. Bij de beoordeling of subsidiaire bescherming moet worden verleend, wordt op dit moment eerst bepaald welke vorm van ernstige schade (15a, 15b, of 15c) wordt gevreesd en daarna wordt bepaald welke elementen de vrees voor die specifieke soort ernstige schade kunnen onderbouwen. De rechtbank vraag het Hof of, gelet op het doel van de subsidiaire beschermingsregeling, het niet meer voor de hand ligt om eerst alle elementen waar de verzoeker zich op baseert te onderzoeken en te beoordelen en pas daarna te bepalen om welke soort ernstige schade het gaat. Uit de Kwalificatierichtlijn blijkt niet dat er een noodzaak is om te specificeren op grond van welke soort ernstige schade bescherming moet worden verleend. Door wel eerst te bepalen welke soort ernstige schade een verzoeker vreest, kan een leemte ontstaan in de te bieden bescherming omdat bepaalde elementen niet voldoende bij de beoordeling zullen worden betrokken. Indien artikel 15 Kwalificatierichtlijn daarentegen vereist dat alle elementen steeds integraal en in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld is de discussie over “15c en de glijdende schaal” niet langer relevant. Als het Hof deze vraag niet beantwoordt op de wijze die de rechtbank voorstelt, wil de rechtbank weten op welke wijze de individuele omstandigheden moeten worden betrokken bij 15c en of ook bij 15b een glijdende schaal moet worden toegepast. De rechtbank wil tot slot weten of humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het geweld dat door een actor van ernstige schade wordt veroorzaakt ook moet worden betrokken bij het beoordelen van de beschermingsbehoefte. Het zou naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de logica van de subsidiaire beschermingsregeling zijn als niet alleen wordt beschermd tegen geweld door een actor van ernstige schade, maar ook tegen de humanitaire gevolgen van dit geweld als die humanitaire omstandigheden een situatie opleveren die in strijd is met het Handvest van de Grondrechten. De rechtbank heeft verzocht om een versnelde behandeling in verband met het belang van de zes jonge kinderen van eisers. De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord en heeft een rechtsmiddel tegen deze uitspraak uitgesloten.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.16879 en NL20.16880 verwijzingsuitspraak
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2022 in de zaak tussen:
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1982, eiser,
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1987, eiseres,
mede namens hun zes minderjarige kinderen,
allen van Libische nationaliteit,
tezamen eisers,
(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA)
I Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn1., gelezen in samenhang met artikel 2, sub g, Kwalificatierichtlijn, artikel 4 Kwalificatierichtlijn, artikel 4 Handvest van de Grondrechten2.en artikel 19, lid 2, Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat voor de vraag of een verzoeker subsidiaire bescherming behoeft alle relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, steeds integraal en in onderlinge samenhang dienen te worden onderzocht en beoordeeld vóórdat wordt geduid welke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade met deze elementen kan worden onderbouwd?
II Is, in het geval het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt, de beoordeling van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker bij de beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, waarvan het Hof reeds heeft gepreciseerd dat deze hierbij dienen te worden betrokken, meeromvattender dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste zoals bedoeld in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk3.? Kunnen deze elementen ten aanzien van hetzelfde verzoek om subsidiaire bescherming zowel bij de beoordeling van artikel 15b Kwalificatierichtlijn als bij de beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn betrokken worden?
III Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn aldus te worden uitgelegd dat bij het beoordelen van de behoefte aan subsidiaire bescherming de zogenaamde glijdende schaal, waarvan het Hof reeds heeft gepreciseerd dat die moet worden toegepast bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn, ook moet worden toegepast bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn?
IV Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest van de Grondrechten, artikel 4 Handvest van de Grondrechten en artikel 19, lid twee, Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, dienen te worden betrokken bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming heeft?
Verzoek tot behandeling in een versnelde procedure (PPA) ex artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering.
De rechtbank verzoekt het Hof om de prejudiciële vragen van de rechtbank te behandelen in een versnelde procedure zoals bedoeld in artikel 23bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie in samenhang met artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (PPA).
Eisers zijn echtgenoten en hebben zes kinderen, waarvan de oudste op het moment van verwijzen 11 jaar oud is. Vijf kinderen van eisers zijn met ingang van 22 april 2020 op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming onder toezicht geplaatst, welke plaatsing door verlenging van deze maatregel ten tijde van de behandeling ter zitting voortduurt. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en opgroeien in een onveilige en onstabiele opvoedsituatie waarin zij getuige en slachtoffer zijn van agressie. Tevens heeft de kinderrechter vastgesteld dat sprake is van emotionele en fysieke verwaarlozing. Het kind dat niet onder toezicht is geplaatst, is enkele maanden voor de behandeling ter zitting geboren, zodat de (verlengings-)beschikking van de kinderrechter geen betrekking kan hebben op dit kind.
Eisers hebben weliswaar vanwege de schorsende werking van het ingestelde beroep tegen de afwijzende besluiten rechtmatig verblijf totdat de rechtbank einduitspraak zal doen. Uit de ondertoezichtstellingen blijkt evenwel dat de situatie waarin de kinderen van eisers zich thans bevinden onveilig is waarbij, gelet op de verklaringen van eisers, te gelden heeft dat deze situatie mede wordt veroorzaakt door de lange duur van de procedure en daarmee gepaard gaande onzekerheid over verblijfsaanvaarding.
De rechtbank verzoekt het Hof derhalve om de prejudiciële vragen in een versnelde procedure te behandelen vanwege het belang van de zes jonge kinderen van eisers en met name vanwege hun basale veiligheid.
Voorstel voor beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen
De rechtbank geeft het Hof conform punt 37 van de Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures in overweging de voorgestelde vragen als volgt te beantwoorden:
I Artikel 15 Kwalificatierichtlijn dient aldus te worden uitgelegd dat voor de vraag of een verzoeker subsidiaire bescherming behoeft, alle relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, steeds integraal en in onderlinge samenhang dienen te worden onderzocht en beoordeeld, derhalve vóórdat wordt geduid welke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade met deze elementen kan worden onderbouwd.
Indien het Hof de eerste vraag op de door de rechtbank voorgestane wijze beantwoordt, is de beantwoording van vraag II en vraag III niet langer nodig.
Indien het Hof vraag II en vraag III wel zal beantwoorden, geeft de rechtbank het Hof in overweging om dit aldus te doen:
II Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn dient aldus te worden uitgelegd dat de beoordeling van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker meeromvattender is dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste. Relevante elementen kunnen ten aanzien van hetzelfde verzoek om subsidiaire bescherming aan het onderbouwen van de vrees voor ernstige schade zowel op grond van artikel 15b Kwalificatierichtlijn als op grond van artikel 15c Kwalificatierichtlijn ten grondslag worden gelegd en dienen, indien door een verzoeker aangevoerd, bij de gestelde vrees voor beide verschijningsvormen van ernstige schade te worden beoordeeld.
III Artikel 15 Kwalificatierichtlijn dient aldus te worden uitgelegd dat bij het beoordelen van de behoefte aan subsidiaire bescherming de zogenaamde glijdende schaal moet worden toegepast bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn en bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank stelt het Hof voorts voor vraag IV als volgt te beantwoorden:
IV Artikel 15 Kwalificatierichtlijn,, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest van de Grondrechten, artikel 4 Handvest van de Grondrechten en artikel 19, lid twee, Handvest van de Grondrechten, dient aldus te worden uitgelegd dat humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, dienen te worden betrokken bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming heeft.
Verzoek tot voeging op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, heeft op 19 oktober 2020 prejudiciële vragen aan het Hof gesteld die betrekking hebben op de uitleg van -deels- dezelfde Unierechtelijke bepalingen en begrippen4.. Deze verwijzing is bij het Hof geregistreerd onder zaak C-579/20, F, A, G, H, I tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank verzoekt de prejudiciële vragen die in de onderhavige verwijzingsuitspraak worden voorgelegd op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wegens verknochtheid te voegen met de procedure in de zaak C-579/20.
De rechtbank wijst het Hof er uitdrukkelijk op dat de vragen die de verwijzende rechtbank thans aan het Hof voorlegt andersluidend zijn dan de vragen die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, aan het Hof zijn voorgelegd en niet dezelfde strekking hebben, maar als aanvulling op die vragen en op de reeds door het Hof gegeven nadere precisering van artikel 15 Kwalificatierichtlijn aangemerkt dienen te worden.
De eerste vraag en de vierde vraag zijn nimmer aan het Hof van Justitie voorgelegd. De tweede en de derde vraag zijn aanvullende vragen die ook in het hoofdgeding rijzen. Deze vragen gaan uit van de bestendige jurisprudentie van het Hof over artikel 15 Kwalificatierichtlijn en waarvan in de procedure met zaaknummer C-579/20, F, A, G, H, I tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, een nadere bevestiging en verduidelijking wordt gevraagd.
De beantwoording van de vragen kan, zoals uit de motivering in de onderhavige uitspraak blijkt, niet worden afgeleid uit eerdere arresten van het Hof over de uitleg van de subsidiaire beschermingsregeling. De beantwoording van de vragen die thans worden voorgelegd zal evenmin kunnen worden afgeleid uit het arrest dat het Hof zal wijzen in de procedure met de zaaknummer C-579/20, F, A, G, H, I tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank verzoekt het Hof derhalve om de afzonderlijke vragen die thans worden voorgelegd te beantwoorden en om tot voeging en behandeling in een versnelde procedure (PPA) over te gaan.
Samenvatting
Eisers en hun zes minderjarige kinderen zijn afkomstig uit Libië en hebben een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of zij aanspraak maken op subsidiaire bescherming zoals is geregeld in de Kwalificatierichtlijn.
Eisers hebben hun verzoeken onderbouwd met elementen die zowel betrekking hebben op hun individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, alsmede op de algemene situatie in Libië en meer in het bijzonder in Tripoli.
De beoordeling of zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een verzoeker om internationale bescherming bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als omschreven in artikel 15 Kwalificatierichtlijn en daardoor aanspraak maakt op subsidiaire bescherming, vindt thans plaats door eerst te bepalen voor welke verschijningsvorm van ernstige schade wordt gevreesd en vervolgens te beslissen welke aangedragen elementen de vrees voor deze specifieke verschijningsvorm van ernstige schade kunnen onderbouwen.
Het Hof van Justitie is de afgelopen jaren meerdere malen om een nadere precisering gevraagd van de elementen die moeten worden betrokken bij de beoordeling van een zogenoemde 15c-situatie en of bij de beoordeling van de vereiste drempel om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, toepassing moet worden gegeven aan een “glijdende schaal”.
De rechtbank legt het Hof primair de vraag voor of de wijze waarop thans een verzoek om subsidiaire bescherming wordt beoordeeld in overeenstemming is met het karakter en doel van de subsidiaire beschermingsregeling en het absolute verbod op refoulement zoals neergelegd in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank zal in deze uitspraak motiveren waarom een strikt gescheiden beoordeling van het risico op specifieke verschijningsvormen van ernstige schade met zich kan brengen dat niet steeds zal worden onderkend of een verzoeker daadwerkelijk subsidiaire bescherming behoeft en waardoor mogelijk een leemte in de te bieden subsidiaire bescherming ontstaat.
De rechtbank zal aan de hand van de systematiek en bewoordingen van de Kwalificatierichtlijn en indachtig de door het Handvest gegarandeerde grondrechten het Hof in overweging geven om te preciseren dat artikel 15 Kwalificatierichtlijn aldus dient te worden uitgelegd dat voor de vraag of een verzoeker subsidiaire bescherming behoeft alle relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, steeds integraal en in onderlinge samenhang dienen te worden onderzocht en beoordeeld, derhalve vóórdat wordt geduid welke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade met deze elementen kan worden onderbouwd.
Indien het Hof artikel 15 Kwalificatierichtlijn niet aldus zal uitleggen, wenst de rechtbank nadere verduidelijking van het Hof welke elementen welke verschijningsvorm van ernstige schade kunnen staven en of een glijdende schaal bij het aanleggen van drempels aan ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn en artikel 15c Kwalificatierichtlijn moeten worden toegepast. De rechtbank wenst voorts door middel van een afzonderlijke prejudiciële vraag uitdrukkelijk te vernemen of, gelet op de logica van de internationale bescherming, humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade betrokken dienen te worden bij de beoordeling van een verzoek om (subsidiaire) bescherming.
De rechtbank zal uitleggen waarom de beantwoording door het Hof van deze prejudiciële vragen van de rechtbank noodzakelijk is om uitspraak in het hoofdgeding te kunnen doen.
De verwijzende rechtbank wijst het Hof tevens, net als de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, uitdrukkelijk op de divergentie in de lidstaten bij het toekennen van subsidiaire bescherming. Dit blijkt onder meer uit het rapport van de Europese Commissie van 22 januari 20195., waarbij de rechtbank niet kan vaststellen dat deze divergentie niet langer bestaat door de meest actuele nadere precisering van artikel 15c Kwalificatierichtlijn door het Hof6..
Uit deze divergentie in de verschillende lidstaten van de Unie en die ook aan de orde is in de nationale rechtspraktijk, blijkt dat twijfel bestaat over de inhoud van het Unierechtelijke begrip “ernstige schade” en de wijze waarop een gestelde vrees voor ernstige schade moet worden beoordeeld. Deze divergentie onderstreept de noodzaak en urgentie van een nadere precisering door het Hof.
De reeds gegeven uitleg door het Hof voorkomt niet, zoals nader in deze uitspraak wordt toegelicht, dat de subsidiaire beschermingsregeling mee kan brengen dat verzoekers ten onrechte niet voor bescherming in aanmerking worden gebracht. De divergentie tussen de lidstaten ondermijnt bovendien de uitgangspunten van het Gemeenschappelijke Europese Asielstelsel, Het GEAS beoogt verregaande harmonisatie van regelgeving7., terwijl thans te gelden heeft dat de vraag of subsidiaire bescherming wordt verkregen mede afhankelijk is van de omstandigheid welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om bescherming.
De verwijzende rechtbank acht het uit het oogpunt van rechtsbescherming noodzakelijk dat het Unierecht als het gaat om de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming eenduidig wordt uitgelegd en elke twijfel over de uitleg en strekking van de subsidiaire beschermingsregeling wordt weggenomen door het Hof. Een uniforme uitleg en toepassing van de subsidiaire beschermingsregeling zal bovendien secundaire migratiestromen, die door de Uniewetgever als onwenselijk worden beschouwd, doen verminderen8..
De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen van eisers geschorst totdat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen zal beantwoorden en heeft voorts bepaald dat tegen deze verwijzingsuitspraak geen rechtsmiddel open staat.
Procesverloop
Eisers hebben op 28 januari 2018 een verzoek om internationale bescherming ingediend.
