HR, 09-09-2011, nr. 10/02013
ECLI:NL:HR:2011:BQ7047
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2011
- Zaaknummer
10/02013
- Conclusie
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
- LJN
BQ7047
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ7047, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2011; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3073, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ7047
ECLI:NL:PHR:2011:BQ7047, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2011
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3073
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ7047
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Uitleg overeenkomst tot verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap.
9 september 2011
Eerste Kamer
10/02013
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. T. Scholtus,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 667056/07-11135 van de kantonrechter, locatie 's-Gravenhage, van 20 september 2007;
b. het arrest in de zaak 105.007.553/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 februari 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de man in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren, F.B. Bakels, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.
Conclusie 27‑05‑2011
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
Partij(en)
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Inleiding
1.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie nu de aangevoerde cassatieklachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.
De zaak betreft een geschil over de uitleg van een door partijen, verder: de man en de vrouw, gesloten ‘briefovereenkomst’ gedagtekend 3 mei 2004. Deze overeenkomst is het resultaat van het overleg dat partijen en hun raadslieden hebben gevoerd over de verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. In de verdeling is betrokken de kredietovereenkomst die de man tijdens het huwelijk met de Postbank is aangegaan. De kredietovereenkomst betrof een krediet in de vorm van een doorlopend krediet met een maandelijkse termijn voor rente en aflossing. In de briefovereenkomst is met betrekking tot de verdeling van ‘het depot notaris’ onder meer vermeld dat het Postbankkrediet bij helfte wordt verdeeld. In de briefovereenkomst wordt verder vermeld welke bedragen uit hoofde van de verdeling tussen partijen middels het depot dienen te worden verrekend. Het gaat daarbij om drie bedragen. Zij betreffen niet het Postbankkrediet. In de briefovereenkomst is onder ‘overige’ afspraken de volgende passage opgenomen:
‘Na verdeling en verrekening van de tussen partijen bestaande ontbonden gemeenschap in overeenstemming met het bovenstaande verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting en verklaren zij dat er verder geen baten noch schulden bestaan die op beide partijen rusten en dientengevolge thans voor verdeling cq toedeling in aanmerking komen.’
3.
De man heeft bij inleidende dagvaarding veroordeling van de vrouw gevorderd tot betaling van de helft van de kredietschuld bij de Postbank.
De rechtbank 's‑Gravenhage heeft bij vonnis van 20 september 2007 de vordering van de man afgewezen.
Op het beroep van de man heeft het gerechtshof 's‑Gravenhage het vonnis van de rechtbank bij arrest van 9 februari 2010 bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof als volgt nadat het in rov. 6 had overwogen dat de vrouw stelt dat tussen partijen een ‘package-deal’ tot stand is gekomen die door de man expliciet wordt erkend in zijn beroepschrift onder punt 15 en dat de rechtbank terecht heeft vastgehouden aan de over en weer verleende finale kwijting:
- ‘7.
(…) In hoger beroep heeft de man geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot nader onderzoek naar de afwikkeling van de briefovereenkomst. Hij heeft geen feiten en omstandigheden bijgebracht over de wijze waarop het depot is afgewikkeld en evenmin de daarbij behorende onderliggende stukken en betalings-bewijzen. Een bewijsaanbod is door de man niet gedaan. Evenmin heeft hij feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat er niet sprake is van een package-deal zoals door de vrouw gesteld. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de grieven niet kunnen slagen en dat het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden.’
4.
De man heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Tegen de vrouw is verstek verleend. De man heeft de zaak schriftelijk toegelicht.
Het cassatiemiddel
5.
Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 7 (hiervoor geciteerd) van het arrest van het hof. Middelonderdeel 2 (middelonderdeel 1 bevat geen klacht) richt zich tegen het eerste deel van rov. 7 waarin het hof overweegt — kort gezegd — dat de man geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot nader onderzoek naar de afwikkeling van de briefovereenkomst. Middelonderdeel 3 richt zich tegen het tweede deel van rov. 7 waarin het hof overweegt dat de man geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat geen sprake is van een package-deal zoals door de vrouw gesteld. In deze laatste overweging ligt besloten dat het hof ervan is uitgegaan dat de briefovereenkomst, zoals door de vrouw gesteld, aldus moet worden uitgelegd dat deze overeenkomst een ‘package-deal’ inhoudt waarin de afwikkeling van het Postbankkrediet reeds geheel was verdisconteerd met dien verstande dat partijen na uitbetaling aan hen van het uit het notarisdepot aan ieder van hen in de briefovereenkomst toegekende bedrag, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hadden.
6.
Middelonderdeel 2.4 klaagt dat het hof met zijn overweging dat de man geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot nader onderzoek naar de afwikkeling van de briefovereenkomst, heeft miskend dat de afwikkeling van de briefovereenkomst en de wijze van afwikkeling van het depot en de daaruit gedane betalingen aan elk der partijen tussen partijen is gegaan zoals tussen partijen is afgesproken en derhalve tussen partijen niet in geschil was, zodat van de man niet gevergd kon worden feiten en omstandigheden terzake aan te voeren.
Dit middelonderdeel faalt bij gebrek aan belang nu het kennelijk niet beoogt te bestrijden 's hofs oordeel dat er geen aanleiding is nader onderzoek te doen naar de afwikkeling van de briefovereenkomst en de wijze waarop het depot is afgewikkeld.
7.
Middelonderdeel 3.2 klaagt dat 's hofs oordeel niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed nu het hof in rov. 7 heeft verzuimd de essentiële stelling van de man dat verdeling bij helfte van het krediet bij de Postbank impliceert dat partijen ieder de helft van het op 1 mei 2004 resterende schuldbedrag zullen aflossen, als vaststaand aan te merken, althans dat het hof heeft verzuimd deze stelling te behandelen.
Dit middelonderdeel faalt. Het hof was niet gehouden bedoelde stelling van de man als vaststaand aan te merken nu het hof het door de vrouw in hoger beroep gevoerde verweer kennelijk aldus heeft uitgelegd — een uitleg die niet onbegrijpelijk is — dat de vrouw geenszins onbestreden heeft gelaten de stelling van de man dat de verdeling bij helfte van het Postbankkrediet impliceerde dat de vrouw ondanks de finale kwijting over en weer nog de helft van het resterende schuldbedrag van het krediet bij de Postbank zou moeten voldoen doch dat de vrouw integendeel in hoger beroep heeft betoogd dat de briefovereenkomst een package-deal inhield waarin de afwikkeling van het Postbankkrediet reeds geheel was verdisconteerd met dien verstande dat partijen na uitbetaling aan hen van het uit het notarisdepot aan ieder van hen in de briefovereenkomst toegekende bedrag, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hadden. Het hof heeft niet verzuimd bedoelde stelling van de man te behandelen. Het hof heeft deze stelling verworpen nu in rov. 7 ligt besloten, zoals gezegd, dat het hof ervan is uitgegaan dat de briefovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij een package-deal inhield zoals door de vrouw gesteld.
8.
Middelonderdeel 3.3 klaagt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk is nu het hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen de stelling van de vrouw dat de man in de memorie van grieven onder 15 erkent dat sprake is van een package-deal en een dergelijke erkenning aldaar geenszins is te lezen.
Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat sprake is van een package-deal overweegt het hof dat de man geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat daarvan geen sprake is. In deze overweging is niet te lezen dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de man in de memorie van grieven onder 15 erkent dat sprake is van een package-deal.
9.
Middelonderdeel 3.4 klaagt, als ik het goed begrijp, dat 's hofs oordeel eveneens onbegrijpelijk is omdat het hof in zijn motivering de stelling van de man had dienen te betrekken dat de toedeling bij helfte van het krediet impliceert dat de vrouw de helft van het krediet zou moeten aflossen.
Deze klacht faalt op dezelfde gronden als middelonderdeel 3.2.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden