HR, 09-03-2012, nr. 11/01129
ECLI:NL:HR:2012:BV8190
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-03-2012
- Zaaknummer
11/01129
- LJN
BV8190
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑03‑2012
ECLI:NL:HR:2012:BV8190, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑03‑2012; (Cassatie)
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHDHA:2013:2447
- Vindplaatsen
NTFR 2012/691 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
FutD 2012-0674
Viditax (FutD) 2012030910
Beroepschrift 09‑03‑2012
Gronden van cassatie
Aan het beroep in cassatie liggen de navolgende cassatiemiddelen ten grondslag:
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 5.0.2 het naar aanleiding van de arresten van de Hoge, Raad van 25 april 2008 door appellant(e) bij de brief van 23 mei 2008 ingediende verzoek tot heropening heeft afgewezen, waarbij het Hof heeft verwezen naar onderdeel 5.0 van zijn uitspraak van 2 Juli 2009 gepubliceerd onder LJN BVI 298 zonder deze uitspraak aan de thans in cassatie bestreden uitspraak te hechten.
Toelichting
1.1.
De Derde Meervoudige Belastingkamer heeft in de onderhavige procedure als geheimhoudingskamer bij tussenuitspraak van 20 juni 2006 geoordeeld dat een beperking van de kennisname van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven gerechtvaardigd was.
1.2.
Uw Raad heeft nadien in twee arresten van 25 april 2008 (LJN: BB5868 en BA3823) het navolgende overwogen:
‘3.2.4.
Voor zover het Hof met die overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat de onderwerpelijke passages niet kunnen worden beschouwd als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb, geldt het volgende. Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de Inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de Inspecteur. Die betwisting — evenals haar eventuele onderbouwing — berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op Juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de Inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb.
In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dar, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Voor zover het Hof met toepassing van artikel 8:42 Awb tot zijn oordeel is gekomen, heeft het hetzij deze regels miskend, hetzij onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een uitzonderingsgeval dan wel dat belanghebbende niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het draaiboek van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.
Opmerking verdient dat (in de onderhavige context) niet reeds sprake is van misbruik van procesrecht indien het belang van de belanghebbende bij de verlangde inzage niet opweegt tegen het belang van de Belastingdienst dat daardoor wordt geschaad, doch eerst indien de belanghebbende, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij inzage en het belang van de Belastingdienst dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid geen aanspraak op inzage kan maken.’
1.3.
Bij brief van zijn/haar gemachtigde van 23 mei 2008 had appellant(e) daarom aan het Hof het navolgende bericht:
‘Ongetwijfeld heeft u van het tweetal arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008 kennis genomen.
In beide arresten heeft de Hoge Raad aangegeven dat aan een gemotiveerd verzoek van belastingplichtige, hetgeen door mijn cliënten reeds is gedaan, tot overlegging van het integrale draaiboek, dat volgens hen van enig belang kan zijn voor de besluitvorming in hun zaak moet worden tegemoet gekomen, tenzij een gerechtvaardigde weigering o.g.v. art 8.29 AWB dit toelaat, of te wel er sprake is van misbruik van procesrecht.
Vooralsnog zie ik geen grond, zowel in de zin van art. 8.29 AWB alsmede in procesrecht, om het integrale draaiboek, inclusief alle nieuwsbrieven en dergelijke niet aan mijn cliënten te verstrekken.
Ik verzoek uw Hof op grond van het beginsel van equality of arms de Inspecteur te gelasten het integrale draaiboek, alle nieuwsbrieven en interne memo's in het geding in te brengen, met het verzoek deze na ontvangst aan gemachtigde te doen toekomen, teneinde hem in de gelegenheid te stellen om hierop inhoudelijk een reactie te mogen geven.
Dit schrijven doe ik u mede namens [A] toekomen.’
1.4.
Bij brief van 30 mei 2008 heeft het Hof deze brief geretourneerd met de mededeling dat het onderzoek in de betreffende zaken was gesloten en de inhoud van dit schrijven geen aanleiding tot heropening van het onderzoek gaf (vide hiervoor ook rechtsoverweging 1.21 van het bestreden arrest).
1.5.
