Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.C.1
VII.C.1. De successie-aangifte: fiscale vertegenwoordiging en/of fiscaal 'eigen' recht?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS404938:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvT 915, nr.3,p. 26.
P.VAN DER WAL,Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2005, p. 114. Zie ook p. 113 waar wordt opgemerkt: 'Enerzijds lijkt hier geen sprake te zijn van vertegenwoordiging, omdat de wet in art. 72 SW eigen bevoegdheden en verplichtingen creeert voor derden, naast die van de erfgenamen. De erfgenamen worden aldus niet vertegenwoordigd, maar de door de wet genoemde personen treden in eigen naam op naar de Belastingdienst. Anderzijds zullen de erfgenamen wel worden getroffen door de juridische gevolgen van het handelen van de bedoelde personen.' Met deze laatste opmerking is mijns inziens de stap naar vertegenwoordiging zeer klein of zelfs reeds gezet.
M.J. HAMER, Formele bepalingen in de Successiewet 1956 (1) WPNR (2006) 6661, p. 280.
Na reeds enkele inleidende opmerkingen gemaakt te hebben over de verhouding van civielrechtelijke en fiscale vertegenwoordiging en na bij art. 44 AWR in het bijzonder te hebben stilgestaan bij vertegenwoordiging van een overledene, zal ik thans uitgebreider ingaan op de betekenis van de externe laag van executele in fiscalibus, de (privatieve) vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur. Met name wil ik ingaan op de bevoegdheid (en onder omstandigheden) verplichting van de executeur om de successie-aangifte in te dienen zoals geregeld in art. 72 SW1956.
Dat de status van de executeur successierechtelijk niet geheel duidelijk is, blijkt bijvoorbeeld uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van de Successiewet 1956, waar in de toelichting op art. 40 SW 1956 wordt opgemerkt:1
'Doch ook in gevallen, waarin de successie-aangifte door de executeur-testamentair geschiedt, is de bepaling rationeel aangezien de executeur toch in zekere zin kan worden aangemerkt als vertegenwoordiger van de er/genamen.Overigens bedenke men, dat de verplichting slechts betrekking heeft op bedoelde schenkingen, voor zover deze aan de aangevers bekend zijn.' (Curs. BS)
Interessant. De executeur als een vertegenwoordiger 'in zekere zin'. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat hij in de ogen van de fiscale wetgever opereert krachtens een eigen recht of dat hij geen door de erfgenamen aangestelde vertegenwoordiger, maar een door erflater aangestelde vertegenwoordiger, is. Dezelfde twijfel kwam ik tegen in de dissertatie van Van der Wal, zij het op het terrein van het 'eigen recht'.2 Hij concludeert dat de regeling in art. 72 SW 1956 geen vertegenwoordiging betreft, maar naar zijn oordeel is in het betreffende artikel:
'in aanvulling op art. 44 AWR een regeling gecreeerddie een eigen verplichting bewerkstelligt voor de betrokken derden, die in eigen naam optreden.' (Curs. BS)
Ook hier lijkt er vanuit te worden gegaan dat vertegenwoordiging en de eigen bevoegdheid van een executeur zich zonder meer uitsluiten. Met de fiscaalerfrechtelijke vertegenwoordigingsmaterie wordt ook geworsteld door Hamer:3
'De vraag uit eigen hoofde of als vertegenwoordiger wordt door de Hoge Raad dus niet expliciet beantwoord. [...]'
En:
'Daaruit kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de executeur ter zake geacht moet worden te handelen in zijn hoedanigheid van executeur.'
Het handelen in zijn hoedanigheid van executeur sluit het handelen als vertegenwoordiger toch niet uit, zou mijn eerste gedachte zijn. Ik kom terug op art. 72 SW 1956, maar besteed, wederom om inspiratie op te doen, eerst aandacht aan de voorhanden zijnde Belgische en Duitse benaderingen van de rol van de executeur bij de aangifte voor het 'successierecht'.