HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1153.
HR, 30-09-2025, nr. 22/04610
ECLI:NL:HR:2025:1393
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
22/04610
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1393, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3886
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1033
ECLI:NL:PHR:2025:1033, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1393
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen witwassen van geldbedragen (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklacht afkomstig uit enig misdrijf. Heeft verdachte concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven over herkomst van geldbedragen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04624, 22/04631, 22/04742 en 23/04964.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04610
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000194-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 15‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis Sr). Bewijsklacht, verklaring verdachte concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 22/04631, 22/04624, 22/04742 en 23/04964.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04610
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 december 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 januari 2021 bevestigd waarin de verdachte wegens ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ is veroordeeld tot 20 uren taakstraf subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04602, 22/04624, 22/04631, 22/04742 en 23/04964. In de zaak 22/04602 is het cassatieberoep op 15 december 2023 ingetrokken. In de andere zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F.P. Slewe, advocaat in Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de geldbedragen van € 2.000,- en € 5.000,- uit enig misdrijf afkomstig zijn, onbegrijpelijk is gemotiveerd, althans dat het verweer dat deze bedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is verworpen.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de pleitnota.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en pleitnota
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij, op 27 februari 2013 en met 28 februari 2013 te [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, een voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van euro 2000,- op 27 februari 2013 aan [betrokkene 1] en
- een geldbedrag van euro 5000,- (39637,21 [plaats] DLR) op 28 februari 2013 aan [betrokkene 1]
heeft overgedragen, terwijl hij verdachte en zijn mededader (telkens) wist(en) dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.’
7. Het hof heeft de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen gebaseerd (met weglating van verwijzingen):
‘1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2022. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:
Ik heb volgens mij tweemaal via money transfers een geldbedrag aan [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) overgemaakt, te weten een bedrag van € 5.000,00 en een bedrag van € 2.000,00.
2. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Zaaksdossier witwassen en valsheid in geschrift’ van 8 oktober 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar UMN 17-232 (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van voornoemde verbalisant:
Money transfers naar [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in [plaats]
In de periode van 31 januari 2013 tot en met 24 april 2013 is via money transfers naar [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in [plaats] geld overgemaakt. Hieronder worden de money transfers weergegeven. De informatie van de money transfers is afkomstig van De Nederlandsche Bank:
Datum Ontvanger Bedrag Verzender
27-2-2013 [betrokkene 1] € 5.000 [betrokkene 3]
27-2-2013 [betrokkene 1] € 2.000 [verdachte]
28-2-2013 [betrokkene 1] € 5.000 [betrokkene 3]
28-2-2013 [betrokkene 1] € 5.000 [verdachte]
3. Een geschrift, te weten een overzicht van door Western Union verstrekte informatie over money transfers van 2 april 2014 (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum Sender Payee Principal Cur. Description Principal Cur.
name name
28/2/13 [verdachte] [betrokkene 1] 39.637,21 TTD [plaats] & 5000,- EUR
[verdachte] [plaats]
4. Een geschrift, te weten een niet-ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2020, opgesteld door de opsporingsambtenaar [verbalisant] (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 3 december 2020 werd gevraagd te duiden wat er in de door ICOV verstrekte gegevens betreffende verdachte [verdachte] beschreven staat. De iCOV-gegevens (belastinggegevens) zien op de periode 2009 tot en met 2013.
Inkomen uit (voormalige) arbeid (box I)
In de periode 2009-2014 had [verdachte] als enig legaal inkomen uit arbeid, zijn eenmanszaak. De onderneming was net winstgevend. [verdachte] kon uit de onderneming inkomen onttrekken, maar teerde daarbij soms op het ondernemingsvermogen in. Zijn inkomen was:
Belastingdienst betreffende Netto besteedbaar
totaal inkomen [verdachte]
Jaar Daadwerkelijk Betaalde Hypotheek- netto te besteden
onttrokken inkomstenbelasting betalingen
2009 € 22 715 ? - € 9 824 € 12 891
2010 € 19 881 ? - € 9 342 € 10 539
2011 € 20 289 ? - € 9 342 € 10 947
2012 € 21 405 ? - € 9 657 € 11 748
2013 € 26 834 ? - € 8 560 € 18 274
In verband met het ontbreken van definitieve heffingen, is de betaalde inkomstenbelasting in het voordeel van verdachte op € 0 gesteld.