Verweerder heeft aanvankelijk een Dublinprocedure geëntameerd. Deze procedure is afgesloten met een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 december 2018.
Bij brief van 2 januari 2019 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat hun verzoeken om internationale bescherming in de nationale procedure worden behandeld.
Bij brief van 24 september 2019 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat per 1 juli 2019 een besluitmoratorium voor de duur van één jaar ten aanzien van aanvragen van verzoekers uit Libië is ingesteld en dat uiterlijk op 1 juli 2020 wordt beslist op hun verzoeken om internationale bescherming.
Bij afzonderlijke besluiten van 24 december 2020 heeft verweerder de verzoeken om internationale bescherming afgewezen als ongegrond. Tevens is bepaald dat aan eisers geen vergunning voor verblijf op reguliere gronden wordt verleend en eisers geen uitstel van vertrek krijgen. Verweerder heeft tot slot bepaald dat deze besluiten tevens gelden als terugkeerbesluiten en dat eisers een vertrektermijn van vier weken hebben.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen. Na het (alsnog) nemen van de besluiten op 24 december 2020, hebben eisers beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun verzoeken om internationale bescherming. De onderhavige procedure heeft uitsluitend betrekking op dit beroep.
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen de ongegrondverklaring van hun verzoeken om internationale bescherming op 10 februari 2022 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ter zitting, nadat dit voornemen met partijen is besproken, beslist de behandeling van het beroep te schorsen in verband met het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Overwegingen
Feiten en standpunten van beide partijen
1. Eisers hebben aan hun verzoeken tot internationale bescherming onder meer het navolgende ten grondslag gelegd.
2. Eiser heeft verklaard meerdere jaren in Tripoli als persoonsbeveiliger van hooggeplaatste politici te hebben gewerkt. Eiser heeft onder meer twee premiers, een vicepremier en enkele ministers beveiligd. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij hen “tegen alles en iedereen” moest beveiligen omdat het land in chaos verkeert en men niet weet door wie en wanneer men wordt aangevallen. Eiser is éénmaal beschoten terwijl hij na werktijd aan het hardlopen was. Eiser is hierbij in zijn hoofd geraakt en heeft ten gevolge hiervan een kogelscherf in zijn linkerwang. Eiser stelt na deze beschieting tweemaal telefonisch te zijn bedreigd. De eerste bedreiging vond ongeveer vijf maanden na de beschieting plaats, de tweede bedreiging ongeveer één tot twee jaar na de beschieting. In deze telefoongesprekken is onder meer gezegd dat eiser voor de regering werkt, dat hij gedood zal worden en dat zijn kinderen ontvoerd zullen worden. Eiser heeft aangegeven dat tegen hem is gezegd “de eerste keer ben je ontsnapt, maar bij de tweede keer gaat jou dat niet lukken” en zijn bewoordingen geuit die doorgaans worden gebruikt om [naam] -aanhangers mee te duiden. In de correcties en aanvullingen op het gehoor is nader aangegeven dat bij de twee telefonische bedreigingen de stem en de wijze van bedreigen hetzelfde was. De directe aanleiding voor vertrek is een bedreiging die was gericht tegen zijn schoonvader en die in aanwezigheid van kinderen van eisers is geuit. Deze bedreiging van de schoonvader ligt niet ten grondslag aan de verzoeken van eisers om internationale bescherming.
Eiser heeft verklaard sommige ideeën van [naam] wel te ondersteunen en sommige ideeën niet. Eiser heeft op zijn werk hierover gepraat met collega’s.
Eiser heeft vermoedens welke militie verantwoordelijk is voor de beschieting en bedreigingen, maar kan dit niet bewijzen.
Eiser heeft geen bescherming bij de autoriteiten gevraagd omdat hij voor de autoriteiten werkt en daarom weet dat er geen bescherming mogelijk is. Ook zijn leidinggevende is na te zijn bedreigd vertrokken.
Eiser heeft een verklaring van een deskundige overgelegd die betrekking heeft op de risico’s die eiser als beveiliger loopt en op het tijdsverloop tussen bedreigingen van milities.
3. Eiser heeft verklaard dat de moeilijke levensomstandigheden, zoals het niet kunnen beschikken over brandstof, drinkwater en elektriciteit, mede aanleiding voor vertrek zijn geweest. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat hij van zijn broer heeft vernomen dat milities een stuk grond dat eiser van zijn vader heeft geërfd proberen in te nemen en dat deze milities te kennen hebben gegeven dat een ieder die zich hiertegen verzet zal worden gedood. Eiser legt ook deze omstandigheid ten grondslag aan zijn beschermingsverzoek.
4. Eiser heeft voorts verklaard dat hij op hoog niveau het kickboksen heeft beoefend en dat hij hierdoor en door medische oorzaken met name bij het moeten benoemen van data geheugenproblemen ondervindt. Eiser heeft tijdens de gehoren meerdere malen aangegeven last te hebben van stress en concentratieproblemen.
5. Eiseres heeft in haar gehoor verklaringen afgelegd die overeenkomen met de verklaringen van eiser en die deels zijn gebaseerd op wat eiser aan haar heeft verteld over zijn persoonlijke ervaringen en vrees. Eiseres heeft de vrees vanwege de persoonlijke ervaringen van eiser en de algemene onveilige situatie in Libië aan haar verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd. Eiseres heeft voorts verklaard door de omstandigheden in Libië vaak ziek te zijn geweest, altijd duizelig te zijn geweest en veel te zijn afgevallen. Eiseres heeft aangegeven dat er geen water, geen elektriciteit en geen veiligheid op straat is en dat zij vanwege die omstandigheden en vanwege de oorlog niet kunnen terugkeren.
6. Eisers vrezen bij terugkeer voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn (hierna: Kri) en/of artikel 15c Kri. Eisers baseren deze vrees op de beschieting, de bedreigingen, het algemene geweldsniveau in Libië en de humanitaire omstandigheden ten gevolge van het algemene geweldsniveau in Libië.
7. Verweerder acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Verweerder acht het, mede gelet op de door eiser overgelegde documenten en afgelegde verklaringen, geloofwaardig dat eiser vanaf 2012, na de val van [naam] , tot aan het vertrek van eisers uit Libië in juni 2017 in Tripoli werkzaam is geweest in de persoonsbeveiliging van hoog geplaatste politici.
Verweerder acht voorts geloofwaardig dat eiser is beschoten terwijl hij aan het hardlopen was en daarbij in zijn hoofd is geraakt, maar acht niet geloofwaardig dat het een gerichte beschieting betrof. Omdat (onder meer) eiser enkel vermoedens heeft over wie hem heeft beschoten en niet kan onderbouwen wie de dader is geweest en dat hij het doelwit van deze specifieke beschieting was, wordt het door eiser gestelde verband tussen zijn werkzaamheden en de beschieting niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarnaast overwogen dat de twee gestelde bedreigingen niet geloofwaardig worden geacht. Verweerder heeft hierbij onder meer het tijdsverloop tussen de beschieting en de gestelde bedreigingen betrokken en heeft voorts overwogen dat eiser niet weet wie hem heeft bedreigd en enkel vermoedt dat de bedreigingen verband houden met zijn werkzaamheden, de beschieting en zijn opvattingen over [naam] .
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geweld specifiek tegen hem gericht is geweest, waardoor eisers volgens verweerder bij terugkeer niet hoeven te vrezen voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri.
Verweerder stelt zich in de besluiten op het standpunt dat het aan de staatssecretaris is om risicogroepen te duiden en om vast te stellen of sprake is van een zogenoemde 15c-situatie.
Nu de staatssecretaris hiertoe geen aanleiding heeft gezien, hoeven eisers bij terugkeer ook niet te vrezen voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri.
8. In de besluiten waar deze procedure betrekking op heeft, heeft verweerder geen inhoudelijke beoordeling opgenomen van de algemene veiligheidssituatie in Tripoli en Libië en heeft verweerder geen inhoudelijke motivering gegeven voor zijn standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming zoals bedoeld in artikel 15c Kri.
9. Eisers hebben in beroep aangevoerd het niet eens te zijn met de geloofwaardigheidsbeoordeling en stellen zich op het standpunt dat hun relaas integraal geloofwaardig moet worden geacht zodat zij in aanmerking komen voor bescherming zoals bedoeld in artikel 15b Kri. Eisers stellen zich daarnaast gemotiveerd op het standpunt dat in Libië sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c Kri en dat hun persoonlijke relaas en de humanitaire omstandigheden bij deze beoordeling moet worden betrokken. Eisers stellen zich in beroep tevens op het standpunt dat de omstandigheid dat zij zes minderjarige kinderen hebben, moet worden betrokken bij de beoordeling van 15c Kri en anders tot verlening van een vergunning op reguliere gronden moet leiden.
Rechtsvragen
Inleiding
10. Partijen verschillen van mening of eisers in aanmerking moeten worden gebracht voor subsidiaire bescherming en hoe moet worden beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri en ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri. Meer in het bijzonder verschillen partijen van mening over de vraag of bij de beoordeling van artikel 15c Kri ook individuele omstandigheden moeten worden betrokken en of, indien hiervan sprake is, dit van invloed is op de drempel van het algehele geweldsniveau dat aannemelijk moet worden gemaakt om voor bescherming in aanmerking te komen.
11. De kern van deze verwijzingsuitspraak is de vraag of bij het onderzoeken of sprake is van vrees voor ernstige schade, de beoordeling van artikel 15b Kri en artikel 15c Kri strikt gescheiden van elkaar dient te geschieden of dat steeds een integrale beoordeling van alle relevante elementen dient te worden verricht. In wezen wenst de rechtbank te vernemen of de beoordeling van artikel 15b Kri en artikel 15c Kri één gezamenlijke beoordeling van alle elementen vergt of dat eerst moet worden bepaald welke verschijningsvorm van ernstige schade door welke aangedragen elementen kan worden onderbouwd. In dit laatste geval rijst de vraag of dit ook betekent dat feiten en omstandigheden ofwel uitsluitend relevant zijn voor het toetsingskader van 15b Kri, ofwel uitsluitend relevant zijn voor de beoordeling van 15c Kri. De rechtbank ziet aanleiding om deze vragen te stellen omdat de verzoeken om internationale bescherming in de onderhavige procedure zowel met individuele en persoonlijke omstandigheden van eisers, alsmede met verwijzing naar de algemene geweldssituatie en de humanitaire situatie ten gevolge van dit geweld in het land van herkomst worden gestaafd. Indien eerst moet worden geduid voor welke verschijningsvorm van ernstige schade wordt gevreesd, en vervolgens pas wordt beoordeeld welke relevante elementen naar voren zijn gebracht om die specifieke verschijningsvorm van ernstige schade te onderbouwen, ontstaat er mogelijk een lacune in de bescherming die de subsidiaire beschermingsregeling beoogt te bieden. Dit geldt temeer indien alleen bij de beoordeling van artikel 15c Kri een glijdende schaal zou moeten worden toegepast en de drempel van het aannemelijk maken van zwaarwegende gronden voor ernstige vrees zoals bedoeld in artikel 15b Kri niet wordt geregardeerd indien ook elementen worden aangedragen om de vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri te staven.
12. Advocaat-Generaal [naam] heeft in zijn conclusie in de zaak CF/ DN9.overwogen dat de minimumcriteria voor toekenning van subsidiaire bescherming een aanvulling moeten kunnen vormen op het Vluchtelingenverdrag en dat artikel 15c Kri en de werkingssfeer van de subsidiaire beschermingsregeling dus moeten worden uitgelegd in het licht van de uitdrukkelijke doelstelling van deze richtlijn om internationale bescherming te bieden aan de personen die deze werkelijk behoeven.
13. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij het beoordelen of sprake is van een reëel risico op ernstige schade de beschermingsbehoefte van verzoekers is en daarmee de verplichting voor de lidstaten om die behoefte grondig te onderzoeken en zo nodig die bescherming te bieden.
De rechtbank overweegt voorts dat indien een leemte in de bescherming die artikel 15 Kri biedt ontstaat door een gestelde vrees voor ernstige schade op grond van artikel 15b Kri en een gestelde vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri strikt gescheiden te beoordelen, het nuttig effect aan artikel 15 Kri en aan de subsidiaire beschermingsregeling wordt ontnomen.
14. De rechtbank twijfelt hierdoor of de wijze waarop thans wordt beoordeeld of aan verzoekers subsidiaire bescherming moet worden verleend in overeenstemming is met het Unierecht en meer in het bijzonder met de strekking en werkingssfeer van de subsidiaire beschermingsregeling en de artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, Handvest. De rechtbank acht nadere uitleg van het Hof noodzakelijk om de beroepen van eisers en daarmee de vraag of zij daadwerkelijk subsidiaire bescherming behoeven, te kunnen beoordelen. In de onderhavige procedure is de beantwoording door het Hof van deze vragen noodzakelijk en mogelijk doorslaggevend voor de uiteindelijke beoordeling door de rechtbank in het hoofdgeding.
15. De rechtbank wijst er hierbij tevens op dat ondanks dat het Hof in meerdere uitspraken uitleg heeft verschaft over artikel 15c Kri, er nog steeds sprake is van divergentie bij het beoordelen van gestelde aanspraken op bescherming op grond van artikel 15c Kri in zowel de nationale rechtspraktijk als in diverse lidstaten van de Unie. Deze divergentie maakt het ook noodzakelijk dat het Hof (nog) meer verduidelijking geeft over het Unierechtelijke begrip “ernstige schade” en de wijze waarop moet worden onderzocht en beoordeeld of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer moet worden aangenomen en dus bescherming moet worden geboden.
16. De rechtbank acht het uiterst onwenselijk dat de omstandigheid welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bepalend kan zijn voor het verkrijgen van bescherming op grond van artikel 15c Kri. Dit druist immers in tegen de kern en doelstelling van het GEAS. Het kan niet zo zijn dat lidstaten gebonden zijn aan hetzelfde Unierechtelijke toetsingskader, maar dit zodanig verschillend toepassen dat dit leidt tot rechtsongelijkheid en in zekere zin tot willekeur. Het GEAS en het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hoeksteen van het GEAS, beoogt nu juist een vergaande harmonisatie van regelgeving. De lidstaten dienen deze geharmoniseerde regelgeving dan ook eensgezind en gelijkluidend toe te passen in hun nationale rechtspraktijk.
Een verschillende uitleg van artikel 15 Kri die bepalend is of een lidstaat subsidiaire bescherming op grond van artikel 15 Kri verleent, veroorzaakt bovendien secundaire migratie.
Nu volgens vaste jurisprudentie van het Hof het Unierecht niet alleen een vergaande harmonisatie van regelgeving behelst, maar mede zogenoemde secundaire migratiestromen beoogt te voorkomen, is het noodzakelijk dat het Hof, in aanvulling op haar uitspraken in de zaken Elgafaji10., Diakité11.en CF/DN12.nadere duiding geeft over het Unierechtelijke begrip “ernstige schade” en de wijze van beoordelen hiervan.