Het Hof heeft pas bij de thans in cassatie bestreden beschikking zijn eerdere afwijzing bij de brief van 30 mei 2008 van het voormeld verzoek louter middels een verwijzing naar onderdeel 5.0. van zijn uitspraak van 2 juli 2009 gepubliceerd onder LJN BJ1298. Deze uitspraak maakt evenwel geen deel uit van het onderhavige procesdossier en kan niet dienen als motivering voor de afwijking van het verzoek van appellant(e) nu deze uitspraak niet aan de thans in cassatie bestreden uitspraak is gehecht. Hiertoe wordt verwezen naar een uitspraak van uw Raad van 31 maart 1982 (nr. 20/755, BNB 1982/211), waarin uw Raad dit als een motiveringsgebrek heeft aangemerkt dat tot vernietiging van de betreffende uitspraak dient te leiden. Gelet op deze uitspraak van uw Raad dient dan ook de thans in dit geding bestreden uitspraak van het Hof niet in stand te blijven en vernietigd te worden.
1.6.
Afgezien hiervan is deze motivering bovendien onbegrijpelijk. Deze uitspraak waar het Hof naar verwijst is immers van een latere datum dan de brief van 30 mei 2008. Een uitspraak van 2 juli 2009 kan als zodanig nooit ten grondslag hebben gelegen aan de afwijzing in een brief van 30 mei 2008, dit des te meer daar het Hof in die uitspraak de afwijzing van het verzoek van de belanghebbende in die zaak had gebaseerd op een brief van de inspecteur van 2 februari 2009. Ook die brief is van later datum dan 30 mei 2008.
1.7.
Een en ander blijkt uit het onderdeel 5.0. van de uitspraak van 2 juli 2009, waarin het Hof het navolgende heeft overwogen:
‘5.0.
De op de zaak betrekking hebbende stukken.
5.0.1.
In zijn pleitnota van 18 juni 2007 heeft de gemachtigde het volgende geschreven:
‘De Inspecteur heeft […] een groot aantal van de feitelijke gegevens waarop hij zijn schatting voor de enkelvoudige belasting kennelijk heeft gebaseerd, niet in dit geding overgelegd, ondanks diverse eerdere verzoeken daartoe. Ik noem bij wijze van voorbeeld: de gegevens van de database en andere gegevens waarop de Inspecteur zich heeft gebaseerd bij het opleggen van de onderhavige aanslagen, de gerenseigneerde saldi van de weigeraars en de ontkenners, saldi van bankrekeningen bij andere banken dan KBL, die meewerkers hebben onthuld, enz.. Ik verzoek Uw Hof om de Inspecteur te vragen om al die gegevens alsnog in deze procedures te overleggen.’
Soortgelijke verzoeken heeft de gemachtigde eerder gedaan in zijn pleitnota's van 24 februari 2006 en 24 mei 2006.
5.0.2.
Het Hof vat de in de vorige alinea bedoelde verzoeken aldus op, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ als bedoeld in artikel 8:42 Awb heeft ingezonden. Het Hof heeft dit verzoek voorshands voldoende gemotiveerd geacht als bedoeld in rechtsoverweging 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43 791, BNB 2008/162, en vervolgens dit standpunt van belanghebbende aan de inspecteur voorgelegd.
5.0.3.
De inspecteur heeft bij brief van 2 februari 2009 op de zojuist bedoelde verzoeken van belanghebbende als volgt gereageerd:
‘Ik ben van mening dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht en de belanghebbende reeds alle stukken heeft. Ter toelichting merk ik hierover nog het volgende op.
Bij het ontstaan van het Rekeningenproject is het zogenaamde ‘Zoeklicht’ ontwikkeld. Dit ‘Zoeklicht’ is een computerprogramma waarin de gegevens van de diverse rekeninghouders zijn ingebracht Het doel van het ‘Zoeklicht’ was ondersteuning van de behandelaars en het genereren van bestuurlijke informatie over de voortgang en de opbrengst van het Rekeningenproject. Voor een verdere beschrijving van het ‘Zoeklicht’ verwijs ik naar het Draaiboek onderdeel 2.3.2.1 (Het ‘Zoeklicht Rekeningenproject’) en het verweerschrift (onderdeel Redelijke aanslag, onderdeel database Rekeningenproject).
In het verweerschrift is in hetzelfde onderdeel (Redelijke aanslag, onderdeel database) ook de ‘applicatie correcties’ beschreven. Deze ‘applicatie correcties’ is ontwikkeld, omdat, toen in de loop van 2002 werd nagedacht over de wijze waarop de correcties voor hen die niet meewerkten zouden moeten worden geschat, bleek dat het ‘Zoeklicht’ daar niet geschikt voor was.
Dit werd met name veroorzaakt, doordat in het ‘Zoeklicht’ gegevens over de opgelegde aanslagen waren opgenomen; d.w.z. belastingbedragen, maar niet de inkomens- en/of vermogenscorrecties en soms ook geen specificatie per middel of per jaar.