Inkomen uit aanmerkelijk belang (box II)
In de periode 2009-2014 had [verdachte] geen inkomen uit aanmerkelijk belang:
Inkomen uit vermogen (box III)
In de periode 2009-2014 had [verdachte] geen (forfaitair) inkomen uit vermogen. Het saldo van diens (vrijgestelde) box III-vermogen was:
Totaal vermogen uit bankspaargelden, effecten, buitenlandse rente en verzekeringen
Jaar Totaal
2010 € 1.905
2011 € 808
2012 - € 5.979
2010-2012 vermogen is gerenseigneerd vermogen. In 2013 en 2014 deed hij daarvan geen belastingaangifte en ontbraken mij de gerenseigneerde gegevens. Zijn vermogen was in 2009- 2014 ruim onder de vrijstellingen van die jaren.
Ook het rendement uit (legaal opgegeven) vermogen van [verdachte] wordt door de dienst Toeslagen meegenomen in de berekening van de toeslagen. Het (forfaitair) rendement was elk jaar echter nihil, daar het gerenseigneerde vermogen van [verdachte] nihil was in die jaren. Verdachte kon dus niet putten uit enig legaal gestald vermogen.
Toeslagen
Van huurtoeslag of kinderopvangtoeslag was voor [verdachte] geen sprake. Er was wel sprake van zorg(premiebetaling) en door [verdachte] werd met succes een beroep gedaan op de zorgtoeslag:
Toeslagjaar Datum aanvang Datum einde Tegemoetkomingsbedrag
2012 1/1/2012 30/11/2012 € 1 596
2012 1/12/2012 31/12/2012 € 69
2013 1/1/2013 31/12/2013 € 1 059
Daarnaast ontving [verdachte] een kindgebonden budget:
Toeslagbedrag kind Jaar
€ 1094 2013
5. Een proces-verbaal van verhoor van: 15 mei 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte [betrokkene 3]:
Ik heb via een money transfer voor [verdachte] geld overgemaakt aan [betrokkene 1] . Volgens mij was dat 5000 euro. Ik kwam bij de [A] (het hof begrijpt: de eenmanszaak van [verdachte] ) en [verdachte] vroeg aan mij of ik geld wilde overmaken.
6. Een proces-verbaal van 7 november 2016, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los document).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 3]:
Ik heb twee of drie keer geld overgemaakt aan [betrokkene 1] . Volgens mij drie keer € 5.000,00. Ik kreeg dat geld van [verdachte] . In die tijd werkte ik in zijn snackbar: Hij had mij dat gevraagd. [verdachte] gaf me het geld elke keer fysiek, gewoon bij de snackbar.’
8. Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:
‘De verdachte wordt verweten, samengevat, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen door via een tweetal money transfers een bedrag van in totaal € 7.000,00 over te maken aan zijn zoon, de [betrokkene 1] .
De advocaat-generaal heeft zich overeenkomstig de inhoud van haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de verdachte naast de genoemde bedragen ook nog – met inschakeling van [betrokkene 3] – via twee andere money transfers een bedrag van in totaal € 10.000,00 aan [betrokkene 1] heeft overgemaakt. De legale vermogenspositie van de verdachte was ten tijde van de stortingen evenwel ontoereikend om dergelijke stortingen te kunnen doen. Zijn inkomen was in de periode van 2009 tot en met 2014 na betaling van vaste lasten zeer beperkt. Dat hij over meer geld heeft kunnen beschikken door de verkoop van de boot van zijn moeder acht de advocaat-generaal hoogst onwaarschijnlijk. Het kan volgens haar niet anders zijn dan dat het bedrag van € 7.000,00 uit misdrijf afkomstig is, zodat het ten laste gelegde witwassen kan worden bewezen.
