Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/2.1
2.1 Verplichting tot het opmaken van een jaarrekening en een bestuursverslag
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648809:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In dit boek staat de vrijstelling van de jaarrekeningenplicht op basis van artikel 2:403 BW centraal. In uitzonderlijke situaties kan een rechtspersoon (m.u.v. een NV waarvan effecten zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt, zie artikel 2:101 lid 7 BW) het ministerie van Economische Zaken op basis van gewichtige redenen verzoeken om een ontheffing van de verplichting tot het opmaken (en publiceren) van de jaarrekening. Te denken valt aan situaties waarin de rechtspersoon wordt ontbonden, aan de rechtspersoon surseance van betaling is verleend of waarin een rechtspersoon failliet is verklaard. De minister zal niet zelf op een dergelijk verzoek beslissen. Zij heeft deze besluitvormingsbevoegheid gemandateerd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Wordt de ontheffing verleend, dan dient het bestuur in plaats van een jaarrekening een afschrift van de ontheffing bij het Handelsregister te deponeren (zie artikel 2:394 lid 5 BW). De verplichting tot het opstellen en openbaar maken van het bestuursverslag blijft ook bij het verkrijgen van een vrijstelling onverkort van kracht.
Zie voor deze verplichting de verschillende wetsartikelen: artikel 2:48 BW (vereniging); artikel 2:58 BW (coöperatie/onderlinge waarborgmaatschappij); artikel 2:101 BW (NV); artikel 2:210 BW (BV); artikel 2:300 BW (stichting).
Bij de BV en de NV wordt de jaarrekening in beginsel vastgesteld door algemene vergadering. Indien bij een BV alle bestuurders tevens aandeelhouder zijn, vindt de vaststelling van de jaarrekening plaats door ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen. Bij een coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of (commerciële) vereniging wordt dit gedaan door de ledenvergadering. Bij een commerciële stichting wordt de jaarrekening vastgesteld door het daartoe statutair bevoegde orgaan of door het eventueel ingestelde toezichthoudende orgaan. Is er sprake van een commerciële stichting waarbij geen toezichthoudend orgaan is ingesteld, dan wordt de jaarrekening vastgesteld door het bestuur van de commerciële stichting.
De regeling van artikel 2:403 BW had geen bestaansrecht wanneer op rechtspersonen niet de verplichting zou rusten om jaarlijks een jaarrekening op te maken en deze te publiceren.1 Het (jaarlijks) opmaken van de jaarrekening valt onder de wettelijke verantwoordelijkheid van het bestuur van de rechtspersoon.2 Het bestuur van een NV of een BV is in beginsel tevens verplicht om een bestuursverslag op te stellen. Doordat de jaarrekening wordt vastgesteld door een ander orgaan dan het bestuur vindt intern een controle plaats. Zo wordt vormgegeven aan de interne verantwoordingsplicht van het bestuur.3
Niet op elke rechtspersoon rust een even zware jaarrekeningenplicht. Alvorens de vraag te stellen of een rechtspersoon op basis van de groepsvrijstelling kan worden vrijgesteld, dient de vraag te worden beantwoord welke jaarrekeningenplicht er op deze rechtspersoon rust.
Om een aantal 403-vragen niet juridisch-technisch maar dogmatisch te kunnen benaderen, dient de achterliggende gedachte achter de verplichting tot het opstellen en publiceren van een jaarrekening te worden begrepen.
Een vrijstelling van de jaarrekeningenplicht is nodig wanneer een rechtspersoon niet tijdig wil of kan voldoen aan de jaarrekeningenplicht. Het niet tijdig opstellen, vaststellen en publiceren van de jaarrekening kan tot verschillende sancties leiden.