Nu blijkt van divergentie in de nationale rechtspraktijk en van divergentie in de lidstaten van de Unie verzoekt de rechtbank het Hof dan ook om nadere uitleg door de prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden en om daarmee deze divergentie en daaruit volgende rechtsongelijkheid weg te nemen
17. De rechtbank zal bij het doen van de einduitspraak gemotiveerd ingaan op de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling van de relazen. Bij deze tussenuitspraak gaat de rechtbank -in ieder geval- uit van het relaas van eiser voor zover hij heeft verklaard over zijn werkzaamheden. De rechtbank gaat er ook van uit dat eiser éénmaal is beschoten en hij daarbij in zijn hoofd is geraakt. De rechtbank overweegt voorts dat de beschrijving van eisers over het geweldsniveau in Libië en de leefomstandigheden in Tripoli niet is betwist door verweerder en overigens past bij het beeld zoals dat uit algemene landeninformatie ten tijde van vertrek van eisers uit Tripoli en ook ten tijde van deze verwijzingsuitspraak blijkt. De rechtbank overweegt reeds nu dat uit het relaas van eiser onvoldoende is gebleken dat sprake is van een politieke overtuiging als vervolgingsgrond. De beoordeling van artikel 15a Kri is geen geschilpunt in deze procedure.
Juridisch kader
18. Artikel 2, onder f, Kri bepaalt het navolgende:
f) „persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;
19. De rechtbank stelt vast dat deze definitie niet differentieert naar gelang de verschijningsvorm van ernstige schade onder artikel 15a Kri, artikel 15b Kri of artikel 15c Kri moet worden geschaard, maar relateert het in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming aan het reële risico op ernstige schade als omschreven in artikel 15 Kri bij terugkeer.
20. Artikel 4, lid 3, Kri bepaalt -onder meer- het navolgende:
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a. a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst (…)
(…)
c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
(…)
21. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling, die de wijze regelt waarop verzoeken om internationale bescherming moet worden beoordeeld, ook geen onderscheid maakt in de wijze van beoordelen van ernstig schade naar gelang de verschijningsvorm van ernstige schade onder artikel 15a Kri, artikel 15b Kri of artikel 15c Kri moet worden geschaard. Uit deze bepaling volgt dat alle relevante elementen moeten worden onderzocht en beoordeeld als een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan. Deze bepaling veronderstelt daarmee een integrale beoordeling van alle door de verzoeker aangedragen elementen om de beschermingsbehoefte vast te stellen, ongeacht of wordt gevreesd voor vervolging of ernstige schade en ongeacht de (latere) kwalificatie van de verschijningsvorm van ernstige schade.
22. Artikel 15 Kri bepaalt het navolgende:
Ernstige schade bestaat uit:
a. a) de doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
23. De rechtbank wijst er op dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van artikel 15 Kri identieke bewoordingen heeft gebruikt om “ernstige schade” te duiden.13.
24. De bewoordingen van artikel 15 Kri lijken er door het gebruik van het woord “of” (in de Engelse versie “or” , in de Franse versie “ou” en in de Duitse versie “oder” ) te veronderstellen dat steeds sprake is van duidelijk afgebakende verschijningsvormen van “ernstige schade” en ernstige schade in ieder geval dient te worden gekwalificeerd als één van deze verschijningsvormen.
25. De rechtbank merkt op dat voor het onderzoeken of sprake is van binnenlandse bescherming in artikel 8, lid 2, Kri is bepaald dat bij de beoordeling of een verzoeker (…) een reëel risico op ernstige schade loopt (…), de lidstaten bij hun beslissing over het verzoek rekening met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker (…).
Bij het beoordelen of sprake is binnenlandse bescherming lijkt aldus een integrale beoordeling van alle elementen verricht te moeten worden, ongeacht voor welke verschijningsvorm van ernstige schade wordt gevreesd en waarvoor mogelijk elders bescherming kan worden gevonden.
26. Artikel 18 Kri bepaalt dat de lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus verlenen aan een verzoeker die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Bij het verlenen van de subsidiaire beschermingsstatus is het derhalve niet relevant op grond van welke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade dit plaatsvindt. De verplichtingen en rechten die zijn verbonden aan het verlenen en verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus verschillen niet naar gelang de oorzaak van ernstige schade onder artikel 15a Kri, artikel 15b Kri of artikel 15c Kri moet worden geschaard.
27. De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van bovengenoemde bepalingen niet eenduidig volgt of artikel 15b Kri en artikel 15c Kri integraal en in onderlinge samenhang, dan wel strikt gescheiden beoordeeld dienen te worden en of er een strikt gescheiden beoordeling moet plaatsvinden van vrees voor ernstige schade die is gebaseerd op individuele omstandigheden óf op algemene omstandigheden.
28. De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van het Hof af, dat het Hof in ieder geval aanneemt dat sprake kan zijn van individuele en persoonlijke omstandigheden die betrokken dienen te worden bij de beoordeling van artikel 15c Kri en dat het Hof ook aanneemt dat sprake is van een zogenoemde glijdende schaal bij de beoordeling van het geweldsniveau dat is vereist voor het verkrijgen van bescherming op grond van 15c Kri indien er tevens sprake is van bepaalde individuele kenmerken.
29. Het Hof heeft in haar jurisprudentie onder meer de navolgende uitleg verschaft over de duiding van artikel 15 Kri:
30. In de uitspraak van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji tegen Nederland14.heeft het Hof onder meer het navolgende overwogen:
(…)
28 Het in artikel 3 EVRM verankerde grondrecht maakt deel uit van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht waarvan het Hof de naleving waarborgt. Bovendien wordt bij de uitlegging van de draagwijdte van dit recht in de communautaire rechtsorde rekening gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het is echter artikel 15, sub b, van de richtlijn dat in wezen overeenstemt met voormeld artikel 3. Artikel 15, sub c, van de richtlijn is daarentegen een bepaling waarvan de inhoud verschilt van die van artikel 3 EVRM en waarvan de uitlegging dan ook autonoom moet geschieden, maar met eerbiediging van de grondrechten zoals deze door het EVRM worden gewaarborgd.
(…)
32 De in artikel 15, sub a en b, van de richtlijn gebruikte termen „doodstraf”, „executie” en „foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker”, hebben betrekking op situaties waarin degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, specifiek wordt blootgesteld aan het risico op een bepaald soort schade.
33 De in artikel 15, sub c, van de richtlijn gedefinieerde schade, namelijk een „ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon” van de verzoeker, heeft daarentegen betrekking op een algemener risico op schade.
34 Er wordt immers ruimer gedoeld op een „bedreiging van het leven of de persoon” van een burger, en niet op bepaalde gewelddadigheden. Die bedreiging is bovendien inherent aan een algemene situatie van een „internationaal of binnenlands gewapend conflict”. Tot slot is het geweld dat de oorzaak is van die bedreiging, „willekeurig”. Dit houdt in dat het geweld gericht kan zijn tot personen ongeacht hun persoonlijke omstandigheden.
(…)
38 De uitzonderlijkheid van die situatie wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat de bedoelde bescherming subsidiair is en door de opzet van artikel 15 van de richtlijn, voor zover de in dat artikel sub a en sub b bedoelde schade een duidelijke mate van individualisering veronderstelt. Hoewel collectieve elementen stellig een belangrijke rol spelen bij de toepassing van artikel 15, sub c, van de richtlijn, in die zin dat de betrokkene evenals andere personen behoort tot een groep mogelijke slachtoffers van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, moet die bepaling niettemin systematisch worden uitgelegd in verhouding tot de twee andere in artikel 15 bedoelde situaties en moet die individualisering dan ook nauw bij die uitlegging worden betrokken.
39 Hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
40 Bovendien kan bij de in artikel 4, lid 3, van de richtlijn bedoelde individuele beoordeling van een verzoek om subsidiaire bescherming met name rekening worden gehouden met:
– de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld en met de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker wanneer hij naar het betrokken land terugkeert, zoals uit artikel 8, lid 1, van de richtlijn blijkt, en
– in voorkomend geval het bestaan van een duidelijke aanwijzing dat er een reëel risico is, zoals die welke in artikel 4, lid 4, van de richtlijn is vermeld; indien deze aanwijzing er is, kan de mate van willekeurig geweld die vereist is om voor subsidiaire bescherming in aanmerking te komen, lager zijn.
(…)
44 Tot slot is de uit de voorgaande punten voortvloeiende uitlegging van artikel 15, sub c, van de richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, daarvan, volledig verenigbaar met het EVRM, daaronder begrepen de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake artikel 3 EVRM (zie met name arrest NA/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, §§ 115‑117 en aangehaalde rechtspraak).
(…)
31. In de uitspraak van 30 januari 2014 in de zaak Aboubacar Diakité tegen
Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen15.heeft het Hof onder meer het navolgende overwogen:
(…)
29 In dit verband moet worden vastgesteld dat terwijl in het voorstel van de Commissie dat tot de vaststelling van de richtlijn heeft geleid [COM(2001) 510 definitief], de definitie van ernstige schade in artikel 15, sub c, van de richtlijn bepaalde dat bedreigingen van het leven, de veiligheid of de vrijheid van degene die om bescherming verzoekt, zich konden voordoen in het kader van een gewapend conflict of van stelselmatige of algemene schendingen van hun mensenrechten, de Uniewetgever uiteindelijk heeft besloten alleen vast te houden aan het geval van ernstige en individuele bedreigingen van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
30 Voorts dient in herinnering te worden gebracht dat het bestaan van een binnenlands gewapend conflict slechts kan leiden tot toekenning van de subsidiaire bescherming voor zover de confrontaties tussen de reguliere strijdkrachten van een staat en een of meer gewapende groeperingen of tussen twee of meer gewapende groeperingen bij wijze van uitzondering worden geacht een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van de aanvrager van de subsidiaire bescherming, in de zin van artikel 15, sub c, van de richtlijn, teweeg te brengen, omdat de mate van willekeurig geweld waardoor die confrontaties worden gekenmerkt, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen (zie in die zin arrest Elgafaji, reeds aangehaald, punt 43).
31 In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (arrest Elgafaji, reeds aangehaald, punt 39).
32 In die context hoeft bij het onderzoek van een verzoek om subsidiaire bescherming niet meer specifiek te worden beoordeeld hoe intens de confrontaties zijn teneinde, los van de beoordeling van de mate van geweld die eruit voortvloeit, te bepalen of is voldaan aan de voorwaarde dat er een gewapend conflict bestaat.
33 Bovendien blijkt uit de punten 5, 6 en 24 van de considerans van de richtlijn dat de minimumcriteria voor toekenning van de subsidiaire bescherming een aanvulling moeten kunnen vormen op de vluchtelingenbescherming die is vastgelegd in het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, door te bepalen welke personen werkelijk internationale bescherming behoeven en door hun een passende status verlenen.
32. In de uitspraak van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN tegen Bundesrepublik Deutschland16.heeft het Hof onder meer het navolgende overwogen:
(…)
15 Ondanks de verduidelijkingen in zijn arrest van 17 februari 2009, Elgafaji (C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 35), heeft het Hof zich namelijk nog niet uitgesproken over de criteria aan de hand waarvan moet worden bepaald bij welk geweldsniveau er sprake is van een ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Bovendien is de rechtspraak van de andere rechterlijke instanties op dit gebied niet uniform. In sommige uitspraken wordt overgegaan tot een globale beoordeling op basis van alle omstandigheden van het individuele geval, terwijl in andere uitspraken de analyse voornamelijk is gebaseerd op het aantal burgerslachtoffers.
(…)
23 In dit verband blijkt uit artikel 18 van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met de definitie van „persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt” in artikel 2, onder f), van deze richtlijn en de definitie van „subsidiaire beschermingsstatus” in artikel 2, onder g), ervan, dat de daarin bedoelde subsidiaire beschermingsstatus in beginsel moet worden verleend aan elke derdelander of staatloze die, indien hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij gewoonlijk verbleef, een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15 van deze richtlijn (zie arrest van 23 mei 2019, Bilali, C‑720/17, EU:C:2019:448, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(…)
25 Artikel 15 van richtlijn 2011/95 kent drie soorten „ernstige schade” die door hun kenmerken tot gevolg kunnen hebben dat aan personen die deze schade lijden subsidiaire bescherming wordt verleend. Wat betreft de gronden onder a), te weten „doodstraf of executie”, en onder b), te weten het gevaar van „foltering of onmenselijke behandeling”, heeft deze „ernstige schade” betrekking op situaties waarin degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, specifiek wordt blootgesteld aan het risico op een bepaald soort schade (arrest van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 32).
26 Zoals het Hof heeft gepreciseerd, heeft de in artikel 15, onder c), van deze richtlijn gedefinieerde schade, bestaande in een „ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon” van de verzoeker, daarentegen betrekking op een „algemener” risico op schade dan de risico’s die onder a) en b) van dat artikel worden genoemd. Zo wordt hier in ruimere zin gedoeld op een „bedreiging van het leven of de persoon” van een burger, en niet op bepaalde gewelddadigheden. Bovendien is deze bedreiging inherent aan een algemene situatie van gewapend conflict die tot „willekeurig geweld” leidt, hetgeen inhoudt dat het geweld gericht kan zijn tegen personen ongeacht hun persoonlijke situatie (arrest van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punten 33 en 34).
27 Met andere woorden, en zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de vaststelling dat er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, is niet afhankelijk van de voorwaarde dat de persoon die om subsidiaire bescherming verzoekt, aantoont dat hij specifiek wordt getroffen op grond van elementen die eigen zijn aan zijn persoonlijke situatie.
(…)
34 Een dergelijke benadering zou immers in de eerste plaats indruisen tegen de doelstellingen van richtlijn 2011/95, die ertoe strekken eenieder die subsidiaire bescherming behoeft, die bescherming te verlenen. Zoals blijkt uit de overwegingen 6 en 12 van deze richtlijn is het hoofddoel ervan met name ervoor te zorgen dat alle lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk internationale bescherming behoeven, door hun een passende status te verlenen.
35 De systematische toepassing door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van één enkel kwantitatief criterium – waarvan de betrouwbaarheid twijfelachtig kan zijn, gezien de concrete moeilijkheid om in de buurt van gebieden waar een gewapend conflict heerst objectieve en onafhankelijke informatiebronnen te vinden met betrekking tot bijvoorbeeld het minimumaantal gewonde of overleden burgerslachtoffers ‐ om de verlening van subsidiaire bescherming te weigeren, kan ertoe leiden dat de nationale autoriteiten in strijd met de op de lidstaten rustende verplichting tot identificatie van personen die werkelijk subsidiaire bescherming behoeven, weigeren internationale bescherming te verlenen.
