Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9. Zie voorts HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2850; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, rov. 3.3, en HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:47.
HR, 17-05-2022, nr. 20/03116
ECLI:NL:HR:2022:707
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-05-2022
- Zaaknummer
20/03116
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:707, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑05‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:473
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:4175
ECLI:NL:PHR:2022:473, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑04‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:707
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑05‑2022
Inhoudsindicatie
Openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met constatering dat redelijke termijn is overschreden? HR: art. 81.1 RO. CAG: art. 80a RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/03116
Datum 17 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 september 2020, nummer 20-000469-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2022.
Conclusie 05‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Openlijke geweldpleging in vereniging. Middelen over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg en de inzendtermijn in cassatie. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03116
Zitting 5 april 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 30 september 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek op grond van artikel 27 Sr.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen aanleiding geeft tot strafvermindering. Daartoe wordt aangevoerd dat een voortvarende behandeling in eerste aanleg op geen enkele wijze wegneemt dat de verdachte langer dan voorgeschreven heeft moeten leven met de vrees voor deze strafzaak na het instellen van het hoger beroep. Bovendien, zo stelt het middel onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2020:1558, heeft het hof geen aanvullende motivering gegeven waaruit zou kunnen volgen dat het achterwege laten van strafvermindering, (toch) niet onbegrijpelijk is.
4. In het bestreden arrest heeft het hof de volgende ambtshalve overweging gewijd aan de termijnoverschrijding in hoger beroep:
“Het hof overweegt ambtshalve nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft als redelijke termijn in hoger beroep te gelden 2 jaren na het instellen van appel. Nu zijdens de verdachte op 8 februari 2018 appel is ingesteld en het hof meer dan 2 jaren later, te weten op 30 september 2020, in deze zaak uitspraak zal doen, is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van bijna 8 maanden.
De behandeling in eerste aanleg is daarentegen zeer voortvarend verlopen: de verdachte is op 5 december 2017 in verzekering gesteld, de politierechter heeft op 7 februari 2018 vonnis gewezen en er is op 8 februari 2018 appel ingesteld.
Deze zeer voortvarende behandeling in eerste aanleg compenseert de termijnoverschrijding in hoger beroep. De totale procedures in eerste aanleg en hoger beroep hebben ook niet meer dan vier jaar in beslag genomen.”
5. De steller van het middel miskent dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. Dat geldt ook indien het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden.1.Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof uitsluitend verzocht rekening te houden met “de ouderdom van het feit”. Dit verzoek kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een verweer met betrekking tot een overschrijding van de redelijke termijn.2.
6. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
7. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
8. Volgens vaste rechtspraak heeft de verdachte bij een dergelijk middel onvoldoende belang, als dit het enige middel is of als de andere middelen met toepassing van artikel 80a RO kunnen worden afgedaan.3.
9. Deze conclusie strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden en de verdachte bij het tweede middel onvoldoende belang heeft.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑04‑2022
De klacht in het cassatiemiddel inhoudende “dat de verdachte langer dan voorgeschreven heeft moeten leven met de vrees voor deze strafzaak na het instellen van het hoger beroep”, is dan ook tardief.
Zie het eerste overzichtsarrest over art. 80a RO: HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. F.W. Bleichrodt, r.o. 2.2.4. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken van 22 maart 2016 (PHR:2016:214) voor HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:625, NJ 2016/250, m.nt. Kooijmans (art. 80a RO), en mijn conclusie van 22 september 2015 (PHR:2015:2259) voor HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3314 (art. 80a RO). In het tweede overzichtsarrest over art. 80a RO is deze lijn verder bestendigd: HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.2.