De verdediging heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over hoe hij de beschikking heeft gehad over het bedrag van € 7.000,00. Bij het onderzoek van de politie naar het inkomen van de verdachte is uitgegaan van een verkeerde uitleg van het sociaal minimum; dit onderzoek is bovendien gebaseerd op niet-onderbouwde en niet-becijferde aannames over de kosten van de verdachte. De verdachte heeft verder een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de verkoop van de sloep van zijn moeder, die door het openbaar ministerie niet nader is onderzocht. Onder deze omstandigheden heeft het openbaar ministerie niet aangetoond dat het niet anders kan zijn dat het bedrag van € 7.000,00 uit misdrijf afkomstig is en de verdachte dient dus van het witwassen te worden vrijgesproken.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, zoals in deze zaak het geval is, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
De verdachte heeft op 27 en 28 februari 2013 vanuit Nederland via twee money transfers contante geldbedragen van respectievelijk € 2.000,00 en € 5.000,00 overgemaakt aan de [betrokkene 1] . Deze bevond zich toen op [plaats] . Het hof stelt vast:
(i) dat sprake is geweest van relatief hoge geldbedragen,
(ii) die op twee achtereenvolgende dagen zijn overgemaakt,
(iii) zonder gebruik te maken van het reguliere financiële verkeer, maar
(iv) via money transfers (naar het buitenland), waarvoor – naar algemeen bekend is – kosten moeten worden gemaakt die aanzienlijk hoger zijn dan voor een bancaire overboeking,
(v) ten behoeve van een ontvanger die zich bevond in het Caraïbisch gebied, van waaruit – naar algemeen bekend is – grote hoeveelheden cocaïne Nederland worden ingevoerd, wat veelal gepaard gaat met het genereren van grote contante geldbedragen die terugvloeien in omgekeerde richting.
Onder deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, leveren deze stortingen een redelijk vermoeden van witwassen op. Dit is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare, niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft over de herkomst van deze bedragen.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte in dit laatste is geslaagd, dient te worden vooropgesteld dat hij bij de politie geen inhoudelijke verklaring over de stortingen heeft willen afleggen. Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard over de stortingen, waarbij hij heeft toegelicht dat het geld dat hij aan familie overboekte deels afkomstig is uit de cafetaria; in zijn kluis lag een bedrag van ongeveer € 5.000,00 uit de cafetaria. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst verklaard dat hij ook over geld beschikte van de verkoop van de sloep van zijn moeder. Volgens de verdachte moet het wel zo zijn dat de stortingen aan zijn zoon [betrokkene 1] zijn gedaan met het geld van de sloep en ‘grotendeels’ het geld uit de cafetaria, want dit waren de enige twee geldbronnen waarover hij beschikte.
In het (vanwege de toen geldende COVID19-maatregelen niet-ondertekende) proces-verbaal ‘Bevindingen inzake legaal inkomen [verdachte] ’ van 7 december 2020 is een overzicht opgenomen van het (bij de belastingdienst bekende) inkomen van de verdachte over de periode 2009 tot en met 2013. De verbalisant heeft bij het bepalen van dit inkomen de betaalde inkomstenbelasting, bij gebreke aan definitieve heffingen, in het voordeel van de verdachte over alle jaren op nihil gesteld. Na aftrek van de door de verdachte gedane hypotheekbetalingen resteert over de genoemde jaren het volgende inkomen:
- het jaar 2009: € 12.891,00
- het jaar 2010: € 10.539,00
- het jaar 2011: € 10.947,00
- het jaar 2012: € 11.748,00
- het jaar 2013: € 18.274,00
Dit betekent dat de verdachte over deze vijf jaren een gemiddeld netto-inkomen had van ongeveer € 12.000,00 per jaar, in aanmerking genomen dat het – relatief – hoge inkomen van 2013 slechts beperkt kan zijn aangewend voor de stortingen in februari van dat jaar. In aanvulling hierop beschikte de verdachte nog over een zorgtoeslag (in 2012 een bedrag van € 1.665,00 en in 2013 een bedrag van € 1.059,00) en een kindgebonden budget (in 2013 een bedrag van € 1.094,00).
Bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte over de herkomst van de gedane stortingen is van belang dat de uitgaven van de verdachte niet beperkt zijn gebleven tot deze twee stortingen. Op 27 en 28 februari 2013 heeft [betrokkene 3] via money transfers tweemaal een bedrag van € 5.000,00 aan de [betrokkene 1] overgemaakt. Tijdens het verhoor bij de politie op 13 mei 2014 heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij het bedrag van € 5.000,00 op verzoek van de verdachte heeft overgemaakt. Bij het verhoor bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 3] nader toegelicht dat hij meermalen op verzoek van de verdachte € 5.000,00 aan [betrokkene 1] heeft overgemaakt. Hij kreeg het geld van de verdachte, bij diens snackbar. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij [betrokkene 3] heeft gevraagd om geld over te maken, maar het hof ziet hierin en ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [betrokkene 3] . Daarbij is van belang dat deze verklaring ook steun vindt in de omstandigheid dat [betrokkene 3] op dezelfde dagen als de verdachte zelf, aan dezelfde ontvanger, de geldbedragen heeft overgeboekt.