36 In de tweede plaats zou een dergelijke uitlegging verzoekers om internationale bescherming ertoe kunnen aanzetten naar lidstaten te reizen die geen, of een lagere, drempel van een bepaald aantal reeds gevallen slachtoffers hanteren, hetgeen een praktijk van forum shopping, gericht op het omzeilen van de regels van richtlijn 2011/95, in de hand zou kunnen werken. Er zij evenwel aan herinnerd dat, zoals in overweging 13 van die richtlijn wordt gesteld, „[d]e onderlinge aanpassing van bepalingen inzake de erkenning en de inhoud van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming [...] ertoe bij [dient] te dragen de secundaire migratie van personen die om internationale bescherming verzoeken tussen de lidstaten te beperken”, voor zover deze migratie louter door verschillen in de wetgevingen wordt veroorzaakt.
(…)
39 Voor de beantwoording van deze vraag moet om te beginnen worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, het begrip „ernstige en individuele bedreiging” tegen het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, ruim moet worden uitgelegd.
40 Om te bepalen of er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, moeten dan ook alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name die welke de situatie in het land van herkomst van de verzoeker kenmerken, globaal in aanmerking worden genomen.
41 Met betrekking tot een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op grond van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, vloeit uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn immers voort dat een dergelijk verzoek, ook al wordt daarin geen melding gemaakt van elementen die eigen zijn aan de situatie van de verzoeker, individueel moet worden beoordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met een reeks van elementen.
42 Tot die elementen behoren met name volgens artikel 4, lid 3, onder a), van deze richtlijn „alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen”.
43 Meer in het bijzonder kan, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 56 en 59 van zijn conclusie, ook rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, als elementen die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 (zie in die zin arrest van 30 januari 2014, Diakité, C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 35), alsook met andere elementen, zoals de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker in geval van terugzending naar het betrokken land of gebied en het eventueel opzettelijke geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend tegen burgers.
45 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, om uit te maken of er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van deze bepaling, alle omstandigheden van het concrete geval, met name die welke kenmerkend zijn voor de situatie in het land van herkomst van de verzoeker, globaal in aanmerking moeten worden genomen.
33. De rechtbank merkt allereerst op dat het Hof in punt 24 van haar uitspraak in de zaak CF/DN heeft overwogen dat de bewoordingen van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 volstrekt identiek aan die van artikel 15, onder c), van richtlijn 2004/83 zijn, zodat de rechtspraak inzake deze tweede bepaling relevant is voor de uitlegging van de eerste. De rechtbank wijst er in dit verband tevens op dat artikel 2, onder f, van richtlijn 2011/95 gelijkluidend is aan artikel 2, onder e, van richtlijn 2004/83.
34. De rechtbank neemt deze drie uitspraken van het Hof, zoals reeds bij het verzoek om voeging is aangegeven, als uitgangspunt bij het formuleren van de rechtsvragen die in deze procedure aan de orde zijn en bij het verzoeken om nadere uitleg van het Hof over artikel 15 Kri.
35. De rechtbank overweegt voorts dat aan deze verwijzingsuitspraak ook de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk17.en Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk18.ten grondslag liggen.
Integrale beoordeling van alle relevante elementen ter staving van het verzoek om subsidiaire bescherming of strikt gescheiden beoordeling artikel 15b Kri en artikel 15c Kri?
36. Het relaas van een verzoeker om internationale bescherming dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de situatie in zijn land van herkomst. Dit werpt de vraag op in hoeverre “willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict” betrokken dient te worden bij de beoordeling van vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15b Kri. Tegelijkertijd volgt uit de jurisprudentie van het Hof dat sprake kan zijn van individuele omstandigheden die betrokken dienen te worden bij de beoordeling of sprake is van een zogenaamde 15c-situatie.
37. Tot nu toe zijn enkel vragen aan het Hof voorgelegd over de uitleg van een afzonderlijke verschijningsvorm van ernstige schade en de wijze van beoordelen of bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op die specifieke verschijningsvorm van ernstige schade bestaat. De rechtbank ziet in de doelstelling van de subsidiaire beschermingsregeling, in de bewoordingen van de Kri en in de jurisprudentie van het Hof aanwijzingen dat elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, en elementen die betrekking hebben op de algemene situatie in het land van herkomst, voor hetzelfde verzoek om bescherming bij meerdere verschijningsvormen van ernstige schade relevant kunnen zijn. Dit leidt tot de vraag waarom bij de beoordeling of een verzoeker in aanmerking moet worden gebracht voor subsidiaire bescherming, het Unierecht zo zou moeten worden uitgelegd dat bij het beoordelen van de elementen die een verzoeker aandraagt om zijn beschermingsbehoefte te onderbouwen allereerst “een keuze” moet worden gemaakt of deze elementen worden beoordeeld in het kader van artikel 15b Kri óf in kader van artikel 15c Kri.
38. Indien de beschermingsbehoefte als aanvulling op de bescherming die aan het Vluchtelingenverdrag kan worden ontleend als uitgangspunt wordt genomen, ligt veeleer voor de hand dat éérst alle relevante elementen worden verzameld, onderzocht en in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Indien hieruit zwaarwegende gronden blijken om aan te nemen dat bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade bestaat, dient, ongeacht ten aanzien voor welke verschijningsvorm van ernstige schade wordt gevreesd, de subsidiaire beschermingsstatus te worden verleend. Door vóórafgaand aan het verzamelen, onderzoeken en beoordelen van alle relevante elementen het juridische kader van ófwel artikel 15b Kri, ófwel artikel 15c Kri als uitgangspunt te benoemen en te toetsen of de elementen deze specifieke verschijningsvorm onderbouwen, is niet ondenkbaar dat een leemte in de te bieden bescherming ontstaat. Een strikte gescheiden beoordeling waarbij eerst wordt bepaald welke verschijningsvorm van ernstige schade wordt gevreesd, brengt dan immers mee dat sommige elementen terzijde zullen worden gelegd bij de beoordeling van artikel 15b Kri en andere elementen terzijde worden gelegd bij de beoordeling van de vrees voor artikel 15c Kri. Door aldus te onderzoeken of subsidiaire bescherming moet worden verleend vindt, indien de verzoeker relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, aandraagt nimmer een volledige en integrale beoordeling van alle aangedragen elementen plaats. Door niet steeds alle elementen tegelijkertijd in ogenschouw te nemen ontstaat dus een onvolledig beeld van de argumenten waarmee een verzoeker zijn verzoek om (subsidiaire) bescherming onderbouwt.
39. In het onderhavige hoofdgeding betekent een strikt gescheiden beoordeling van het risico op de verschillende verschijningsvormen van ernstige schade dat de beschieting waarbij eiser in zijn hoofd is geraakt niet tot bescherming op grond van artikel 15b Kri zal leiden als verweerder mag eisen dat eiser kan onderbouwen dat er gericht op hem is geschoten en wat hier de beweegredenen voor zijn geweest. Het is echter niet waarschijnlijk dat, gelet op de aard van de geweldsuitoefening en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, de dader zichzelf en zijn motieven voor de geweldsuitoefening bekend zal maken aan eiser. De rechtbank overweegt dat een strikt gescheiden beoordeling van de verschillende verschijningsvormen van ernstige schade de bewijsdrempel om te onderbouwen dat sprake is van een persoonlijk viseren zodanig hoog maakt dat het nagenoeg onmogelijk zal zijn om in een land waar vele strijdende partijen in een gewapend conflict verwikkeld zijn aanspraken op bescherming op grond van artikel 15b Kri te onderbouwen. Ook betekent het strikt gescheiden beoordelen van een vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15b dat de elementen die betrekking hebben op het algehele geweldsniveau buiten beschouwing worden gelaten. Het is dan niet relevant of een persoonlijk viseren plaatsvindt in een overigens vreedzame samenleving of in een samenleving waar sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De behoefte aan bescherming wordt dan immers louter beoordeeld aan de hand van individuele omstandigheden.
40. Tegelijkertijd heeft te gelden dat het algehele geweldsniveau in Libië de laatste jaren enigszins lijkt te zijn afgenomen. De drempel die het Hof, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM, vereist voor de ernst van het geweldsniveau om op zichzelf te leiden tot subsidiaire bescherming is zeer hoog. Het moet immers gaan om “the most extreme cases of general violence”. In de onderhavige procedure zou dit, indien de rechtbank een strikt gescheiden beoordeling van dit algemene veiligheidsniveau zou moeten maken op het moment van deze verwijzingsuitspraak, wellicht tot de conclusie leiden dat de drempel van artikel 15c Kri niet wordt gehaald omdat niet iedere burger exact hetzelfde uitzonderlijk hoge reële risico loopt om slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Bij een dergelijke strikt gescheiden beoordeling dienen persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing te worden gelaten. Eiser is evenwel beschoten en stelt dat dit te maken heeft met zijn werkzaamheden en heeft daarbij gewezen op (landen)informatie waaruit blijkt dat zijn persoonlijke omstandigheden een groter risico meebrengen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
41. De rechtbank sluit gelet op het bovenstaande niet uit dat indien de rechtbank artikel 15b Kri en artikel 15c Kri strikt gescheiden dient te beoordelen, de procedure in het hoofdgeding anders eindigt dan wanneer de rechtbank -na uitleg door het Hof van het Unierecht en meer in het bijzonder van de (strekking van de) subsidiaire beschermingsregeling - gehouden is een integrale beoordeling van alle relevante elementen die het risico op ernstige schade onderbouwen te maken en de vraag of verzoekers daadwerkelijk bescherming nodig hebben als uitgangspunt neemt. Indien eisers elke specifieke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade strikt gescheiden moeten onderbouwen, brengt dit immers mee dat afhankelijk van de verschijningsvorm eerst wordt bepaald en geselecteerd welke elementen bij de beoordeling worden betrokken en welke elementen buiten beschouwing worden gelaten. Het is de vraag of de beslisautoriteit op deze wijze grondig kan onderzoeken en beoordelen of eisers daadwerkelijk bescherming behoeven omdat er geen volledig beeld van alle aangedragen elementen wordt gevormd bij de beoordeling van de specifieke verschijningsvorm van ernstige schade.
42. Indien het Hof de eerste vraag van de rechtbank aldus beantwoordt dat éérst alle relevante elementen dienen te worden verzameld, onderzocht en in onderlinge samenhang dienen te worden beoordeeld en pas indien de beschermingsbehoefte daaruit is gebleken, moet kwalificeren welke verschijningsvorm tot statusverlening leidt, zal naar het oordeel van de rechtbank grondiger kunnen worden onderzocht en beoordeeld of eisers daadwerkelijk behoefte aan bescherming hebben. Door deze uitleg van de subsidiaire beschermingsregeling en de beoordeling van een verzoek om subsidiaire bescherming, zal het absolute verbod op refoulement ten volle worden geëerbiedigd.
43. De rechtbank overweegt dat een uitleg van artikel 15 Kri, waarbij eerst wordt benoemd welke specifieke verschijningsvorm van ernstige schade het beoordelingskader bepaalt, voordat alle relevante elementen worden verzameld, onderzocht en beoordeeld, op gespannen voet staat met het uitgangspunt dat de subsidiaire beschermingsregeling een aanvulling moet vormen op de bescherming die het Vluchtelingenverdrag biedt en daarmee tezamen voorzien in een volledige beschermingsregeling.
44. De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op artikel 18 Kri, aan een ieder ten aanzien van wie zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert een reëel risico zou lopen op ernstige schade, dezelfde subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend. De verschijningsvorm van ernstige schade die wordt gevreesd is daarmee niet relevant voor de status. Immers, ongeacht of op grond van vrees voor artikel 15a Kri, artikel 15b Kri of artikel 15c Kri wordt geconcludeerd dat sprake is van een beschermingsbehoefte, wordt dezelfde status verleend waaruit dezelfde rechten en verplichtingen voor zowel de lidstaat als de statushouder voortvloeien. Voor een verzoeker zal het op het moment van statusverlening bovendien weinig relevant zijn op grond van welke concrete subsidiaire beschermingsbepaling hij zal worden beschermd en niet hoeft terug te keren naar de situatie die hij is ontvlucht en/of vreest.
45. De rechtbank concludeert, gelet op het bovenstaande, dat er geen enkele noodzaak lijkt te bestaan om een strikt gescheiden beoordeling te maken van artikel 15a Kri, artikel 15b Kri en artikel 15c Kri. Het desondanks strikt gescheiden beoordelen van specifieke verschijningsvormen van ernstige schade bij de beoordeling van de beschermingsbehoefte kan evenwel met zich kan brengen dat er een leemte ontstaat in de door de subsidiaire beschermingsregeling geboden bescherming. Een strikt gescheiden beoordeling van de vrees voor een specifieke verschijningsvorm van ernstige schade is een niet volledige en integrale beoordeling van alle relevante elementen die een verzoeker aandraagt. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid dat niet steeds ten volle wordt onderkend welke verzoeker daadwerkelijk bescherming behoeft, terwijl het verbod op refoulement absoluut is en iedere verzoeker aan het Unierecht de garantie ontleent dat dit verbod te allen tijde wordt geëerbiedigd.
46. De rechtbank wijst er overigens op dat een verzoeker om internationale bescherming bij het aandragen van relevante elementen niet zelf hoeft te duiden of hij in aanmerking meent te komen voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. De verzoeker is overeenkomstig artikel 4, lid 1, Kri gehouden alle relevante elementen naar voren te brengen en zo veel mogelijk te onderbouwen. De beslisautoriteit is vervolgens gehouden om met inachtneming van zijn samenwerkingsplicht al deze elementen grondig te onderzoeken en te beoordelen en eerst daarna, indien het verzoek wordt ingewilligd, te duiden op grond van welke grondslag dit geschiedt en welke status wordt verleend.
Zeker nu de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wel een verschillend regime kennen, zoals bijvoorbeeld een ander toetsingskader bij intrekking en beëindiging van de status, valt niet goed in te zien waarom bij het beoordelen of subsidiaire bescherming moet worden verleend, wel éérst de verschijningsvorm van ernstige schade en daarmee het beoordelingskader, moet worden bepaald alvorens alle aangedragen elementen te onderzoeken en te beoordelen. De Uniewetgever het kennelijk niet van belang geacht om de subsidiaire beschermingsstatus te relateren aan de specifieke verschijningsvorm van ernstige schade waartegen bescherming moet worden geboden. Bij het vaststellen van rechten en plichten voor de statusverlenende lidstaat en voor de statushouder is immers enkel een onderscheid gemaakt tussen de primaire en de subsidiaire beschermingsstatus.