In het verweerschrift is aangegeven welke gegevens in de ‘applicatie correcties’ zijn ingevoerd. Het vullen van deze ‘applicatie correcties’ is achteraf gedaan door alie lokale inspecteurs aan de hand van de fysieke dossiers en opgelegde aanslagen (het ‘Zoeklicht’ bood immers de voor de ‘applicatie correcties’ gewenste informatie niet of onvoldoende). Zoals in het verweerschrift is aangegeven gaat het daarbij om de dossiers van belastingplichtigen die informatie over de door hen in het buitenland aangehouden bankrekeningen [Hof noot inspecteur: ‘ook andere dan KBL’] hebben verstrekt, zowel na vragen van de inspecteur als uit eigen beweging (zgn. inkeerders of spijtoptanten).
De ‘applicatie correcties’ is een computerprogramma (Access). In een dergelijk computerprogramma kunnen queries/berekeningen worden uitgevoerd met betrekking tot de ingevoerde gegevens. De door de Inspecteur overgelegde tabellen zijn de uitkomsten van deze queries. Dit zijn de als bijlagen D overgelegde tabellen. Uw Hof en de belanghebbende beschikken over deze tabellen. Hiermee zijn de stukken overgelegd.
De tabellen D3-D6 geven een overzicht van alle renseignementssaldi en de daarbij behorende correcties [Hof noot Inspecteur: ‘Als geen renseignementssaldo is ingevuld is er sprake van een inkeerder/spijtoptant’]. bij het uitdraaien van deze tabellen zijn de sofinummers vervangen door volgnummers. Er is in verband met de geheimhoudingsplicht van art 67 AWR geen uitdraai gemaakt waarbij de sofinummers zijn opgenomen. Er is derhalve geen andere uitgedraaide versie van de tabellen D3-D6 dan de reeds overgelegde versie. Voor zoveel nodig beroep ik mij voor het niet alsnog uitdraaien en overleggen van deze tabellen met sofinummers op gewichtige redenen als bedoeld in art 8:29 Awb. Ik ben van mening dat art 67 AWR mij verbiedt deze gegevens te verstrekken.
Voor de volledigheid merk ik op, dat de sofinummers voor het begrip en gebruik van de tabellen ook geen enkele toegevoegde waarde hebben.
Bij het uitdraaien van de tabellen D1 en D2 zijn de ingevoerde gegevens van degenen waarbij correcties zijn aangebracht op een andere wijze gegroepeerd, nl. naar omvang van renseignementssaldo en de daarbij behorende totale correctie en gemiddelde correctie; bij het uitdraaien van de tabellen D7 en D8 heeft een groepering plaatsgevonden naar spreiding van de correcties over de jaren.
Ik ben dan ook van mening dat ik met het overleggen van deze stukken volledig voldaan heb aan hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 25 april 2008 BNB 2008/161 van de inspecteur verlangt. De gegevens uit de ‘applicatie correcties’ die gebruikt zijn, zijn in tabellen uitgedraaid en deze zijn overgelegd.
Gelet op de door de belanghebbende genoemde voorbeelden van gegevens is hij van mening dat alle achter de ‘applicatie correties’/het ‘Zoeklicht’ liggende gegevens zouden moeten worden overgelegd. Dit zou betekenen dat van alle in het Rekeningenproject betrokken personen (duizenden) de volledige dossiers zouden moeten worden overgelegd: renseignement, de volledige correspondentie, rekeningenoverzichten, de berekening van alle individuele correcties en alle opgelegde aanslagen. Ik ben van mening dat deze stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat de verplichting tot het overleggen van stukken niet zo ver gaat dat al deze gegevens zouden moeten worden overgelegd, Indien u van mening bent dat de verplichting wel zo ver gaat, beroep ik mij voor het niet overleggen op gewichtige redenen als bedoeld in art 8:29 Awb: ik ben van mening dat art 67 AWR mij verbiedt deze stukken van andere belastingplichtigen in te brengen. Daarnaast ben ik van mening dat bovendien sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in het […] arrest van de Hoge Raad van 25-04-2008 (r.o, 3.5.2 en 3.5.6). Het is nl. fysiek en praktisch onmogelijk om duizenden volledige dossiers van andere belastingplichtigen uit geheel Nederland in een procedure in te brengen.’
5.0.4.