Naar het oordeel van het hof is het hoogst onaannemelijk dat de inkomsten van de verdachte in de periode van 2009 tot begin 2013 toereikend zijn geweest om, met ook nog de kosten voor het dagelijks levensonderhoud, in twee dagen tijd de genoemde stortingen (het ‘grootste deel’ van € 7.000,00 en het bedrag van € 10.000,00 via [betrokkene 3] ) te kunnen doen – die immers zijn gemiddelde netto-jaarinkomen overstijgen, ook indien de bedragen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget geheel in aanmerking worden genomen. Aldus heeft de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven voor de stortingen van in totaal € 7.000,00. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat dit onverklaarbaar contant vermogen, bij gebreke van een dergelijke verklaring, uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.’
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 2, 3, 7 en 24 november 2022, houdt onder meer het volgende in:
‘2 november 2022
(…)
De [verdachte] verklaart als volgt op vragen van het hof.
Waarom heeft u op 27 en 28 februari 2013 geldbedragen van respectievelijk € 2.000,00 en € 5.000,00 overgemaakt aan [betrokkene 1] ?
Ik blijf bij mijn eerdere verklaring. Ik weet niet meer wat ik toen heb verklaard. Het is lang geleden. Ik hoor u zeggen dat ik toen niet heb verklaard over de reden waarom ik geld aan [betrokkene 1] heb overgemaakt. Waarschijnlijk heeft hij mij om geld gevraagd en heb ik dat vervolgens overgemaakt, maar ik weet niet meer precies hoe dat gegaan is. Ik weet niet waar [betrokkene 1] zich op dat moment bevond. Ik kan mij niet herinneren of dit de eerste keer was dat [betrokkene 1] mij had gevraagd om geld over te maken. Het klopt dat [betrokkene 1] mijn zoon is. U vraagt mij of ik nog weet om hoeveel geld het ging. Ik hoorde u zojuist een bedrag van € 5.000,00 en een bedrag van € 2.000,00 noemen. Dat kan kloppen.
Wat was de herkomst van dat geld?
Het geld kwam uit mijn eenmanszaak. Ik had een cafetaria, [A] genaamd. Het merendeel van het geld kwam uit mijn zaak vandaan. Daarnaast heb ik in 2006 een boot gekregen van mijn inmiddels overleden moeder die ik in 2011 heb verkocht. Het klopt dat mijn raadsman stukken over de verkoop van de boot heeft overgelegd. De boot heb ik in 2011 aan een kennis van mij, [betrokkene 4] , verkocht voor € 15.000,00. Ik had nog een restantje over van de verkoop van de boot. Ik weet niet meer hoeveel dat was. Ik zou ook niet meer weten hoeveel het geld bedroeg dat uit mijn cafetaria afkomstig was.
Waarom is het document met betrekking tot de verkoop van de boot pas in hoger beroep ingebracht?
Enige tijd geleden kwam ik het document tegen bij het opruimen van een kast. Ik heb dat toen aan mijn raadsman gegeven om te kijken of we er iets mee kunnen. Ik hoor u zeggen dat ik niet eerder heb verklaard dat ik beschikte over geld vanwege de verkoop van een boot. De verkoop van de boot was een emotionele gebeurtenis. Dat kan daarmee te maken hebben. Vanwege financiële omstandigheden en onderhoudskosten moest ik de boot verkopen.
Uit verschillende stukken blijkt dat u geen rooskleurige financiële positie had. De rechtbank heeft geoordeeld dat u niet over genoeg geld beschikte om dergelijke geldbedragen over te kunnen boeken.
Het geldbedrag had ik contant in mijn kluis liggen.
Heeft u [betrokkene 3] gevraagd om geld over te maken aan [betrokkene 1] ?