47. De rechtbank overweegt dat artikel 3 EVRM het risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15a Kri, artikel 15b Kri en artikel 15c Kri omvat. Het EHRM verricht bij de beoordeling of uitzetting verboden moet worden op grond van artikel 3 EVRM steeds een integrale beoordeling van alle elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, als op de algemene situatie in het gebied van terugkeer. Ook bij het beoordelen of een binnenlands vestigingsalternatief terugkeer naar het land van herkomst mogelijk maakt, neemt het EHRM al deze factoren in ogenschouw. Artikel 52, lid 3, Handvest bepaalt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd Verdrag aan worden toegekend. Indien een strikt gescheiden beoordeling van artikel 15b Kri en artikel 15c Kri een leemte in de te bieden subsidiaire bescherming met zich kan brengen, zou het -om dit te voorkomen- toepassing geven aan de subsidiaire beschermingsregeling op een verglijkbare wijze als waarop het EHRM een dreigende schending van artikel 3 EVRM onderzoekt en beoordeelt, gelet op artikelen, 1, 4 en 19 Handvest, voor de hand liggen.
48. Zoals hiervoor overwogen kan een strikt gescheiden beoordeling van de verschillende verschijningsvormen van ernstige schade in het onderhavige hoofdgeding leiden tot de vaststelling dat het onderworpen zijn geweest aan vuurwapengeweld waarbij zich, gelet op de plaats van de verwonding, een aanzienlijk risico heeft voorgedaan op het intreden van de dood, in een herkomstgebied waar een hoog niveau van wijdverbreid willekeurig geweld plaatsvindt met meerdere strijdende partijen desondanks niet leidt tot het verkrijgen van bescherming.
49. De rechtbank wil het Hof dan ook, indachtig de strekking van de subsidiaire beschermingsregeling en indachtig het absolute verbod op refoulement, in overweging geven om artikel 15 Kri aldus uit te leggen dat steeds een integrale beoordeling is vereist van alle relevante elementen bij het grondig onderzoeken en beoordelen of behoefte aan bescherming bestaat alvorens te duiden welke verschijningsvorm van ernstige schade zich mogelijk bij terugkeer zal verwezenlijken en in welk kader de aangedragen elementen dus worden beoordeeld.
Indien het Hof deze uitleg van de rechtbank deelt, is beantwoording van de vraag of de beoordeling van individuele en persoonlijke elementen bij artikel 15c Kri meeromvattender is dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste niet langer nodig. In dat geval dienen dan immers steeds alle relevante elementen in onderlinge samenhang beoordeeld te worden indien een verzoek om internationale bescherming wordt gedaan en de verzoeker niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus. In dat geval wordt tevens verduidelijkt dat elk niveau van algemeen geweld dient te worden betrokken bij de beoordeling of er een beschermingsbehoefte is en de zogenoemde glijdende schaal steeds moet worden toegepast, dus zowel bij de beoordeling van de vrees voor ernstige schade op grond van artikel 15b Kri als bij de beoordeling van de vrees voor ernstige schade op grond van artikel 15c Kri. De rechtbank wenst in dat geval enkel nadere uitleg in hoeverre humanitaire omstandigheden die een (in)direct gevolg zijn van een handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade en/of een onverschillige houding ten aanzien van deze gevolgen van willekeurig geweld moeten worden betrokken bij het boordelen van een verzoek om (subsidiaire) bescherming.
50. De rechtbank realiseert zich dat het Hof in haar jurisprudentie nimmer, voor zover de rechtbank kan nagaan, expliciet heeft uitgelegd dat de werkingssfeer van de subsidiaire beschermingsregeling een integrale beoordeling van alle elementen voor alle verschijningsvormen van ernstige schade vereist in het licht van de uitdrukkelijke doelstelling van deze richtlijn om internationale bescherming te bieden aan de personen die deze bescherming daadwerkelijk werkelijk behoeven. De rechtbank overweegt hierbij echter dat het Hof volgens haar bestendige jurisprudentie uitsluitend de vragen die door nationale rechters daadwerkelijk worden gesteld kan beantwoorden. De rechtbank ziet in de hiervoor weergegeven jurisprudentie van het Hof met betrekking tot de uitleg van artikel 15c Kri dan ook geen aanleiding om af te zien van het in overweging geven aan het Hof om de eerste prejudiciële vraag te beantwoorden op de door de rechtbank voorgestane wijze.
51. Voor zover het Hof de door de rechtbank voorgestane uitlegt niet deelt maar preciseert dat de subsidiaire beschermingsregel een strikt gescheiden beoordeling vereist van artikel 15a Kri, artikel 15b Kri en artikel 15c Kri, wenst de rechtbank de navolgende vragen aan het Hof voor te leggen.
Op welke wijze dienen elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden te worden betrokken bij artikel 15c Kri en in hoeverre dient de algemene situatie in het land van herkomst te worden betrokken bij artikel 15b Kri?
52. Het Hof heeft in Elgafaji gewezen op de opzet van artikel 15 Kri en heeft er daarbij op gewezen dat de in artikel 15a Kri en 15b Kri bedoelde schade een duidelijke mate van individualisering veronderstelt, maar artikel 15 Kri systematisch moet worden uitgelegd in verhouding tot deze twee andere in artikel 15 bedoelde situaties en die individualisering dan ook nauw bij die uitlegging moet worden betrokken. Een sinds het arrest Elgafaji steevast terugkerende rechtsvraag in de nationale rechtspraktijk is de vraag op welke wijze individuele kenmerken en persoonlijke omstandigheden van een verzoeker bij de beoordeling van artikel 15c Kri dienen te worden betrokken. De rechtbank doelt hiermee op de vraag of deze beoordeling verderstrekkend is dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste en het enkele vaststellen dat een verzoeker afkomstig is uit en dient terug te keren naar een “een situatie van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict”.
53. Advocaat-Generaal [naam] verwondert zich in zijn conclusie in de zaak CF/DN19.kennelijk dat na de nadere precisering die het Hof reeds heeft gegeven over de uitleg van artikel 15c Kri, er desondanks nog steeds onduidelijkheid bestaat over de betekenis en reikwijdte van het arrest Elgafaji. De rechtbank overweegt dat het Hof in punt 39 van Elgafaji heeft overwogen dat hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
54. Desalniettemin bestaat hier in de nationale rechtspraktijk onduidelijkheid over en stelt de rechtbank vast dat sprake is van divergerende jurisprudentie tussen lagere rechters onderling en tussen lagere rechters en de hoogste rechter. Zo heeft de Afdeling in haar uitspraak van 18 december 201920.onder meer overwogen dat:
(…)
“De algemene veiligheidssituatie in een land van herkomst en de beoordeling van individuele asielrelazen: de bescherming van 15c
5. (…) Bij de beantwoording van de vraag of er in een bepaald land een 15c-situatie is, spelen individuele omstandigheden geen rol. Dat wil zeggen dat wat een vreemdeling persoonlijk is overkomen volgens zijn asielrelaas, dan wel tot welke sociale of religieuze groep hij behoort, bij de 15c-beoordeling geen betekenis heeft. Die beoordeling gaat namelijk alleen om de beantwoording van de vraag of de geweldssituatie in een land zo erg is dat iedere burger - dus los van zijn individuele omstandigheden, inclusief het behoren tot een bepaalde groep - die daarnaar terugkeert, alleen al daardoor een risico loopt slachtoffer van willekeurig geweld te worden. Dit betekent echter niet dat de geweldssituatie in een land van herkomst niet van invloed is op de beoordeling van een individueel asielrelaas en de vraag of een vreemdeling asielrechtelijke bescherming nodig heeft. Een asielrelaas van een vreemdeling behoort immers altijd te worden onderzocht, beoordeeld en getoetst tegen de achtergrond van de veiligheidssituatie in een bepaald land of een bepaald gebied (het arrest van het Hof van Justitie van 17 februari 2009, Elgafaji, ECLI:EU:C:2009:94). (…)
(…)
Beoordeling algemene veiligheidssituatie
6.2. Zoals volgt uit rechtsoverweging 5 hierboven, spelen individuele omstandigheden, dat wil zeggen wat een vreemdeling persoonlijk is overkomen volgens zijn asielrelaas, geen rol bij de beoordeling of er in Afghanistan een 15c-situatie is. Wel van belang is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling onder meer of de bij het gewapend conflict betrokken partijen zich richten tegen burgers, dan wel vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot. Ook is van belang of de geweldpleging wijdverspreid is en of het gewapend conflict al dan niet beperkt is tot bepaalde gebieden. Verder is van belang of er al dan niet een veiligheidsstructuur aanwezig is en hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld dan wel als gevolg daarvan ontheemd zijn geraakt (…)”
55. De Afdeling, die in tweede en laatste aanleg oordeelt over rechtsmiddelen tegen afwijzingen van een verzoek om internationale bescherming, heeft in latere jurisprudentie over artikel 15c Kri verwezen naar deze uitspraak21.. De verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag, die de gerechten in eerste aanleg zijn als verzoekers om internationale bescherming rechtsmiddelen aanwenden tegen afwijzende besluiten van de beslisautoriteit, divergeren in hun jurisprudentie op dit punt.
56. Uit de hiervoor genoemde conclusie van Advocaat-Generaal [naam]22.blijkt dat de Nederlandse regering zich ter zitting bij het Hof op het standpunt heeft gesteld dat louter objectieve en materiële omstandigheden van algemene aard in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van artikel 15c Kri, zonder rekening te houden met persoonlijke elementen van degene die om bescherming verzoekt.
57. De rechtbank verzoekt het Hof allereerst om expliciet te benoemen of de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een verzoeker om internationale bescherming wel of niet betrokken dienen te worden bij de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie. De rechtbank merkt hierbij op dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, in haar verwijzingsuitspraak ook heeft verzocht om een nadere bevestiging van deze eerdere uitleg van het Hof over de beoordeling van artikel 15c Kri23.. Indien het Hof, onder verwijzing naar haar eerdere jurisprudentie, aangeeft dat de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een verzoeker ook relevante elementen kunnen zijn bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri, wenst de rechtbank, gelet op de divergerende jurisprudentie in de nationale rechtspraktijk, te vernemen of deze beoordeling méér omvat dan de enkele vaststelling of de verzoeker afkomstig is en dient terug te keren naar het gebied waar “de geweldssituatie zo erg is dat iedere burger - dus los van zijn individuele omstandigheden, inclusief het behoren tot een bepaalde groep - die daarnaar terugkeert, alleen al daardoor een risico loopt slachtoffer van willekeurig geweld te worden”. De rechtbank wenst van het Hof aldus nader te vernemen op welke wijze “redenen die te maken hebben de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker”, zoals geduid in Elgafaji, dienen te worden betrokken bij de beoordeling van artikel 15c Kri. Indien het Hof, nader zal preciseren en bevestigen dat de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een verzoeker om internationale bescherming (wel) betrokken dienen te worden bij de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie, vraagt de rechtbank zich derhalve af of dit verderstrekkend is dan het individualiseringsvereiste zoals bedoeld in N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk en zoals wellicht bedoeld in punt 35 in het arrest Elgafaji. Meer in het bijzonder wenst de rechtbank te vernemen of andere individuele omstandigheden dan de enkele herkomst uit het gebied waar sprake is van “the most extreme cases of general violence” als relevant element ter staving van de vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri kunnen dienen.
58. De rechtbank realiseert zich dat het Hof geen uitputtende opsomming van individuele elementen die kunnen dienen ter staving van een vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri zal kunnen geven. De rechtbank vraagt het Hof desondanks artikel 15c Kri nader uit te leggen door te duiden welke aard persoonlijke omstandigheden als relevant moeten worden beschouwd.
59. Heeft het Hof in Elgafaji gedoeld op persoonsgebonden elementen die zien op capaciteiten van een verzoeker om risico’s op ernstige schade te onderkennen en/of zich hieraan te onttrekken en dus rechtstreeks verband houdt met het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld? De rechtbank denkt hierbij aan factoren zoals minderjarigheid, hoge leeftijd, fysieke beperkingen, psychische problematiek, beperkte begaafdheid etcetera.
In aanvulling hierop wenst te rechtbank te vernemen of ook niet-persoonsgebonden individuele omstandigheden, zoals bijvoorbeeld omstandigheden die verband houden met het dagelijks leven zoals de uitoefening van bepaalde beroepen en/of de locaties waar die beroepen worden uitgeoefend, dan wel het zich naar locaties moeten begeven voor basisvoorzieningen zoals de verkrijging van water, voedsel en medische voorzieningen, terwijl juist in en rondom die locaties een hoger risico bestaat om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, moeten worden betrokken bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri.
Het Hof heeft niet alleen in de uitspraak Elgafaji, maar ook in de uitspraak CF/DN nadere precisering gegeven over de elementen die moeten worden betrokken bij het beoordelen of sprake is van een 15c-situatie. Aan het Hof was -kort gezegd- de vraag voorgelegd of een nationale regeling die bepaalt dat enkel sprake kan zijn van een 15c-situatie indien er reeds een minimumaantal burgerslachtoffers (doden en gewonden) is gevallen verenigbaar is met het Unierecht. Het Hof is ook gevraagd of bij de beoordeling van 15c Kri ten volle rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het individuele geval.
60. De rechtbank vraagt het Hof, omdat dit niet kan worden afgeleid uit eerdere duiding van het Hof, uitdrukkelijk te verduidelijken of (geleden en/of gevreesde) psychische schade ten gevolge van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, indien onderbouwd met medische documenten, ook gekwalificeerd kan worden als “ernstige schade” die tot subsidiaire bescherming kan nopen of bij de beoordeling hiervan tenminste dient te worden betrokken.
Advocaat-Generaal [naam] lijkt in zijn conclusie in de zaak CF/DN24.bij een letterlijke uitlegging van artikel 15c Kri niet uit te sluiten dat, gelet op de bewoordingen individuele bedreiging van “het leven of de persoon” van de burger, deze vorm van ernstige schade ook psychische schade kan omvatten. Advocaat-Generaal [naam] heeft hierbij gewezen op de verschillende taalversies van de Kwalificatierichtlijn en aangegeven dat in de Spaanse versie onder artikel 15c Kri is opgenomen “ernstige en individuele bedreiging van het leven of de fysieke integriteit van een burger”. Temeer nu de taalversies -kennelijk- niet eensluidend zijn, verzoekt de rechtbank het Hof om uit te leggen of psychische schade een relevant element kan zijn bij de beoordeling van de vraag of subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c Kri moet worden geboden. Nu de taalversies divergeren is de veronderstelling dat het Unierecht eenduidig wordt uitgelegd en toegepast immers reeds hierom niet reëel en is een nadere en zo concreet mogelijke nadere precisering door het Hof geboden.