In rechtsoverweging 3.2.4 van het eerdergenoemde arrest BNB 2008/162 heeft de Hoge Raad overwogen:
‘Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur.
Die betwisting — evenals haar eventuele onderbouwing — berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op Juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Voor zover het Hof met toepassing van artikel 8:42 Awb tot zijn oordeel is gekomen, heeft het hetzij deze regels miskend, hetzij onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een uitzonderingsgeval dan wel dat belanghebbende niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het draaiboek van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.
Opmerking verdient dat (in de onderhavige context) niet reeds sprake is van misbruik van procesrecht indien het belang van de belanghebbende bij de verlangde inzage niet opweegt tegen het belang van de Belastingdienst dat daardoor wordt geschaad, doch eerst indien de belanghebbende, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij inzage en het belang van de Belastingdienst dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid geen aanspraak op inzage kan maken.’
5.0.5.
Het Hof begrijpt het verzoek van belanghebbende om overlegging van ‘een groot aantal van de feitelijke gegevens waarop [de inspecteur] zijn schatting voor de enkelvoudige belasting […] heeft gebaseerd’, mede gelet op de voorbeelden waarmee belanghebbende zijn verzoek heeft toegelicht, aldus dat belanghebbende meent dat de hierna opgesomde documenten door de inspecteur alsnog dienen te worden ingebracht:
- 1.
het Draaiboek en de Nieuwsbrieven (zie 1.8);
- 2.
de in het computerprogramma ‘Zoeklicht’ opgenomen gegevens (en/of de daaraan ten grondslag liggende documenten);
- 3.
de in het gegevensbestand ‘Applicatie correcties’ (hierna: de Applicatie) opgenomen gegevens (en/of de daaraan ten grondslag liggende documenten);
- 4.
de (gegevens op de) microfiches betreffende de weigeraars en de ontkenners;
- 5.
de documenten en gegevens betreffende tegoeden die meewerkers bij andere banken dan de KB-Luxbank hebben aangehouden;
- 6.
alle stukken in het kader van de identificatie van belanghebbende;
- 7.
de gegevens die ‘[C]’ aan een medewerker van de Belastingdienst heeft overhandigd;
- 8.
kopieën van de aangiften van belanghebbende voor alle betrokken jaren.
Het Hof duidt hier en in het vervolg als ‘meewerkers’ aan degenen die in het kader van het Rekeningenproject informatie over een (of meer) buitenlandse bankrekening(en) hebben verstrekt, zowel degenen die dit uit eigen beweging hebben gedaan (inkeerders) als degenen die dit hebben gedaan na vragen van de inspecteur, welke vragen de inspecteur heeft gesteld nadat de betrokkenen als mogelijk houder van een op een fotokopie vermelde rekening waren geïdentificeerd.
5.0.6.
Op het verzoek van belanghebbende om overlegging van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven heeft de Derde Meervoudige Kamer beslist bij de onder 1.13 vermelde tussenuitspraak van 21 maart 2007. Hetgeen is vastgesteld, overwogen en beslist in die tussenuitspraak maakt integraal onderdeel uit van de onderhavige uitspraak. Nu die tussenuitspraak op 21 maart 2007 aan partijen is verzonden, zal het Hof deze niet aan de onderhavige uitspraak hechten.
5.0.7.
Het Hof leidt uit de onder 5.0.3 aangehaalde brief van de inspecteur van 2 februari 2009 en uit hetgeen hij schrijft in zijn verweerschrift onder 6.6.1 af, dat de in het Zoeklicht opgenomen gegevens niet van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. De inspecteur heeft immers gesteld dat het Zoeklicht twee functies had die geen van beide betrekking hadden op de besluitvorming betreffende de aanslagregeling.
Enerzijds strekte het Zoeklicht ertoe medewerkers van de Belastingdienst informatie te verschaffen over de voortgang en de opbrengst van het Rekeningenproject. Anderzijds — zo staat ook in het Draaiboek onder 2.3.2.1 — had het Zoeklicht de functie de aanslagregelende ambtenaren uitsluitend administratief te ondersteunen, dat wil zeggen — naar het Hof begrijpt — in ieder geval niet te ondersteunen bij de besluitvorming in het kader van de aanslagregeling van een individuele belastingplichtige. Het Hof heeft, mede gelet op de desbetreffende passages in het Draaiboek, geen enkele reden om aan deze niet, althans onvoldoende, weersproken stelling van de inspecteur te twijfelen. Dit betekent dat het Zoeklicht dus niet gebruikt kon worden in het kader van de besluitvorming met betrekking tot de individuele aanslagregeling.
Noch met betrekking tot de vraag óf een aanslag diende te worden vastgesteld, noch met betrekking tot de vraag tot welk bedrag een aanslag diende te worden vastgesteld, speelde het Zoeklicht een rol. Derhalve is het Hof van oordeel dat de inspecteur niet gehouden is om de in het Zoeklicht opgenomen gegevens of de documenten die aan die gegevens ten grondslag liggen over te leggen.
5.0.8.1.
Het Hof leidt uit de evenvermelde brief van de inspecteur van 2 februari 2009 tevens af dat de Applicatie is ontworpen om te kunnen komen tot een schatting van de na te vorderen bedragen bij de ontkenners en de weigeraars. Daartoe zijn in de Applicatie bepaalde gegevens van meewerkers ingebracht, zoals hun namen en sofinummers, alsmede gegevens met betrekking tot het — aanvankelijk — verzwegen inkomen en vermogen. Op basis van de ingebrachte gegevens konden vervolgens de tabellen 3 tot en met 6 worden opgesteld (zie verder ook 5.4.3). Deze tabellen geven een overzicht van — uitsluitend — de renseignementssaldi en de daarbij behorende correcties per meewerker, uitgesplitst naar 18 en VB en naar particulier en ondernemer. In de tabellen zijn de namen en de sofinummers van de meewerkers weggelaten. Naar het oordeel van het Hof zijn de in de Applicatie opgenomen gegevens van belang geweest voor de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. De inspecteur heeft echter volstaan met het inbrengen van de tabellen en geweigerd tevens de daaraan ten grondslag liggende gegevens, in het bijzonder de namen en de sofinummers van de meewerkers, te verstrekken. Het Hof acht gewichtige redenen aanwezig als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, Awb, welke deze weigering rechtvaardigen. Het verstrekken van die gegevens zou immers een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de meewerkers, zonder dat daarmee een redelijk belang van belanghebbende zou zijn gediend. Het kunnen controleren van de juistheid van die namen en nummers is niet een zodanig belang, aangezien eventuele onjuistheden in die gegevens niet van betekenis zijn voor de hoogte van de correcties. Voor zover belanghebbende de namen, sofinummers en overige gegevens van de meewerkers wil hebben, teneinde te kunnen controleren of de inspecteur de juiste gegevens in de Applicatie heeft ingevoerd, is het Hof van oordeel dat ook hier het belang van belanghebbende moet wijken voor het belang van meewerkers op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Door uitsluitend de tabellen over te leggen heeft de inspecteur dan ook zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen niet geschonden.
5.0.8.2.
Voor zover moet worden aangenomen dat belanghebbende tevens heeft verzocht om overlegging van de documenten die ten grondslag liggen aan de gegevens welke in de Applicatie zijn opgenomen, geldt het volgende. De inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat overlegging van die documenten op praktische bezwaren stuit, vrijwel onuitvoerbaar is en geen enkel redelijk belang dient. Op die grond is het Hof van oordeel dat zich hier een uitzonderingsgeval voordoet als is bedoeld in het onder 5.0.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad. De inspecteur is dus niet gehouden de bedoelde documenten over te leggen.
5.0.8.3.
Het Hof voegt hier — gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2009, nr. 07/13014, LJN BH 9184 — nog het volgende aan toe. De inspecteur heeft bij zijn verweerschrift onder ‘B Informatieset’ nummers 1 tot en met 15 en onder D9 (verder de B/D-bijlagen) verscheidene geanonimiseerde stukken ingebracht. Hoewel daaromtrent door partijen niets is gesteld gaat het Hof er veronderstellenderwijs van uit dat deze stukken de inspecteur ongeanonimiseerd ter beschikking stonden en dat hij ze omwille van zijn geheimhoudingsverplichting ex artikel 67 AWR en/of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen heeft geanonimiseerd.
Naar het oordeel van het Hof behoren de B/D-bijlagen — in hun originele vorm, dat wil zeggen zonder dat de daarin voorkomende namen onleesbaar zijn gemaakt — tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, Awb diende de inspecteur derhalve deze documenten bij zijn verweerschrift te voegen. Hij heeft dit niet gedaan. Uit de omstandigheid dat de inspecteur geanonimiseerde documenten heeft overgelegd, begrijpt het Hof dat de inspecteur met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, Awb heeft geweigerd de niet-geanonimiseerde documenten over te leggen. Het Hof acht gewichtige redenen als bedoeld in die wetsbepaling aanwezig, welke die weigering rechtvaardigen. Het verstrekken van ongeanonimiseerde gegevens zou immers een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende personen, zonder dat daarmee een redelijk belang van belanghebbende zou zijn gediend. In dit kader acht het Hof van belang dat belanghebbende op geen — in ieder geval niet voldoende — wijze heeft aangegeven waarom zijn processuele positie geschaad zou zijn door het door de inspecteur inbrengen van de geanonimiseerde B/D-bijlagen.
