HR, 01-07-2003, nr. 00026/03 B
ECLI:NL:HR:2003:AF8776
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
01-07-2003
- Zaaknummer
00026/03 B
- Conclusie
Mr Jörg
- LJN
AF8776
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2003:AF8776, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑07‑2003
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF8776
ECLI:NL:HR:2003:AF8776, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑07‑2003; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF8776
- Wetingang
Conclusie 01‑07‑2003
Mr Jörg
Partij(en)
Nr. 00026/03 B
Mr Jörg
Zitting 13 mei 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker = klager]
1.
Bij beschikking van 3 december 2002 heeft de rechtbank te Middelburg het beklag strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen digitale camera ongegrond verklaard.
2.
Namens verzoeker heeft mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Ambtshalve vraag ik evenwel aandacht voor het volgende.
4.
Uit de processtukken blijkt het volgende. Verzoeker is op 18 augustus 2002 aangehouden en in verzekering gesteld in verband met het stiekem fotograferen van blote kindertjes. Daarbij is een digitale fotocamera in beslag genomen. Uit stukken blijkt dat de digitale camera onder verzoeker in beslag is genomen op grond van art. 94 Sv. Bij de processtukken bevindt zich een kennisgeving van inbeslagneming en een afstandsverklaring d.d. 18 augustus 2002, die - in tegenstelling tot hetgeen in de beschikking van 3 december 2002 staat - evenwel niet door verzoeker getekend is. Op de kennisgeving van inbeslagneming staat onderaan de tekst:
"Afstandsverklaring;
[ X ]Bij deze kennisgeving is/zijn 001 afstandsverklaring(en) gevoegd."
5.
Aan de zijkant van de "kennisgeving van inbeslagneming" bevindt zich ter hoogte van de hierboven genoemde tekst een geel post-it-plakkertje met de handgeschreven tekst:
"+
v[o]lgende
niet
getekend"
6.
In casu is de volgende pagina de - niet door verzoeker getekende - afstandsverklaring.
7.
Aan verzoeker is op 19 augustus 2002 een transactie aangeboden van € 30,-. Het transactieaanbod geschiedde in overleg met parketsecretaris J. Oostdijk. In het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2002 van T.H.M. Mulders (dossierparagraaf 4, p. 2), dat hiervan is opgemaakt, staat vermeld:
"Hierbij zij opgemerkt, dat de verdachte verklaarde dat hij er (ondanks het feit dat hij er afstand van had gedaan) toch prijs op stelde om de camera terug te krijgen. Hem uitgelegd, dat hij de mogelijkheid heeft om een bezwaarschrift in te dienen."
8.
In het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2002, opgemaakt door dezelfde Mulders, staat:
"Na beoordeling van de geschatte waarde van de inbeslaggenomen camera in vergelijking met de () gebruikelijke opgelegde boetes bij een dergelijk gepleegd strafbaar feit, bepaalde genoemde parketsecretaris dat de verdachte in vrijheid gesteld diende te worden. Verder bepaalde hij dat de inbeslagname van de camera gehandhaafd diende te blijven en dat aan verdachte een voorstel kon worden gedaan tot betaling van een transactiebedrag van EUR 30,-.
- ()
De verdachte ging in eerste instantie niet akkoord met het voorstel en verzocht of hij de camera terug kon krijgen. Hierop werd hem medegedeeld, dat de waarde van de camera opgeteld bij het opgelegde transactiebedrag een totaalbedrag vertegenwoordigde van de normaal bij dergelijke strafbare feiten opgelegde boetes.
Hierop verklaarde hij, dat de camera niet zijn eigendom was en dat hij genoodzaakt zou zijn om voor die eigenaar een andere camera te kopen.
Hem werd uitgelegd, dat dit gezien de financiële kant van de zaak voor hem geen verschil uit zou maken, doch dat hij de mogelijkheid had om een schriftelijk verzoek te doen aan de officier van justitie om het beslag op te heffen.
Vervolgens werd door mij de juiste adressering van het Arrondissementsparket te Middelburg aan hem overhandigd.
De verdachte ging vervolgens akkoord met het transactievoorstel en betaalde een bedrag van EUR. 30,- en werd aan hem een betalingsbewijs uitgereikt."
9.
In het geval dat een verdachte afstand heeft gedaan van een inbeslaggenomen voorwerp bepaalt art. 116, tweede lid, Sv:
"2.
Indien deze ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan het openbaar ministerie:
- a.
het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt:
- b.
gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;
- c.
in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer."
Voorwaarde voor de uitoefening van deze bevoegdheden is dat de afstand schriftelijk geschiedt.
10.