61. Eveneens divergeert de jurisprudentie ten aanzien van het bij de beoordeling van de vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri moeten betrekken van het risico op het onderworpen worden aan “strafrechtelijk geweld” voor zover dat een gevolg is van wetteloosheid die ontstaat in een situatie van willekeurig geweld. De rechtbank wijst hierbij tevens op het rapport van EASO25.waarin de jurisprudentie van beide Hoven en meerdere lidstaten wordt beschreven en ook persoonlijke omstandigheden worden genoemd die betrokken kunnen en zouden moeten worden bij de beoordeling of subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c Kri moet worden verleend26..
62. De rechtbank overweegt voorts dat bij de beoordeling of een verzoeker daadwerkelijk behoefte aan internationale bescherming heeft, de bewijsdrempel in een procedure niet zodanig hoog mag zijn dat een verzoeker zijn vrees voor ernstige schade niet kan onderbouwen.
63. In het hoofdgeding is het niet realistisch om te veronderstellen dat daders van een dergelijke beschieting zichzelf en hun beweegredenen om juist eiser te beschieten kenbaar zullen maken. Evenmin zal eiser in staat zijn om “te bewijzen” wie diegenen zijn die bedreigingen uiten als die bedreigingen telefonisch en niet schriftelijk of in het bijzijn van getuigen worden geuit. De bewijsdrempel voor eiser in het hoofdgeding om zijn vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri aannemelijk te maken is daarmee zodanig hoog dat eiser hieraan niet zal kunnen voldoen. Het aannemelijk maken dat sprake is van “the most extreme cases of general violence” is evenmin eenvoudig, gelet op de moeilijkheid voor een individuele verzoeker om betrouwbare, volledige en accurate actuele gegevens te verkrijgen uit een land dat jarenlang gebukt gaat onder ernstig geweld dat wordt veroorzaakt door vele en aan verandering onderhevige strijdende partijen, waarbij de grenzen van de gebieden van de strijd ook voortdurend verschuiven.
64. Gelet op de strekking en het doel van de subsidiaire beschermingsregeling, dient, naar het oordeel van de rechtbank, bij de uitleg van artikel 15 Kri ook in ogenschouw genomen te moeten worden in hoeverre een strikt gescheiden beoordeling de doorgaans toch al precaire bewijspositie van een verzoeker om internationale bescherming regardeert. Indien een verzoeker met de aangedragen elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15b Kri niet aannemelijk kan maken, is ook deze precaire bewijspositie, naar het oordeel van de rechtbank, een argument om deze individuele elementen steeds zoveel mogelijk ook te betrekken bij de vraag of deze elementen een vrees voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c wel kunnen staven en (mede) aannemelijk kunnen maken.
65. De rechtbank heeft reeds aangegeven dat sprake is van divergentie in de nationale rechtspraktijk tussen zowel rechtbanken onderling als tussen de Afdeling en (enkele) rechtbanken. De rechtbank is ook bekend met de omstandigheid dat gedurende enige tijd meerdere lidstaten de veiligheidssituatie in Libië wel aanmerkten als een situatie zoals bedoeld in artikel 15c Kri, terwijl sommige lidstaten geen subsidiaire bescherming verleenden. De rechtbank wijst hierbij op de omstandigheid dat Nederland, Noorwegen, Zweden en België in 2014 gezamenlijk een algemeen ambtsbericht over Libië hadden vervaardigd. Deze vier lidstaten hebben samen de feiten verzameld om vervolgens van deze feiten uit te gaan bij de beoordeling van de algehele veiligheidssituatie in Libië. Deze vier lidstaten hebben destijds, terwijl zij zijn gebonden aan hetzelfde Unierechtelijke juridische kader, op grond van hetzelfde en gezamenlijk vervaardigde ambtsbericht verschillende conclusies getrokken ten aanzien van de vraag of sprake was van een zogenaamde 15c-situatie27..
66. Hoewel lidstaten niet verplicht zijn een gezamenlijk zogenoemd 15c-beleid te voeren, is het minstgenomen opmerkelijk dat lidstaten bij eenzelfde juridisch toetsingskader tot verschillende feitelijke beoordelingen van de algehele veiligheidssituatie en juridische kwalificatie hiervan ten aanzien van dezelfde derdelanden komen.
Artikel 3 Kri staat lidstaten toe om ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstigere normen vast te stellen of te handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn. Het is de vraag of de betreffende lidstaten voor ogen hebben gehad om ten opzichte van de richtlijn gunstigere normen vast te stellen, of dat de lidstaten hebben gemeend beleid te voeren dat beantwoordt aan de in de Kri benoemde minimumnormen, maar desondanks tot verschillende uitkomsten zijn gekomen. Gelet op hetgeen het Hof in M’Bodj heeft overwogen28.is het bovendien de vraag of, indien ten aanzien van de beoordeling van 15c Kri in Libië door de lidstaten sprake is geweest van gunstigere normen, dit niet in strijd is met het doel en de strekking van de subsidiaire beschermingsregeling.
67. De rechtbank stelt vast dat lidstaten bij het verlenen van subsidiaire bescherming artikel 15c Kri niet eenduidig toepassen en bij de beoordeling van verzoeken om subsidiaire bescherming verschillende elementen in ogenschouw nemen. De rechtbank verwijst hierbij naar het rapport van de Europese Commissie waarin de toepassing van de Kwalificatierichtlijn in de lidstaten gedetailleerd wordt beschreven en wordt geëvalueerd29..
68. De rechtbank overweegt dat het relevant is of sprake is van verschillend beleid of van verschillende toepassing en duiding van het relevante Unierechtelijke toetsingskader. In beide situaties leidt dit daarnaast tot de onwenselijke gevolgen dat het voor de verzoeker mogelijk bepalend is in welke lidstaat hij zijn verzoek om bescherming indient en welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming. Lidstaten zijn niet gehouden tot het gezamenlijk vaststellen van de feitelijke situaties in derdelanden en tot het voeren van gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de algemene (veiligheids-)situatie. Door een nadere precisering van het Hof over de strekking van de subsidiaire beschermingsregeling en de daarop gebaseerde uitleg van de wijze waarop de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade dient plaats te vinden, zal tevens de bestaande divergentie voor zover sprake is van een verschillende toepassing van het Unierechtelijke toetsingskader afnemen en, indien het Hof de eerste prejudiciële vraag op de door de rechtbank voorgestane wijze zal beantwoorden, mogelijk verdwijnen.
69. Indien het Hof de subsidiaire beschermingsregel aldus uitlegt dat strikt gescheiden moet worden beoordeeld welke verschijningsvorm van ernstige schade door aangedragen elementen wordt onderbouwd, rijst ook de vraag hoe het algemene niveau van willekeurig geweld moet worden betrokken bij de beoordeling van artikel 15b Kri, indien uit de ernst van dit geweldsniveau niet reeds zelfstandig de beschermingsbehoefte blijkt.
70. Het EHRM heeft in het arrest in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk geduid wat moet worden verstaan onder de “most extreme cases of general violence”30..
De Afdeling heeft in haar einduitspraak in de zaak Elgafaji31.geoordeeld dat de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c Kri valt onder de ‘most extreme case of general violence’, als bedoeld bovengenoemd arrest van het EHRM in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk.
71. Zoals is weergegeven in het procesverloop is door verweerder in de periode van 1 juli 2019 tot 1 juli 2020 een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium ingesteld voor beslissingen op aanvragen om bescherming van personen afkomstig uit Libië32.33.. Het meest recente Algemeen Ambtsbericht over Libië dateert van september 202134..
Uit gezaghebbende openbare bronnen35.36.37.blijkt voorts een beeld van het actuele geweldsniveau in Libië in het algemeen en Tripoli in het bijzonder. Uit enkele rapporten van toonaangevende organisaties en andere gezaghebbende bronnen komt het beeld naar voren dat de veiligheidssituatie sinds het “ceasefire agreement” dat op 23 oktober 2020 is gesloten, is verbeterd ten opzichte van de jaren daarvoor. De informatie over Libië is echter niet eenduidig en overigens blijkt van een weinig stabiele en aan frequente verandering onderhevige veiligheidssituatie.
Zowel de Berlijn Conferenties38.en de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties benadrukken het belang van democratische verkiezingen. Op 22 december 2021 heeft the Libyan High National Elections Commission bekend gemaakt dat de verkiezingen die zouden plaatsvinden op 24 december 2021 niet doorgaan en met tenminste 30 dagen worden uitgesteld. Ten tijde van deze verwijzingsuitspraak hebben de verkiezingen niet plaatsgevonden en heeft het Libische parlement, zetelend in Tobruk, zonder instemming van de interim-premier een nieuwe premier aangewezen. Ook wijst de rechtbank er op dat op 30 september 202139.het mandaat van de United Nations Support Mission in Lybia (UNSMIL) tot en met 31 januari 2022 is verlengd omdat de situatie in Libië continueert een bedreiging van internationale vrede en veiligheid te zijn. Op 31 januari 2022 is dit mandaat verlengd tot 30 april 2022 vanwege dezelfde redenen40..
72. De rechtbank constateert dat ten tijde van de verwijzingsuitspraak ondanks alle intenties en zowel binnenlandse als buitenlandse inspanningen de veiligheidssituatie in Libië verre van stabiel is en het algemene geweldsniveau hoog is. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij de meest recente aanpassingen van het landenbeleid met betrekking tot Libië op 14 december 2021 en op 2 februari 2022 ook benoemd dat sprake is van een bijzonder chaotische situatie41.42.. De rechtbank overweegt dat, ondanks de (prille) verbeteringen voor Libische burgers, derhalve nog steeds sprake is van een gewapend binnenlands conflict dat een hoog geweldsniveau kent.
73. De rechtbank zal thans geen nadere feitelijke analyse maken van de algemene veiligheidssituatie. De situatie in Libië is zodanig fragiel en onvoorspelbaar, mede gelet op de uitgestelde en nog te houden verkiezingen, dat de rechtbank, nadat het Hof de noodzakelijke uitleg heeft verschaft, bij de einduitspraak en na partijen hierover gehoord te hebben, zal motiveren op grond van dan beschikbare actuele landeninformatie hoe het geweldsniveau moet worden gekwalificeerd.
74. De rechtbank wenst te vernemen op welke wijze de landeninformatie en het niveau van algemeen willekeurig geweld dat hieruit blijkt en zoals geduid in artikel 15c Kri moet worden betrokken bij de beoordeling en risico-taxatie die artikel 15a Kri en artikel 15b Kri vereist.
75. De rechtbank wenst met de tweede prejudiciële vraag aldus een nadere precisering van het Hof te vernemen van welke individuele omstandigheden bij de beoordeling van artikel 15c Kri relevant zijn en in hoeverre het algemene niveau van willekeurig geweld beoordeeld dient te worden bij de beoordeling van artikel 15a Kri en artikel 15b Kri. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat het Hof niet wordt gevraagd de feitelijke situatie in Libië te kwalificeren of om aan te geven welke omstandigheden in het hoofdgeding bij de beoordeling van 15c Kri dienen te worden betrokken. De rechtbank wenst nadere uitleg over de aard van de omstandigheden die mogelijk zowel bij artikel 15b Kri als artikel 15c Kri betrokken kunnen worden en op grond waarvan kan worden vastgesteld of eisers een reëel risico lopen op ernstige schade indien zij dienen terug te keren naar Libië. De rechtbank vraagt in haar tweede vraag het Hof hierbij uitdrukkelijk of een verzoeker relevante elementen die hij aandraagt om ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri te onderbouwen tevens - ten behoeve van hetzelfde verzoek om internationale bescherming- ten grondslag kan leggen aan het onderbouwen van ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri of dat een verzoeker gehouden is een keuze te maken welke verschijningsvorm van ernstige schade hij met welke elementen meent en wenst te kunnen onderbouwen.
76. De rechtbank zal als het Hof deze duidelijkheid verschaft kunnen beoordelen of de wijze waarop verweerder heeft beoordeeld of eisers voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen verenigbaar is met het Unierecht.
Glijdende schaal in drempels aannemelijk maken vrees voor ernstige schade artikel 15b Kri en vrees voor ernstige schade artikel 15c Kri, indien zowel sprake is van individuele elementen als van elementen die betrekking hebben op algemene veiligheidssituatie ?
77. De vraag die onlosmakelijk samenhangt met de voorgaande vraag of elementen elke verschijningsvorm van ernstige schade mede kunnen onderbouwen, is vraag op welke wijze de aanwezigheid van individuele kenmerken en persoonlijke omstandigheden het niveau van het willekeurig geweld dat is vereist om een situatie als bedoeld in artikel 15c Kri aan te nemen regardeert. Het Hof heeft in voormelde arresten Elgafaji43.en Diakité44.een zogeheten “omgekeerde correlatie” geïntroduceerd en gepreciseerd dat hoe meer de verzoeker eventueel het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden, hoe lager de mate van willekeurig geweld zal zijn die vereist is opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
78. EASO heeft in haar analyse van artikel 15c Kri concrete risicoprofielen geduid waarin naar gelang de mate waarin persoonlijke elementen worden betrokken bij de beoordeling van artikel 15c Kri een ander, lager, geweldsniveau is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming45.. EASO heeft benoemd dat het Hof in Elgafaji bij de beoordeling van artikel 15c Kri een zogenoemde “glijdende schaal” aan de orde heeft geacht bij de drempel die gesteld wordt aan de mate van algemeen geweld indien een verzoeker ook individuele omstandigheden aannemelijk maakt. Uit dit rapport blijkt echter ook dat er in de jurisprudentie van de diverse lidstaten op verschillende wijzen toepassing wordt gegeven aan het concept van de glijdende schaal. De rechtbank verzoekt het Hof nader te preciseren of en hoe een glijdende schaal moet worden toegepast bij het vaststellen welke niveau van willekeurig geweld wordt vereist indien sprake is van individuele elementen die het risico op ernstige schade bij terugkeer vergroten, maar op zichzelf bezien niet tot verlening van subsidiaire bescherming leiden.
79. De rechtbank overweegt voorts dat een asielrelaas dient te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de situatie in het land van herkomst of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef. De rechtbank wenst te vernemen of naarmate de algehele geweldssituatie van het (deel van het) land dat ter beoordeling staat ernstiger is, dit gevolgen heeft voor de eisen waaraan de verzoeker moet voldoen om zijn individuele vrees zoals bedoeld in artikel 15b Kri aannemelijk te maken. De rechtbank wenst aldus in wezen te vernemen of deze glijdende schaal omgekeerd ook toepassing vindt bij de beoordeling van artikel 15b Kri indien sprake is van een hoog algemeen geweldsniveau, maar dit op zichzelf bezien niet tot verlening van subsidiaire bescherming leidt.
Humanitaire omstandigheden die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn en/of waar een actor van ernstige schade onverschillig tegenover staat.