5.0.9.
Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur ook niet gehouden de (stukken betreffende de) renseignementsgegevens en/of overige gegevens betreffende de weigeraars en de ontkenners over te leggen.
Aangezien de schatting van de hoogte van de correcties is gebaseerd op de gegevens van de meewerkers, kunnen de gegevens betreffende de weigeraars en de ontkenners geen rol hebben gespeeld bij de besluitvorming in de zaak van belanghebbende. Het overleggen daarvan stuit bovendien — zoals de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht-op praktische bezwaren, is vrijwel onuitvoerbaar en dient geen enkel redelijk belang.
5.0.10.
Voor zover belanghebbende documenten en gegevens overgelegd wil hebben van de meewerkers betreffende hun buitenlandse bankrekeningen, niet zijnde rekeningen bij de KB-Luxbank, heeft het volgende te gelden. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur bij de schatting van de correcties de inkomsten uit en de tegoeden op de niet bij de KB-Luxbank aangehouden rekeningen mede in aanmerking mocht nemen (zie 5.4.9.2). Nu het Hof onder 5.0.8.1 en 5.0.8.2 heeft geoordeeld dat de inspecteur niet gehouden is om (stukken betreffende de) renseignementsgegevens en/of overige gegevens van de meewerkers over te leggen, betekent dit ook — nu de verhouding tussen de correcties die voortvloeien uit de rekeningen bij de KB-Luxbank en bij andere buitenlandse banken van geen enkel belang is — dat de inspecteur niet verplicht is om stukken in te brengen waaruit blijkt welk deel van de correcties op de rekeningen bij andere banken dan de KB-Luxbank betrekking heeft.
5.0.11.1.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht de inspecteur te gelasten de gegevens die een zekere ‘[C]’ in 1995 aan de FIOD heeft overhandigd, in de onderhavige procedure over te leggen. Kennisneming van die stukken kan naar de mening van belanghebbende van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de inspecteur de gegevens die hij in 2000 spontaan van de Belgische belastingautoriteiten heeft ontvangen, zonder nader onderzoek naar de herkomst ervan mocht gebruiken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur wellicht meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens. De mogelijke verwijzing door de inspecteur naar de zogenoemde ‘silver platter-doctrine’ gaat volgens belanghebbende niet op, omdat de microfiches vanwege het in Luxemburg geldende bankgeheim nooit aan de inspecteur ter beschikking hadden mogen worden gesteld.
5.0.11.2.
Zoals hierna wordt overwogen onder 5.1 mocht de inspecteur, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43 050, BNB 2008/159, de fotokopieën als bewijsmiddel gebruiken. Dit geldt ook voor de boete (zie 5.7.1.5). Het door de inspecteur instellen van een nader onderzoek naar de herkomst van de fotokopieën was voor zijn bewijsvoering niet noodzakelijk.
Ook het Luxemburgse bankgeheim stond daaraan niet in de weg. In dit licht bezien heeft belanghebbende onvoldoende gemotiveerd waarom de door ‘[X]’ overhandigde gegevens van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming in zijn zaak. Het onderhavige verzoek van belanghebbende moet dus worden afgewezen.
5.0.12.
Belanghebbende heeft tevens verzocht om overlegging van kopieën van de aangiften van belanghebbende voor alle betrokken jaren. De inspecteur heeft: gesteld dat hem betreffende die aangiften niet meer stukken ter beschikking staan dan die welke hij heeft ingebracht. In hetgeen belanghebbende hiertegen heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van die stelling. Daarom moet worden aangenomen dat het onderhavige verzoek van belanghebbende betrekking heeft op stukken welke de inspecteur niet ter beschikking staan, zodat van een verplichting tot het overleggen van die stukken geen sprake kan zijn.
5.0.13.