Afstand doen van een inbeslaggenomen voorwerp kan echter ook buiten het geval van art. 116 Sv plaatsvinden. Het kan als voorwaarde worden gesteld bij een transactie: art. 74, tweede lid onder b, Sr. Wanneer het openbaar ministerie een dergelijke voorwaarde heeft gesteld, zal de verdachte geacht moeten worden door de betaling zonder meer afstand te hebben gedaan. Remmelink heeft in zijn conclusie voor HR 11 maart 1986, NJ 1986, 703 daaruit afgeleid dat degene die de schikking heeft geaccepteerd later in de beklagprocedure van art. 552 Sv niet meer als belanghebbende kan worden aangemerkt.
11.
Art. 74, eerste en tweede lid, Sr bepaalt - voor zover hier van belang -:
"1.
De officier van justitie kan voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering.
2.
De volgende voorwaarden kunnen worden gesteld:
- a.
betaling aan de staat van een geldsom, te bepalen op ten minste € 2 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd;
- b.
afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;
()"
12.
In de wet zijn geen specifieke eisen gesteld betreffende de wijze waarop de afstand dient te geschieden (vgl. P. Osinga, Transactie in strafzaken, 1992, p. 232). Vooropgesteld moet worden dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn om welk voorwerp het gaat. Ook zal voor toepassing van art. 74, tweede lid onder b, Sr voldaan moeten zijn aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.
13.
Uit de stukken komt naar voren dat aan verzoeker het achterwege blijven van strafvervolging is aangeboden met als tegenprestatie één totaalpakket, bestaande uit het doen van afstand van de camera èn het betalen van € 30. Nu verzoeker het transactieaanbod heeft aanvaard en aan de voorwaarden heeft voldaan, kan hij niet meer beschouwd worden als belanghebbende, zodat hij niet-ontvankelijk moet worden geacht in zijn klaagschrift.
14.
Dit betekent dat de rechtbank verzoeker ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in zijn beklag. Dit heeft tot gevolg dat de Hoge Raad de middelen niet behoeft te behandelen.
15.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beklag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uitspraak 01‑07‑2003
Inhoudsindicatie
1 juli 2003 Strafkamer nr. 00026/03 B LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Middelburg van 3 december 2002, nummer 12/007389-02, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [klager], geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats] (Frankrijk). 1. De bestreden beschikking ...
Partij(en)
1 juli 2003
Strafkamer
nr. 00026/03 B
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Middelburg van 3 december 2002, nummer 12/007389-02, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats] (Frankrijk).
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven camera.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag.
3. Beoordeling van de bestreden beschikking naar aanleiding van het tweede middel en ambtshalve
3.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat de klager de strekking van de woorden van de verbalisant met betrekking tot de inbeslagneming en het transactievoorstel heeft begrepen, onbegrijpelijk is.
3.2.
De bestreden beschikking houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
"Mr. Sol heeft ter zitting aangevoerd dat cliënt de Nederlandse taal niet machtig is en derhalve ook de hem voorgelegde afstandverklaring niet begreep, dat beide verbalisanten de Franse taal niet machtig waren en het onduidelijk is of cliënt voor een overtreding van de Algemene Politieverordening dan wel overtreding van artikel 240B, eerste lid, Wetboek van Strafrecht is aangehouden. Tevens heeft cliënt in tegenstelling tot hetgeen in het proces-verbaal is weergegeven genoemde afstandsverklaring niet getekend.(...)
De officier van justitie (...) stelt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs tegen klager is, klager afstand gedaan heeft van de inbeslaggenomen camera én een transactie heeft betaald waarin de waarde van de inbeslaggenomen camera was verdisconteerd.(...)
Uit de stukken van het geding is het de rechtbank duidelijk geworden dat de inbeslaggenomen camera, hoewel klager in zijn eerste verklaring stelt dat hij niet de eigenaar is, eigendom van klager is, dat met deze camera een strafbaar feit is gepleegd én dat klager de strekking van de opmerking van de verbalisanten inzake de inbeslagname wel heeft begrepen.
Uit het dossier is de rechtbank ook gebleken dat klager akkoord is gegaan met de wijze waarop hij is gehoord.
De rechtbank zal, gelet hierop, het klaagschrift ongegrond verklaren."
3.3.
Uit een zich bij de stukken bevindend proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2002, nr. PL1960/02-338177, opgemaakt op ambtseed door T.H.M. Mulders, brigadier van politie, district Zeeuws-Vlaanderen, blijkt dat de klager op 19 augustus 2002 akkoord is gegaan met een transactievoorstel waarbij als voorwaarden zijn gesteld, de betaling van een geldsom van € 30,-- en het doen van afstand van de onder hem inbeslaggenomen camera, alsmede dat hij daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan dat voorstel door de betaling van het transactiebedrag.
3.4.
Nu de klager, naar de Rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld, door akkoord te gaan met het transactievoorstel heeft begrepen dat hij afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen camera, kan hij niet als belanghebbende worden beschouwd in de zin van art. 552a, eerste lid, Sv. Derhalve had de Rechtbank de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag behoren te verklaren, in plaats van te beslissen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven, en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2003.