80. Eisers hebben in het hoofdgeding verklaard over de humanitaire omstandigheden in hun leefgebied in Tripoli en hebben deze omstandigheden mede als motief van hun verzoek om internationale bescherming geduid. Deze verklaringen passen in het actuele beeld dat blijkt uit gezaghebbende bronnen46.. Uit de rapporten van onder meer de UNHCR, het International Organization for Migration en het Internal Displacement Monitoring Centre blijkt voorts hoeveel ontheemden in Libië onder welke omstandigheden leven en wat het niveau van de humanitaire omstandigheden in opvangplaatsen voor ontheemden is.
81. De vraag komt op of humanitaire omstandigheden die een (in)direct gevolg zijn van handelen en/of nalaten van een actor en/of gevolgen zijn van het gewapende conflict ten aanzien waarvan een actor een onverschillige houding aanneemt, betrokken dienen te worden bij het beoordelen van een verzoek om subsidiaire bescherming.
82. Het hof heeft in de uitspraak in de zaak M’Bodj47.het navolgende overwogen:
(…)
29 Volgens artikel 18 van genoemde richtlijn verlenen de lidstaten die status aan derdelanders die voldoen aan de voorwaarden om voor subsidiaire bescherming in aanmerking te komen.
30 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de drie in artikel 15 van richtlijn 2004/83 omschreven soorten „ernstige schade” de voorwaarden vormen waaraan moet zijn voldaan opdat een persoon kan worden geacht in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, wanneer er overeenkomstig artikel 2, sub e, van de richtlijn zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker, wanneer hij terugkeert naar het betrokken land van herkomst, een reëel risico loopt op dergelijke schade (arresten Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 31, en Diakité, C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 18).
31 De risico’s die derdelanders lopen op verslechtering van hun gezondheidstoestand om andere redenen dan het opzettelijk weigeren van medische zorg en waartegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling bescherming biedt, vallen niet onder artikel 15, sub a en c, van genoemde richtlijn, aangezien de in die bepalingen omschreven schade respectievelijk bestaat in doodstraf of executie en in ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
35 In artikel 6 van richtlijn 2004/83 wordt een opsomming gegeven van de actoren van ernstige schade, hetgeen de opvatting bevestigt dat dergelijke schade moet voortvloeien uit de gedragingen van derden en dat het dus niet volstaat dat die schade louter het gevolg is van de algemene tekortkomingen van het gezondheidsstelsel in het land van herkomst.
36 Voorts preciseert punt 26 van de considerans van die richtlijn dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zich geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, risico loopt op verslechtering van zijn gezondheidstoestand omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, doch hem niet opzettelijk medische zorg wordt geweigerd, volstaat dan ook niet om hem subsidiaire bescherming te verlenen.
(…)
39 In dat verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die volgens artikel 52, lid 3, van het Handvest, in aanmerking moet worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 2, van dat Handvest, volgt dat, hoewel niet-staatsburgers tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, in beginsel geen aanspraak kunnen maken op een recht van verblijf op het grondgebied van een staat teneinde er medische, sociale of andere hulp en diensten te ontvangen van die staat, het besluit om een vreemdeling die aan een ernstige fysieke of psychische ziekte lijdt, te verwijderen naar een land dat over minder geschikte middelen beschikt om die ziekte te behandelen dan die waarover die lidstaat beschikt, in zeer uitzonderlijke omstandigheden, een bezwaar kan opleveren vanuit het oogpunt van artikel 3 EVRM, wanneer dwingende humanitaire overwegingen zich tegen die verwijdering verzetten (zie met name EHRM, arrest van 27 mei 2008, N./Verenigd Koninkrijk, § 42).
40 Dat artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zich in zeer uitzonderlijke omstandigheden ertegen verzet dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wordt verwijderd naar een land waar geen adequate behandeling voorhanden is, betekent evenwel niet dat hij op grond van de subsidiaire bescherming krachtens richtlijn 2004/83 tot verblijf in die lidstaat moet worden gemachtigd.
41 Gelet op een en ander moet artikel 15, sub b, van richtlijn 2004/83 aldus worden uitgelegd dat de daarin omschreven ernstige schade niet ziet op een situatie waarin onmenselijke of vernederende behandelingen, zoals die welke zijn bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, die een verzoeker die aan een ernstige ziekte lijdt mogelijkerwijs ondergaat in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst, het gevolg zijn van het ontbreken van adequate behandeling in dat land, zonder dat hem medische zorg opzettelijk wordt geweigerd.
42 Volgens artikel 3 van die richtlijn kunnen de lidstaten evenwel, onder meer ter bepaling van wie als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend, gunstiger normen vaststellen of handhaven op voorwaarde evenwel dat die normen verenigbaar zijn met die richtlijn (zie in die zin arrest B en D, C‑57/09 en C‑101/09, EU:C:2010:661, punt 114).
43 Het in artikel 3 van richtlijn 2004/83 gemaakte voorbehoud staat eraan in de weg dat een lidstaat bepalingen vaststelt of handhaaft op grond waarvan de in de richtlijn bepaalde subsidiairebeschermingsstatus wordt toegekend aan een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, op grond dat hij risico loopt dat zijn gezondheidstoestand verslechtert omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is, aangezien dergelijke bepalingen niet verenigbaar met die richtlijn zijn.
44 Gelet op de overwegingen in de punten 35 tot en met 37 van het onderhavige arrest, zou het namelijk in strijd zijn met de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2004/83 om de erin bepaalde statussen toe te kennen aan derdelanders die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica van de internationale bescherming.
45 Derhalve kan een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is niet worden beschouwd als een gunstigere norm in de zin van artikel 3 van die richtlijn om te bepalen welke personen voor de subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Derdelanders die gemachtigd zijn tot verblijf krachtens een dergelijke wettelijke regeling, zijn dus geen personen met de subsidiaire beschermingsstatus, op wie de artikelen 28 en 29 van die richtlijn van toepassing zijn.
46 De toekenning door een lidstaat van die nationale beschermingsstatus om andere redenen dan de behoefte aan internationale bescherming in de zin van artikel 2, sub a, van de richtlijn, namelijk op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden, valt overigens niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn, zoals punt 9 van de considerans van die richtlijn duidelijk maakt (arrest B en D, EU:C:2010:661, punt 118).
83. Het EHRM heeft in Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk48.aangegeven dat erbarmelijke humanitaire omstandigheden kunnen kwalificeren als een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.
84. De vierde prejudiciële vraag van de rechtbank houdt geen verband met omstandigheden die zijn toe te schrijven aan natuurlijke oorzaken, maar ziet op omstandigheden die een gevolg zijn van (in)direct menselijk handelen en/of nalaten in of door een gewapende strijd.
Het Hof heeft eerder overwogen dat artikel 15c Kri een autonome uitleg ten aanzien van het Internationaal Humanitaire recht vereist en de subsidiaire beschermingsregeling een andere doelstelling kent dan het Internationaal Humanitaire recht. Advocaat-Mengozzi heeft dit in zijn conclusie in de zaak Diakité49.uitgebreid uiteengezet. De rechtbank merkt echter op dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op het wegnemen of verminderen van gevolgen van het gewapende conflict voor de burgerbevolking in Libië. Verzoekers zijn op het grondgebied van de Unie en verzoeken om bescherming. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in deze procedure de vraag naar de beschermingsbehoefte en het eerbiedigen van het beginsel van non-refoulement leidend.
85. De rechtbank wenst aldus van het Hof te vernemen of humanitaire omstandigheden die, anders dan in het geval waar M’Bodj op zag, een gevolg zijn van het willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict moeten worden betrokken bij de beoordeling van een verzoek om subsidiaire bescherming. De rechtbank doelt hierbij op humanitaire omstandigheden die bewust worden gecreëerd door een actor van ernstige schade door bijvoorbeeld voedsel, water en medische voorzieningen te beperken in bepaalde gebieden of interventies van niet-gouvernementele zoals het Rode Kruis niet toe te staan. De rechtbank overweegt dat humanitaire omstandigheden ook onbewust veroorzaakt kunnen worden door gedragingen van een actor van ernstige schade die vervolgens een onverschillige houding aanneemt ten aanzien van deze gevolgen van een gewapend conflict voor de burgerbevolking.
De rechtbank wenst te vernemen of artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest aldus betrokken moeten worden bij de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie, in die zin dat niet alleen verzoekers die vrezen voor geweldsuitoefening, maar ook verzoekers die vrezen door de gevolgen van dat geweld ernstige schade te zullen ondervinden aanspraak maken op subsidiaire bescherming. De rechtbank overweegt hierbij dat artikel 15c Kri bepaalt dat een “ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld” ernstige schade is. Indien humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van het uitoefenen van willekeurig geweld door een actor zodanig erbarmelijk zijn dat sprake is van “een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger” valt niet goed in te zien waarom deze omstandigheden niet moeten worden betrokken bij de beoordeling of daadwerkelijk subsidiaire bescherming moet worden geboden. Een andere uitleg zou er op neerkomen dat een risico om door wapengeweld om het leven te komen door het verlenen van subsidiaire bescherming wel wordt voorkomen, maar het risico om bijvoorbeeld door het wapengeweld een toevlucht te moeten zoeken in een ontheemdenkamp waar geen voedselzekerheid is en daardoor een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van de burger ontstaat, geen aanspraak op bescherming met zich brengt. Het aannemen van een dergelijke strikte scheiding in oorzaken van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of persoon staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met de doelstelling van de subsidiaire beschermingsregeling die moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Handvest voor de Grondrechten. Tevens miskent een dergelijke beperkte uitleg van het concept “ernstige schade” de wijzen waarop in verscheidende derdelanden actoren van vervolging en ernstige schade (delen van) de bevolking trachten te minimaliseren en/of te verdrijven waardoor burgers genoodzaakt zijn te vluchten. Het niet bieden van basale voorzieningen in bepaalde gebieden en het daarmee creëren van een humanitaire noodsituatie, dan wel hier onverschillig tegenover staan, kan actoren van vervolging en ernstige schade een effectief alternatief voor of aanvulling op de gewapende strijd bieden en in die zin ook een schending van artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest opleveren. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook om nader te preciseren of humanitaire omstandigheden die een zodanige bedreiging vormen dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 1 Handvest en/of artikel 2 Handvest en/of artikel 4 Handvest en die bewust veroorzaakt zijn als middel in een strijd, dan wel daar een (in)directe gevolg van zijn, een relevant element zijn als bedoeld in artikel 15c Kri.
86. De rechtbank overweegt hierbij dat het juist in overeenstemming met de logica van de internationale bescherming is als alle gevolgen van handelen en/of nalaten van actoren van ernstige schade die kunnen leiden tot een schending van artikel 1 Handvest, artikel 4 Handvest en artikel 19, tweede lid, Handvest betrokken worden bij de beoordeling of een verzoeker daadwerkelijk bescherming behoeft. Indien een verzoeker op grond van door een actor veroorzaakte humanitaire omstandigheden aannemelijk maakt dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij , wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 Kri, ligt het dan ook in de rede om subsidiaire bescherming toe te kennen en verblijf op het grondgebied van de Unie niet afhankelijk te maken van een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om op humanitaire gronden een nationaal verblijfsrecht toe te kennen zoals bedoeld in punt 15 considerans Kri.
87. De rechtbank wijst er uitdrukkelijk op dat deze prejudiciële vraag ook geen betrekking heeft op “gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld” zoals is bedoeld in overweging 35 van de considerans van de Kri. De rechtbank doelt op omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van geweldshandelingen door een actor van ernstige schade en dus gedragingen van derden. De vraag om nadere uitleg van het Unierechtelijke begrip “ernstige schade” heeft betrekking op gevaren die een gevolg zijn van menselijk handelen of nalaten in een gewapend conflict en een ernstige en individuele bedreiging van het leven of persoon van de burger vormen.
88. De rechtbank vraagt het Hof aldus te verduidelijken of humanitaire omstandigheden betrokken dienen te worden bij het onderzoek naar de behoefte om internationale bescherming indien deze omstandigheden voortvloeien uit geweldshandelingen door een actor van ernstige schade. Indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, wenst de rechtbank tevens te vernemen wat de bewijslast van een verzoeker is om in verband met dit element in aanmerking te komen voor bescherming. Dient de verzoeker de intentie van de actor om middels het al dan niet bewust onthouden van voorzieningen of het onverschillig staan tegen deze gevolgen van een gewapend conflict een artikel 4 Handvest-situatie te doen ontstaan aannemelijk te maken en/of dient de verzoeker het causale verband tussen de door de actor begane gewelddadigheden en het ontstaan van humanitaire omstandigheden aannemelijk te maken of kan worden volstaan met het onderbouwen van het geweldsniveau en het onderbouwen van de humanitaire omstandigheden?
89. De rechtbank merkt ook in dit kader op dat artikel 52, lid 3, Handvest bepaalt dat de rechten uit het Handvest tenminste dezelfde bescherming biedt die het EVRM biedt. Het EHRM neemt bij het bepalen of er een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 3 EVRM dreigt bij terugkeer, onder omstandigheden aan dat bij zeer erbarmelijke sociaaleconomische factoren de drempel van artikel 3 EVRM wordt bereikt en dus bescherming met worden geboden en niet kan worden gevergd dat de verzoeker terugkeert naar die situatie.
In de toelichtingen bij het Handvest wordt met betrekking tot artikel 4 van het Handvest uitdrukkelijk gesteld dat het recht van artikel 4 correspondeert met het recht dat in het gelijkluidende artikel 3 van het EVRM is gewaarborgd. Gelet op het hiervoor genoemde artikel 52, lid 3, Handvest heeft het derhalve dezelfde inhoud en reikwijdte als voornoemd artikel.50.
De rechtbank vraagt het Hof daarom te verduidelijken of het uitleggen van artikel 15 Kri in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest betekent dat onder omstandigheden de humanitaire omstandigheden een relevant element kunnen zijn om een verzoek om subsidiaire bescherming te onderbouwen.
Conclusie en prejudiciële vragen
90. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag op welke wijze moet worden onderzocht of eisers daadwerkelijk behoefte hebben aan (subsidiaire) bescherming gelet op hun persoonlijke relaas, het algemene geweldsniveau in Libië en de humanitaire omstandigheden ten gevolge van dit geweldsniveau in Libië. Indien de subsidiaire beschermingsregeling, waarin de Kwalificatierichtlijn voorziet, beoogt een aanvullende bescherming op het Vluchtelingenverdrag te bieden en in overeenstemming met internationale verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van instrumenten op het gebied van de mensenrechten moet worden uitgelegd, is de vraag aan de orde of alle aangedragen elementen die de vrees voor elke verschijningsvorm van ernstige schade onderbouwen steeds integraal en in onderlinge samenhang moeten worden verzameld, onderzocht en beoordeeld.