In zijn pleitnota van 18 juni 2007 heeft de gemachtigde het Hof voorts verzocht:
‘de Inspecteur te vragen om alle stukken die op deze zaak betrekking hebben met betrekking tot de identificatie, in dit geding over te leggen, bijv. de gegevens van de database die als basis voor de identificatie hebben gediend, beschrijving van de gebruikte methode van analyse en de resultaten daarvan en met name de gegevens die ertoe zouden hebben geleid dat belanghebbende moet worden beschouwd als degene die eind januari 1994 over een bankrekening bij de KB zou hebben beschikt. […].’
5.0.14.
Het Hof acht belanghebbendes verzoek om ‘gegevens van de database die als basis voor de identificatie hebben gediend’, voor zover dit verzoek geen betrekking heeft op stukken die in voorgaande rechtsoverwegingen aan de orde zijn gesteld, onbegrijpelijk en te vaag, zodat het reeds om die reden niet toewijsbaar is.
De door belanghebbende gevraagde ‘beschrijving van de gebruikte methode van analyse’ is naar het oordeel van het Hof geen document waarop artikel 8:42 Awb betrekking heeft. Het Hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat er betreffende de bedoelde methode meer documenten aan de inspecteur ter beschikking stonden dan die welke hij heeft ingebracht.
Voor zover het verzoek betrekking heeft op gegevens die hebben geleid tot de vaststelling dat belanghebbende moet worden beschouwd als houder van een bankrekening bij de KB-Luxbank, is het te vaag.
Ook hier geldt dat het Hof geen enkele reden heeft om aan te nemen dat er dienaangaande meer documenten aan de inspecteur ter beschikking stonden dan die welke hij heeft ingebracht.
5.0.15.
Voor zover belanghebbende om overlegging van meer of andere dan de hiervoor vermelde gegevens heeft verzocht, beschouwt het Hof dat verzoek als onvoldoende gemotiveerd.
5.0.16.
De slotsom luidt dat de inspecteur op basis van artikel 8:42 Awb niet gehouden is meer stukken in het geding te brengen dan die welke hij reeds heeft ingebracht. Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om overlegging van stukken af, behoudens voor zover het betreft de Amsterdamse versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven, aan welk verzoek de inspecteur, naar niet in geschil is, adequaat gevolg heeft gegeven.’
1.8.
In zijn uitspraak van 2 juli 2009 heeft het Hof het verzoek om overlegging van het integrale draaiboek in de uitspraak van 2 juli 2009 verder afgewezen middels een verwijzing naar een in die procedure gedane tussenuitspraak door de Derde Meervoudige Kamer van 21 maart 2007. Die tussenuitspraak maakt evenmin deel uit van de onderhavige procedure en is evenmin aan de thans in cassatie bestreden uitspraak gehecht. Deze tussenuitspraak van 21 maart 2007 kan derhalve evenmin mede dienen tot motivering van de afwijzing van het verzoek van appellant(e) in de onderhavige procedure.
1.9.
Bovendien is deze tussenuitspraak van eerdere datum dan de arresten van uw Raad van 25 april 2008 en is in deze tussenuitspraak geen rekening gehouden met deze arresten, terwijl appellant(e) juist met een beroep op de arresten van 25 april 2008 om de overlegging van het integrale draaiboek had verzocht.
1.10.
Het Hof heeft derhalve niet dan wel volstrekt ondeugdelijk gemotiveerd, waarom het naar aanleiding van de arresten van uw Raad van 25 april 2008 gedane verzoek tot heropening van het onderzoek is afgewezen.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietlgheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof na de heropening van het onderzoek ter zitting bij de brief van 23 juni 2008 heeft nagelaten te beslissen op het namens appellant(e) en overige belanghebbenden bij brief van 23 mei 2008 ingediende verzoek om de inspecteur te gelasten het integrale draaiboek, alle nieuwsbrieven en interne memo's in het geding te brengen.
Toelichting
2.1.
Bij zijn brief van 23 juni 2008 heeft Hof aan de gemachtigde bericht, dat het had verzuimd om ten behoeve van het dossier een kopie te maken van de in de toelichting bij Middel 1 weergegeven brief van 23 mei 2008 en aan de gemachtigde verzocht om daarvan wederom een kopie toe te zenden.
2.2.
De gemachtigde heeft aan dit verzoek voldaan, waardoor vaststaat dat de brief met het daarin vervatte verzoek tot het dossier behoort.
2.3.
De consequentie daarvan is dat het Hof na de heropening van het onderzoek alsnog een gemotiveerde beslissing had behoren te geven op het door de gemachtigde gedane verzoek om de inspecteur te gelasten het integrale draaiboek, alle nieuwsbrieven en interne memo's in het geding te brengen.
2.4.
