Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/2.2.4.2:2.2.4.2 Literatuur
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/2.2.4.2
2.2.4.2 Literatuur
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481135:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Land 1901, p. 15; Van der Steur 2003, p. 160.
Land 1901, p. 15; Hofmann 1944 (p. 16), merkt op dat grenzen tussen erven niet natuurlijk, maar kunstmatig en willekeurig zijn. Zie ook Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 9.
Zie ook Hofmann 1944, p. 16.
Opzoomer 1876, p. 83 en 84.
Diephuis 1885, p. 427.
Asser/Mijnssen/De Haan 2001 (3-I), p. 46; Land 1901, p. 15; Van der Steur 2003, p. 134 en 160.
Asser/Mijnssen/De Haan 2001 (3-I), p. 45 en 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De opmerking van Land1 als zou – in beginsel – de gehele aardbol een onroerende zaak zijn, brengt ons uiteraard niet veel verder. Hij merkt echter vervolgens op
‘dat het recht elk Perceel grond als bijzonder object van rechten beschouwt. De grenzen tusschen de naast elkander gelegen goederen behoeven niet uiterlijk zichtbaar te zijn, en de deeling van den grond in afzonderlijke rechtsobjecten staat den rechthebbende onbeperkt vrij, hoe hij ook de grenzen gelieve te trekken.’2
Opzoomer3 schrijft:
‘een land, dat vroeger slechts een eigenaar had, is terstond in twee landen verdeeld, wanneer de eigendom pro diviso in de handen van twee personen overgaat.’4
Diephuis bestrijdt deze opvatting. Ten aanzien van de door Opzoomer besproken situatie merkt hij op:
‘Wat zich als eene zaak vertoont, geldt ook voor het regt als ééne zaak, al worden aan haar ook deelen onderscheiden, die eveneens als zaken gelden. En een stuk land, dat eenstukland was toen het één eigenaar had, wordt wel in twee helften verdeeld, wanneer de eigendom “pro diviso” op twee personen overgaat, maar blijft daarom één stuk land, zoolang er geene afscheiding heeft plaatsgehad. Wij plegen immers onder een stuk land te verstaan eene uitgestrektheid grond, binnen zigtbare grenzen besloten en daardoor van andere afgescheiden; en al wordt het in twee helften verdeeld, die ieder een bijzonderen eigenaar zullen hebben, daarom hebben we nog geene twee stukken land, zoolang geene zigtbare grens de eene helft van de andere afscheidt.’5
In de visie van Land en Opzoomer is het derhalve mogelijk om te spreken over twee zaken, zonder dat daarvan (feitelijk) naar buiten toe blijkt. Diephuis acht een aanduiding van feitelijke grenzen noodzakelijk. Asser/Mijnssen/De Haan omschrijft een zaak als volgt:
‘ieder deel der stoffelijke natuur, dat aan de macht van de mens kan worden onderworpen, voor hem van waarde is en volgens verkeersopvattingen als een geïndividualiseerd geheel kan worden beschouwd.’
Ten aanzien van onroerende zaken wordt gesteld:
‘Speciale moeilijkheden doen zich voor bij de individualisatie van onroerende zaken. De afgrenzing van twee percelen land is niet door vorm of ruimtelijke afscheiding vanzelf gegeven, maar dient door de mensen te worden aangegeven. Het is dus in het algemeen aan de willekeur van de gerechtigde overgelaten enig stuk der oppervlakte tot zelfstandige zaak te maken. Wel heeft men in het kadaster, waarin de afzonderlijke percelen in kaart zijn gebracht, een hulpmiddel om de individualisatie te bevorderen.’6
En:
‘De vermelding op kaarten bewijst echter niet dat de grenzen van de percelen liggen zoals op de kaarten aangegeven. Evenmin volgt uit het feit dat een perceel door een kadastraal nummer is aangeduid, dat het een ondeelbare eenheid zou vormen (HR 14 september 1917, NJ 1917, 979, W 10 157).’7