91. In de onderhavige procedure kan wellicht niet worden vastgesteld of sprake is geweest van gericht geweld en/of persoonlijke bedreigingen en dus ernstige schade als bedoeld in artikel 15b Kri. Tevens kan wellicht niet worden vastgesteld of eiser louter vanwege zijn aanwezigheid reeds slachtoffer is geworden van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15c Kri, of dat eisers bij terugkeer terecht zullen komen in een situatie waartegen artikel 15c Kri bescherming biedt.
Indien artikel 15b Kri en artikel 15c Kri strikt gescheiden moeten worden beoordeeld, betekent dit dat eiser in een samenleving met een hoog algemeen geweldsniveau is beschoten, daarbij in zijn hoofd is geraakt, maar desondanks wellicht niet in aanmerking zal komen voor subsidiaire bescherming omdat hij geen vrees voor de specifieke verschijningsvorm van ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kri aannemelijk kan maken. Tevens kan een strikt gescheiden beoordeling van artikel 15b Kri en 15c Kri meebrengen dat eisers dienen terug te keren naar Tripoli omdat het algemene geweldsniveau en/of de humanitaire omstandigheden ten gevolge van dit geweldsniveau de drempel die aan 15c Kri wordt gesteld niet bereikt en alle elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eisers niet als relevant element voor 15c Kri hoeven te worden beschouwd.
92. De rechtbank overweegt dat indien artikel 15 Kri aldus wordt uitgelegd dat een strikt gescheiden beoordeling dient plaats te vinden van artikel 15a Kri, artikel 15b Kri en artikel 15c Kri en voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de aangedragen elementen eerst wordt bepaald welke soort ernstige schade de verzoeker vreest en daarom wenst te onderbouwen en daarom alleen elementen die daarvoor relevant zijn worden beoordeeld, mogelijk een lacune in de te bieden en beoogde subsidiaire bescherming ontstaat.
Indien artikel 15 Kri echter aldus moet worden uitgelegd dat de beschermingsbehoefte als uitgangspunt geldt, dienen alle relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, steeds integraal en in onderlinge samenhang te worden beoordeeld vóórdat wordt vastgesteld welke verschijningsvorm van ernstige schade door deze elementen mogelijk wordt onderbouwd.
93. Naar het oordeel van de rechtbank zal een integrale inhoudelijke beoordeling van alle aangedragen elementen zonder dat voorafgaand aan de beoordeling hiervan de gevreesde verschijningsvorm van ernstig geweld en daarmee het beoordelingskader wordt bepaald, een beslisautoriteit beter in staat stellen om grondig te onderzoeken en te beoordelen of daadwerkelijk subsidiaire bescherming moet worden geboden.
Het is dan bij een verzoek om (subsidiaire) bescherming aan de verzoeker om indachtig zijn inspanningsplicht alle relevante elementen kenbaar te maken en zo goed mogelijk te onderbouwen. Dan is de beslisautoriteit vervolgens in staat om aan zijn verplichting te voldoen om in samenwerking met de verzoeker alle aangedragen elementen integraal en in onderlinge samenhang grondig te onderzoeken en te beoordelen of bescherming moet worden geboden.
Indien bij het beoordelen van een verzoek om (subsidiaire) bescherming de beschermingsbehoefte als uitgangspunt wordt genomen, wordt aldus -indachtig de strekking van het Verdragsrechtelijke en Unierechtelijk stelsel van bescherming- het absolute verbod op refoulement ten volle geëerbiedigd.
94. De rechtbank vraagt het Hof daarom primair om uit te leggen of artikel 15 Kri, gelet op het doel en de strekking van de subsidiaire beschermingsregel en gelet op absolute verbod op refoulement, steeds een integraal onderzoek en integrale beoordeling van alle in artikel 4, lid 3, Kri genoemde elementen vereist vóórdat wordt geduid welke verschijningsvorm van ernstige schade zich bij terugkeer mogelijk verwezenlijkt. De rechtbank overweegt dat indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, het Hof geen vragen meer zal hoeven te beantwoorden over welke elementen welke verschijningsvorm van ernstige schade kunnen onderbouwen en of de vereiste minimumdrempels fluctueren naar gelang individuele omstandigheden mede de vrees voor artikel 15c Kri onderbouwen of de algemene veiligheidssituatie en/of humanitaire situatie ten gevolge van deze geweldssituatie, mede de vrees voor artikel 15b Kri onderbouwen.
95. Indien het Hof artikel 15 Kri aldus uitlegt dat wel een strikt gescheiden beoordeling van de verschillende verschijningsvormen van ernstige schade dient plaats te vinden en dat daarom dient te worden bepaald welke elementen ter staving van vrees voor welke soort ernstige schade dienen, verzoekt de rechtbank het Hof om dit nader te preciseren. De rechtbank realiseert zich dat het Hof geen uitputtende opsomming zal kunnen geven van relevante elementen. De rechtbank verzoekt het Hof om wel uitdrukkelijk aan te geven of psychische schade, het risico om slachtoffer te worden van strafrechtelijk geweld vanwege straffeloosheid en/of humanitaire omstandigheden ten gevolge van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade betrokken dienen te worden bij de beoordeling of gevreesd moet worden voor ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kri.
96. Zoals hiervoor beschreven is de beantwoording van deze vragen door het Hof noodzakelijk om einduitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. Tevens zal de beantwoording van de prejudiciële vragen de divergentie in de nationale rechtspraktijk en de divergentie tussen de lidstaten van de Unie doen verminderen en wellicht doen verdwijnen.
97. De rechtbank wendt zich dan ook tot het Hof met het verzoek de navolgende prejudiciële vragen van de rechtbank te beantwoorden:
I Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn51., gelezen in samenhang met artikel 2, sub g, Kwalificatierichtlijn, artikel 4 Kwalificatierichtlijn, artikel 4 Handvest van de Grondrechten52.en artikel 19, lid 2, Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat voor de vraag of een verzoeker subsidiaire bescherming behoeft alle relevante elementen die zowel betrekking hebben op de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, alsmede op de algemene situatie in het land van herkomst, steeds integraal en in onderlinge samenhang dienen te worden onderzocht en beoordeeld vóórdat wordt geduid welke gevreesde verschijningsvorm van ernstige schade met deze elementen kan worden onderbouwd?
II Is, in het geval het Hof de eerste vraag ontkennend beantwoordt, de beoordeling van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker bij de beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, waarvan het Hof reeds heeft gepreciseerd dat deze hierbij dienen te worden betrokken, meeromvattender dan het toetsen aan het individualiseringsvereiste zoals bedoeld in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk53.? Kunnen deze elementen ten aanzien van hetzelfde verzoek om subsidiaire bescherming zowel bij de beoordeling van artikel 15b Kwalificatierichtlijn als bij de beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn betrokken worden?
III Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn aldus te worden uitgelegd dat bij het beoordelen van de behoefte aan subsidiaire bescherming de zogenaamde glijdende schaal, waarvan het Hof reeds heeft gepreciseerd dat die moet worden toegepast bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn, ook moet worden toegepast bij de beoordeling van een gestelde vrees voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15b Kwalificatierichtlijn?
IV Dient artikel 15 Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest van de Grondrechten, artikel 4 Handvest van de Grondrechten en artikel 19, lid twee, Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, dienen te worden betrokken bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming heeft?
98. Er is ten aanzien van deze vragen niet gebleken van een acte clair, nu artikel 15 Kri geen uitsluitsel geeft over de wijze van beoordelen of sprake is van ernstige schade, maar enkel de verschijningsvormen van ernstige schade duidt en dit ook overigens niet expliciet is geduid in overige bepalingen van de Kri. Er kan niet gezegd kan worden dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik van artikel 15 Kri kan bestaan. De rechtbank heeft gewezen op de divergentie op dit punt in de nationale rechtspraktijk en in de verschillende lidstaten van de Unie. Het is bovendien de vraag welke uitleg van artikel 15 Kri het meest verenigbaar is het met het Handvest van de Grondrechten. Daarnaast is ten aanzien van de vragen evenmin gebleken van een acte éclairé, nu antwoorden op de door de rechtbank gestelde vragen niet kunnen worden gevonden in de in het verleden door het Hof van Justitie gegeven antwoorden op vragen over de uitleg van artikel 15c Kri. De rechtbank heeft de eerdere precisering van het Hof over de uitleg van het Unierecht als uitgangspunt genomen bij het formuleren van de prejudiciële vragen die de rechtbank thans aan het Hof wenst voor te leggen.
99. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 97 geformuleerde vragen;
- -
schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is aldus op 22 februari 2022 gedaan door mr. S. van Lokven, voorzitter,
en mr. C.T.C. Wijsman en mr. G.J.W.M Kipping, leden, in aanwezigheid van
mr. B.J. Groothedde, griffier.
BIJLAGE - JURIDISCH KADER
Recht van de Unie
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2012/C 326/02)
Preambule
(…)
Dit Handvest bevestigt, met inachtneming van de bevoegdheden en taken van de Unie en van het subsidiariteitsbeginsel, de rechten die in het bijzonder voortvloeien uit de constitutionele tradities en de internationale verplichtingen die de lidstaten gemeen hebben, uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, uit de door de Unie en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens.
(…)
Artikel 1 - De menselijke waardigheid
De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.
Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering
(…)
2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
(…)
3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt
(…)
Richtlijn 2011/95/EU (L337/9)
(16) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name erkend zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van dat handvest te bevorderen, en dient derhalve
dienovereenkomstig te worden toegepast.
(35) Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen blootgesteld is, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als
ernstige schade kan worden aangemerkt.
Artikel 2 - Definities
In deze richtlijn gelden de volgende definities:
(…)
f) „persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een
reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;
g) „subsidiaire beschermingsstatus”, de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt.
(…)
Artikel 3 - Gunstiger normen
De lidstaten kunnen ter bepaling van wie als vluchteling of als voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.
Artikel 4 - Beoordeling van feiten en omstandigheden
1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot
taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
(…)
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a. a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
(…)
Artikel 15 - Ernstige schade
Ernstige schade bestaat uit:
a. a) de doodstraf of executie; of
b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Artikel 18 - Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus
De lidstaten verlenen de subsidiairebeschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
Nationaal recht
Vreemdelingenwet 2000
1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:
(…)
a. die verdragsvluchteling is; of
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:
1°. doodstraf of executie;
2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of
3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 februari 2022
Rechtsmiddel
Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen hoger beroep open. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑02‑2022
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, 2012/C 326/02.
EHRM 17 juli 2008, nr. 25904/07, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407.
Pagina’s 143 – 157, “Evaluation of the application of the recast Qualification Directive (2011/95/EU) Final report”, 22 januari 2019.
Uitspraak van het Hof van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN tegen Bundesrepublik Deutschland, C-901/19, ECLI:EU:C:2021:472.
Overwegingen 8, 10 en 12 preambule Kwalificatierichtlijn.
Overweging 13 preambule Kwalificatierichtlijn.
Overweging 42 van de Conclusie van 11 februari 2021 in de zaak C‑901/19, CF/ DN tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2021:116.
C-465/07, ECLI:EU:C:2009:94.
C-285/12, ECLI:EU:C:2014:39.
C-901/19, ECLI:EU:C:2021:472.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdelen 1 tot en met 3, van de Vw 2000.
C-465/07, ECLI:EU:C:2009:94.
C-285/12, ECLI:EU:C:2014:39.
C-901/19, ECLI:EU:C:2021:472.
EHRM 17 juli 2008, nr. 25904/07, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407.
Punt 18, C-901/19, ECLI:EU:C:2021:116.
Zaaknummer 201904651/1/V2, ECLI:NL:RVS:2019:4200.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2022 in de zaak 202004227/1/V1, ECLI:NL:RVS:2022:84 en de uitspraak van 10 november 2021 in de zaak 202104898/1/V2, ECLI:NL:RVS:2021:2517.
Punt 23, C-901/19, ECLI:EU:C:2021:116.
C-579/20, F, A, G, H, I tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Punt 17, C-901/19, ECLI:EU:C:2021:116.
Thans EUAA (European Union Agency for Asylum).
European Asylum Support Office, Article 15(c) Qualification Directive, (2011/95/EU), A judicial analysis, December 2014.
België, Zweden, Noorwegen en Nederland hebben gezamenlijk het ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 opgesteld. België kwalificeerde de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zweden had een aantal kuststeden aangewezen als gebied waar een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn werd gekwalificeerd. Noorwegen had een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, dat is opgeheven op 15 september 2015. Nederland stelde zich blijkens de beleidsbrief van 16 januari 2015 op het standpunt dat geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
punten 44 en 45 van de uitspraak van het Hof van Justitie van 18 december 2014 in de zaak C-542/13, Mohamed M’Bodj tegen Belgische Staat, ECLI:EU:C:2014:2452.
Pagina’s 143 – 157, “Evaluation of the application of the recast Qualification Directive (2011/95/EU) Final report”, 22 januari 2019.
EHRM 17 juli 2008, nr. 25904/07, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407.
Uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI4791.
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 juli 2019, nummer 2582748, tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor asielzoekers afkomstig uit Libië, Staatscourant. 26 juli 2019, nr. 40679.
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2020, nr. 2792646, tot het verlengen van het besluitmoratorium en het vertrekmoratorium voor asielzoekers afkomstig uit Libië.
Algemeen Ambtsbericht Libië Ministerie van Buitenlandse Zaken, september 2021.
Rapport van Secretaris-Generaal van de VN over UNSMIL van 25 augustus 2021 (S/2021/752).
Het Ceasefire agreement (Agreement for a Complete and Permanent Ceasefire in Libya, 23 oktober 2020.
Roadmap 'For the Preparatory Phase of a Comprehensive Solution' 16 november 2020.
Berlin Conference in Libya van19 januari 2020 en The Second Berlin Conference on Libya, 23 June 2021.
S/RES/2599 (2021).
S/RES/2619 (2022).
Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 14 december 2021.
Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 februari 2022, nummer WBV 2022/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Punt 39, C-465/07, ECLI:EU:C:2009:94.
Punt 31, C-285/12, ECLI:EU:C:2014:39.
EASO Professional Development Series, Article 15(c) Qualification Directive (2011/95/EU).
Zie bijvoorbeeld paragrafen 76- 82 van het Rapport van Secretaris-Generaal van de VN over UNSMIL van 25 augustus 2021 (S/2021/752) en het LIBYA Situation Report, United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs, Last updated: 21 Dec 2021.
Uitspraak van het Hof van Justitie van 18 december 2014 in de zaak C-542/13, Mohamed M’Bodj tegen Belgische Staat, ECLI:EU:C:2014:2452.
Conclusie van 18 juli 2013 in de zaak C-285/12, ECLI:EU:C:2013:500.
Vergelijk overwegingen 19 tot en met 22 van de uitspraak van 14 juni 2021 van de verwijzende rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2021:6064).
Richtlijn 2011/95/EU (L337/9).
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, 2012/C 326/02.
EHRM 17 juli 2008, nr. 25904/07, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407.