Ik kan mij niet herinneren of ik [betrokkene 3] heb gevraagd om geld over te maken. De verklaring van [betrokkene 3] zegt mij niks. Ik heb volgens mij tweemaal via money transfers een geldbedrag aan [betrokkene 1] overgemaakt, te weten een bedrag van € 5.000,00 en een bedrag van € 2.000,00. Volgens mij heb ik niet meer dan dat overgemaakt. Ik weet nog specifiek waar het geld van die twee betalingen vandaan kwam; voor een deel uit de zaak en voor een deel uit de verkoop van de boot. Bij mijn stiefvader lag een potje waarin geld zat van de verkoop van de boot en ik had zelf een potje liggen waarin ook contant geld zat dat elke week binnenkwam vanuit de zaak. Daar moet het geld vandaan zijn gekomen. Dat waren mijn enige geldbronnen.
U weet niet meer waarom u grote geldbedragen aan uw zoon heeft overgemaakt?
Als [betrokkene 1] geld aan mij vraagt, krijgt hij dat als hij dat nodig heeft. Ik wist niet waarvoor hij het geld nodig had. Ik heb het gewoon overgemaakt. Ik vertrouw hem; hij is mijn zoon. Ik hoor u zeggen dat € 7.000,00 veel geld is gezien mijn financiële positie; Ik mag toch geld overmaken aan mijn zoon.
De boot die ik van mijn moeder heb gekregen, hebben we helemaal zelf opgebouwd. Mijn moeder heeft die bij leven aan mij gegeven, omdat ik veel werk aan de boot had verricht. Bij de politie heb ik niets gezegd. Het kwam eerder niet in mij op om te zeggen dat ik geld had uit verkoop van de boot. Ik weet niet meer of ik dat ben vergeten of heb verzwegen. Ik weet niet meer waarom ik de ene dag € 2.000,00 heb overgemaakt en de dag daarna € 5.000,00.
De [verdachte] verklaart als volgt op vragen van de advocaat-generaal.
Waarom heeft u de boot verkocht terwijl u daar emotioneel mee verbonden bent?
Ik heb de boot in 2011 verkocht, omdat ik de boot niet meer kon onderhouden. Er gaat veel tijd in zitten en het kost veel geld. Daarom wilde ik de boot kwijt. U vraagt mij waarom de koopovereenkomst van de boot pas gistermiddag is verstrekt. Ik heb dat document al eerder aan mijn raadsman gegeven. U vraagt mij wat de koopovereenkomst zegt en wat de bedoeling daarvan is. Ik kwam de koopovereenkomst tegen en die heb ik ingeleverd. Ik dacht: misschien kunnen we daar iets mee. Een deel van de verkoopopbrengst van de boot heb ik aan [betrokkene 1] overgemaakt, maar hoeveel dat was weet ik niet meer.
(…)
3. november 2022
(…)
Pleidooi in de zaak [verdachte]
(…)
Mr. Gijsberts wordt in de gelegenheid gesteld het woord ter verdediging te voeren. Hij doet dit aan de hand van een op schrift gesteld pleidooi, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Het pleidooi is aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.
(…)
Dupliek in de zaak [verdachte]
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren. Hij doet dit als volgt.
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn het eens over wat onder het sociaal minimum moet worden verstaan. De advocaat-generaal stelt dat er ook belastingen en verzekeringen moeten worden betaald van het besteedbare inkomen en dat er weinig overbleef, maar het Openbaar Ministerie heeft nagelaten dit in kaart te brengen door middel van onderzoek. De transacties van cliënt hadden opgevraagd kunnen worden. Niet is voldaan aan de onderzoeksplicht.
Met betrekking tot de verkoop van de boot wordt opgemerkt dat het Openbaar Ministerie de koopovereenkomst eenvoudig en snel had kunnen verifiëren. Er is gelet op de planning alle gelegenheid om de politie dit te laten uitzoeken. Niet kan worden gezegd dat het late tijdstip van indienen op zichzelf de inhoud van de verklaring hoogst onwaarschijnlijk maakt. Er is uitleg gegeven over waarom cliënt pas in een laat stadium met de verklaring over de boot is gekomen. Daarbij is de verklaring van cliënt niet uit de lucht gegrepen en eenvoudig te controleren. Dat de mede terechtstaande familieleden niets over de verkoop van de boot hebben gezegd, kan cliënt niet worden tegengeworpen. Tijdens de behandeling is gebleken dat het zwijgzame types zijn.’
10. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘6. De verdediging betwist het bestaan van een witwasvermoeden niet, maar meent dat cliënt in eerste aanleg en vervolgens in hoger beroep verklaringen heeft afgelegd over de legale herkomst van het geld die voldoen aan de eisen die de: Hoge Raad daaraan stelt. Cliënts verklaring is deels niet onderzocht en het onderzoek dat naar (een deel van) de verklaring is uitgevoerd is gemankeerd en, kan in ieder geval niet leiden tot het oordeel dat het niet anders zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is.
(…)
Verkoop sloep
12. Cliënt heeft, zoals blijkt uit de overlegde koopovereenkomst, in 2011 zijn boot verkocht (die hij eerder van zijn moeder heeft gekregen) voor een bedrag van € 15.000 contant. Cliënt had dus meer geld te besteden dan uit het proces-verbaal kan worden afgeleid.
13. Het wordt cliënt tegengeworpen dat een bewijs van verkoop niet een bewijs van betaling is. Dat mag op zichzelf zo zijn maar de advocaat-generaal gaat er aan voorbij dat cliënt de betaling niet hoeft te bewijzen of zelfs maar aannemelijk te maken. Hij heeft er een verklaring over afgelegd en de overlegde overeenkomst maakt die verklaring concreet en verifieerbaar omdat er een naam en contactgegevens van de koper opstaan.
14. Voor de volledigheid is ook nog een verklaring van de stiefvader van cliënt aan deze pleitnotities gehecht. Zijn stiefvader bevestigt dat cliënt de boot heeft gekregen, verkocht en dat hij een deel van de opbrengst bij zijn stiefvader heeft bewaard. Ook een foto van de moeder van cliënt in de betreffende boot is bijgevoegd.
15. Volgens de advocaat-generaal zou met name het tijdstip van indienen maken dat de verklaring hoogst onwaarschijnlijk is, maar dat is niet juist. Het is namelijk niet zo gek dat die verklaring nu pas komt. De transacties zijn verricht in 2013. Cliënt is gehoord in 2014 en heeft toen gezwegen. In 2020, dus 7 jaar later, heeft hij ter zitting verklaard dat – kort gezegd – hij voldoende legaal inkomen/vermogen had om de transacties te verrichten. Pas later heeft hij zich gerealiseerd dat dat vermogen ten dele afkomstig was van de opbrengst van de boot.
16, In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie naar aanleiding van de verklaring van cliënt ter zitting in een zeer kort tijdsbestek nader onderzoek laten verrichten. Ook de verklaring die cliënt over de boot heeft afgelegd had eenvoudig en op korte termijn getoetst kunnen worden door de politie met de koper te laten bellen. Overigens valt het mij op dat in de zaken tegen de medeverdachten de verklaringen die worden afgelegd over de herkomst van gelden en de stukken die daarbij worden overlegd in het geheel niet worden onderzocht, ook als die verklaringen al langer geleden zijn afgelegd. Dat cliënt pas laat met zijn verklaring is gekomen lijkt dus een gelegenheidsargument van de advocaat-generaal.
(…)
Welk deel is van de boot afkomstig?
18. Dat cliënt, bijna tien jaar na de transacties, niet precies meer weet welk deel van de € 7.000 is betaald met geld uit de onderneming en welk deel met de opbrengst van de boot is niet gek en betekent niet dat cliënts verklaring niet als concreet of verifieerbaar moet worden gezien. Overigens heeft cliënt in eerste aanleg op zitting (pv zitting 1 december 2020, blad 9) verklaard dat hij ongeveer € 5.000 geld van de snackbar in de kluis had liggen. Dat komt overeen met cliënts verklaring die hij gisteren heeft afgelegd dat het grootste deel van het overgemaakte bedrag afkomstig is van de snackbar.
19. De Hoge Raad verwacht niet dat een verdachte de exacte herkomst tot op de euro nauwkeurig specificeert. Het is voldoende dat cliënt verklaart op grond van welke bronnen hij in die tijd legaal over het betreffende geldbedrag kon beschikken. Die verklaring is concreet (privé onttrekkingen uit onderneming en verkoop van een boot), verifieerbaar (fiscale stukken, verkoopovereenkomst met contactgegevens van de koper) en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.’
Bespreking van het middel
11. De steller van het middel voert ter onderbouwing van de klacht aan dat het hof wat betreft de opbrengst van de verkoop van de boot slechts overweegt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ‘voor het eerst’ heeft verklaard dat hij ook over geld beschikte van de verkoop van zijn sloep van zijn moeder. Het hof laat volgens de steller van het middel in het midden of deze verklaring over de inkomsten uit de verkoop van zijn boot concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Daardoor zou het hof in zoverre niet hebben gerespondeerd op het verweer van de raadsman en aldus zou de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd zijn.
