Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/7.4.1
7.4.1 Certificeren van aandelen bezien vanuit het motief continuïteit
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957985:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
ECLI:NL:GHAMS:2019:3555, rov. 3.7. Zie over een overzicht van de discussie om de geschillenregelen al dan niet van toepassing te laten zijn bij certificaten van aandelen Hezer 2020.
Er is een adviesaanvraag aanhangig bij de Raad van State inzake het wetsvoorstel ‘Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure’. Het advies van de Raad van State wordt 30 juni 2023 verwacht.
Zie voor een overzicht van de plekken in Boek 2 BW waar certificaten van aandelen in een BV worden genoemd Wolf 2013, p. 264-266.
Geïntroduceerd bij de Wet homologatie onderhands akkoord, Stbl. 2020, 414, in werking getreden op 1 januari 2021.
In hoofdstuk 5 is het civielrechtelijk toetsingskader dat in hoofdstuk 3 is opgesteld toegepast op specifiek het certificeren van aandelen. Daarbij is gekeken vanuit welke verhoudingen tussen de betrokken actoren invloed kan worden uitgeoefend op de juridische elementen die aanwezig moeten zijn, zodat certificering ingezet kan worden voor het motief ‘continuïteit van vermogen’.
De elementen uit het civielrechtelijk toetsingskader van hoofdstuk 3 zijn:
het bijeenhouden van vermogen;
het beperken van het aantal mogelijke schuldeisers;
de invloed van ontbinding van de rechtspersoon en overlijden van de economisch belanghebbende;
de vrijheid om de beheerstructuur naar eigen inzicht in te richten; en
de betrokkenheid van de economisch belanghebbenden.
Na elk element is een korte analyse dan wel conclusie opgenomen. Hierna volgt een analyse van de uitkomsten uit het hoofdstuk. Kort gezegd leiden twee aspecten ertoe dat de certificering van aandelen niet eenvoudig het motief van continuïteit kan dienen. Dit betreft ten eerste de hoeveelheid invloeden vanuit de verhoudingen tussen de actoren die ertoe leiden dat de beheerstructuur complex wordt en ten tweede de onduidelijkheden in rechtsgevolgen op meerdere punten.
In hoofdstuk 5 is beschreven dat er bij certificering van aandelen in een BV vijf verhoudingen tussen betrokken actoren zijn die in meer of mindere mate invloed hebben op de inrichting van de beheerstructuur. Daarmee hebben deze betrokken actoren invloed op de rechtsgevolgen van de elementen uit het civielrechtelijk toetsingskader. De vijf verhoudingen zijn:
De verhouding tussen de BV en de stak als aandeelhouder;
De verhouding tussen de aandeelhouders onderling;
De verhouding tussen de stak en de certificaathouders;
De verhouding tussen de certificaathouders onderling; en
De verhouding tussen de BV en de certificaathouders (zie afbeelding).
Met name op het moment dat er meer aandeelhouders zijn, neemt de invloed vanuit de verhoudingen tussen de BV en de stak en tussen de aandeelhouders onderling toe. De invloed van de ene verhouding werkt door op de invloed van de andere verhouding, waardoor men zich bij het opzetten van de beheerstructuur heel bewust moet zijn van de gevolgen van de verschillende invloeden. Een concreet voorbeeld is dat een overdrachtsbeperkende maatregel in de statuten van de BV ertoe kan leiden dat certificering van aandelen niet zomaar mogelijk is, of dat het overdragen van certificaten leidt tot een aanbiedingsplicht van de stak als aandeelhouder. Deze communicerende werking van de invloeden geldt niet alleen bij het behoud van de aandelen of het economisch belang bij de aandelen, maar ook bij de invloed bij de ontbinding van de stak en het overlijden van een certificaathouder.
Daarnaast geldt dat er bij elk besproken element uit het civielrechtelijk toetsingskader in meer of mindere mate onzekerheid bestaat over bepaalde rechtsgevolgen. Deze onzekerheid heeft voornamelijk te maken met het wezen van de certificering zelf en geldt dus ongeacht of er sprake is van certificering van aandelen of certificering van ander vermogen. Eén van de onduidelijkheden die op meerdere vlakken onzekerheid oplevert is het bepalen wat voor soort goed een certificaat is. Is het een vorderingsrecht of is het meeromvattend dan een vorderingsrecht? En als het een vorderingsrecht is, moet het dan worden gezien als een (vorderings)recht sui generis? Uit hoofdstuk 5 blijkt dat deze onzekerheid bijvoorbeeld leidt tot onzekerheid over de mogelijkheden tot het beperken van de overdraagbaarheid van het certificaat (alhoewel dit mogelijk met duidelijke bepalingen in de administratievoorwaarden valt op te lossen). Daarnaast bestaat er onduidelijkheid over de wijze van verhaal op de certificaten. Als laatste voorbeeld wordt hier genoemd dat niet duidelijk is hoeverre art. 4:74 lid 1 BW een rol kan spelen in het geval van certificaten van aandelen.
Alles bij elkaar genomen, neemt de rechtszekerheid bij certificering van aandelen af. Dat is ook terug te zien bij enkele voorbeelden in de rechtspraak waar zo nu en dan wordt geworsteld met de positie van certificering binnen het recht. Zo zijn er meerdere voorbeelden dat certificaten van aandelen worden gelijkgesteld met de aandelen in de BV. Een aantal daarvan werd al genoemd in hoofdstuk 5. Hier kan nog worden gewezen op de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 24 september 2019, waarin art. 2:343 BW van toepassing werd verklaard op certificaten van aandelen.1 Deze uitspraak wordt hier specifiek aangehaald, omdat de problematiek die hierboven is beschreven over de positie van het certificaat en de certificaathouder in het recht voor een specifiek onderdeel in het ondernemingsrecht onderwerp is van een wetsvoorstel. In het wetsvoorstel ‘Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure’ wordt aan (bepaalde categorieën van) certificaathouders van aandelen meer expliciete rechten toegekend.2
Op enkele plekken in Boek 2 BW worden certificaten van aandelen al duidelijk erkend en worden er specifieke rechtsgevolgen aan certificaten toegekend.3 Ook in andere wetgeving worden certificaten van aandelen als vermogensrecht erkend. Zie bijvoorbeeld art. 381 lid 5 Fw.4 Daarmee vormen de certificaten van aandelen in elk geval een recht sui generis binnen certificering van vermogen. Deze uitdrukkelijke vermeldingen over rechtsgevolgen van certificering van aandelen in het ondernemingsrecht komt de rechtszekerheid ten goede, maar zou meer consequent doorgevoerd moeten worden. Bijvoorbeeld op het punt van de wijze van verhaal op de certificaten van aandelen. Ook zou een omschrijving door de wetgever wat onder certificaten van aandelen moet worden verstaan bijdragen aan de rechtszekerheid.