12. Uw Raad heeft in een arrest van 10 september 2024 het volgende overwogen:1.
‘3.3 Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (als bedoeld in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)’
13. Uit de pleitnota volgt dat de raadsman het bestaan van een witwasvermoeden niet heeft betwist. Aangevoerd is, kort gezegd, dat de verdachte ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Die verklaring houdt, zo volgt uit de pleitnota, in dat het legaal vermogen dat de verdachte had ‘om de transacties te verrichten’ ten dele afkomstig was van de opbrengst van de boot en ‘dat het grootste deel van het overgemaakte bedrag afkomstig is van de snackbar’.
14. Het hof heeft overwogen dat de stortingen van € 2.000,- en € 5.000,- een redelijk vermoeden van witwassen opleveren en dat daarom van de verdachte mag worden verlangd dat hij ‘een concrete, min of meer verifieerbare, niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft over de herkomst van deze bedragen’. Het hof overweegt daarna dat de verdachte bij de politie geen inhoudelijke verklaring over de stortingen heeft willen afleggen, dat hij in eerste aanleg heeft verklaard dat het geld dat hij aan de familie overboekte deels afkomstig is uit de cafetaria, en pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard ‘dat hij ook over geld beschikte van de verkoop van de sloep van zijn moeder’. Volgens de verdachte, aldus het hof, moet het wel zo zijn ‘dat de stortingen aan zijn zoon [betrokkene 1] zijn gedaan met het geld van de sloep en ‘grotendeels’ het geld uit de cafetaria, want dit waren de enige twee geldbronnen waarover hij beschikte’.
15. Het hof gaat vervolgens inhoudelijk nader in op de verklaring dat het geld grotendeels afkomstig is uit de cafetaria. Dat duidt erop dat het hof de verklaring van de verdachte over het geld van de sloep, gelet op het tijdstip waarop de verdachte met deze verklaring is gekomen, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk heeft geacht. Dat oordeel zou niet onbegrijpelijk zijn. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat de bewezenverklaring data uit februari 2013 betreft, terwijl volgens de pleitnota de sloep in 2011 zou zijn verkocht en alleen een koopovereenkomst is overgelegd, niet een bewijs van betaling. Het hof heeft genoemd oordeel evenwel niet expliciet tot uitdrukking gebracht.
16. Het hof stelt vervolgens feiten en omstandigheden vast op basis waarvan het oordeelt dat het ‘hoogst onaannemelijk (is) dat de inkomsten van de verdachte in de periode van 2009 tot begin 2013 toereikend zijn geweest om, met ook nog de kosten voor het dagelijks levensonderhoud, in twee dagen tijd de genoemde stortingen (het ‘grootste deel’ van € 7.000,00 en het bedrag van € 10.000,00 via [betrokkene 3] ) te kunnen doen’. Aldus heeft de verdachte, zo overweegt het hof, ‘niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven voor de stortingen van in totaal € 7.000,00. Naar het oordeel van het hof kan het daarom niet anders zijn dan dat dit onverklaarbaar contant vermogen, bij gebreke van een dergelijke verklaring, uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist’.
17. Ingeval er, met de steller van het middel, vanuit wordt gegaan dat het hof in het midden heeft gelaten hoe het denkt over de verklaring inzake de sloep, meen ik dat cassatie in het licht van deze vaststellingen achterwege kan blijven. Aard en ernst van het bewezenverklaarde wordt naar het mij voorkomt niet aangetast als wordt aangenomen dat een beperkt deel van de geldbedragen van € 2.000,- en € 5.000,- van de verkoop van de sloep afkomstig zou zijn en daarmee een legale herkomst zou hebben.2.Ik wijs daarbij ook op de weging van de ernst die uit de opgelegde straf naar voren komt.
18. Het middel faalt.
Afronding
19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. In het licht van de opgelegde straf behoeft dat niet tot strafvermindering te leiden. Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑07‑2025
Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7770. Vgl. in verband met het gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn van voorwerpen HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44, m.nt. Keijzer en HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377. Uit de pleitnota kan worden afgeleid dat de verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer € 5.000,- van de snackbar in zijn kluis had liggen (randnummer 18).