Het Hof heeft dit ten onrechte nagelaten.
Middel 3
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 5.0.2 de verzoeken die appellant(e) naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010 had ingediend heeft afgewezen omdat de verzoeken niet zouden zijn onderbouwd met feiten waaruit kan volgen dat ten aanzien van hem sprake is van een verdere overschrijding van de navorderingstermijn dan voor het opleggen van de navorderingsaansiagen noodzakelijk was.
Middel 4
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 5.0.3.6. onder pt. 3 heeft overwogen dat de mogelijkheid dat [cc] de persoon was die eerder documenten aan de Nederlandse fiscus heeft aangeboden op zichzelf geen aanleiding geeft om hem als getuige te horen.
Toelichting
3.1.
Het Hof heeft het onderzoek bij de zitting van 17 december 2008 opnieuw gesloten. Het Hof van Justitie heeft nadien naar aanleiding van door uw Raad gestelde prejudiciële vragen op 11 juni 2009 arrest gewezen in de gevoegde zaken C-155/08 en C-157/08 en daarin onder meer het navolgende overwogen:
- ‘62.
Teneinde uit te maken of een regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen en om belastingfraude te bestrijden, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee gevallen.
(…)
- 74.
Het tweede geval betreft de situatie waarin de belastingautoriteiten van een lidstaat wel beschikken over aanwijzingen over in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. In dit geval kan geen rechtvaardiging worden gevonden voor de toepassing door eerstgenoemde lidstaat van een verlengde navorderingstermijn die niet specifiek ertoe strekt, de belastingautoriteiten van deze lidstaat in staat te stellen op nuttige wijze gebruik te maken van regelingen voor wederzijdse bijstand tussen lidstaten, en die in werking treedt zodra de betrokken belastbare bestanddelen in een andere lidstaat zijn ondergebracht.
- 75.
Wanneer de belastingautoriteiten van een lidstaat over aanwijzingen beschikken op basis waarvan zij zich tot de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten hadden kunnen wenden, hetzij via de in richtlijn 77/799 neergelegde regeling voor wederzijdse bijstand hetzij via de regeling van bilaterale overeenkomsten, met het verzoek om mededeling van de inlichtingen die hun van nut zijn voor de juiste vaststelling van de belastingschuld, is — zoals verzoekers in de hoofdgedingen stellen — het loutere feit dat de betrokken belastbare bestanddelen in een andere lidstaten zijn ondergebracht, immers geen rechtvaardiging voor de algemene toepassing van een bijkomende navorderingstermijn die niet afhankelijk is van de tijd die noodzakelijkerwijs moet verlopen om op nuttige wijze gebruik te maken van deze regelingen voor wederzijdse bijstand.’
3.2.
Uw Raad heeft in vervolg op de door het Hof van Justitie in voormeld arrest gegeven antwoorden op de door uw Raad gestelde vragen een aantal arresten gewezen waaronder het arrest van 26 februari 2010 (LJN:BJ9120).
3.3.
Dit arrest was voor appellant(e) aanleiding om bij brief van 22 april 2010 het Hof opnieuw te verzoeken om het onderzoek te heropenen en het Hof het navolgende te berichten:
‘In opgemelde procedures heeft uw Hof het onderzoek op de voet van artikel 8:65 Awb gesloten.
Ingevolge artikel 8:68 AWB is uw Hof bevoegd voor de reeds gesloten zaken het onderzoek te heropenen. Op de voet van voormeld artikel kunnen belanghebbenden uw Hof verzoeken, indien zij van mening zijn dat na het sluiten van het onderzoek feiten of uitspraken van nationale en internationale gerechtelijke instanties bekend zijn geworden die voor een oordeelsvorming van de door hen aanhangig gemaakte zaak van belang kunnen zijn, de zaak te heropenen.
Zoals u bekend zal zijn heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie inmiddels bij arrest van 11 juni 2009 antwoord gegeven op een aantal prejudiciële vragen die de Hoge Raad had gesteld in verband met het in artikel 16 AWR bestaande onderscheid tussen een navorderingstermijn van 5 jaar indien belastingplichtigen verzwegen tegoeden in Nederland hebben aangehouden en een navorderingstermijn van 12 jaar voor het geval deze verzwegen tegoeden in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn aangehouden.
Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest de verklaring voor recht gegeven, dat wanneer voor de belastingautoriteiten tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in de betrokken lidstaat zelf zijn aangehouden. Daarbij maakt het niet uit of de andere lidstaat een bankgeheim kent of niet.
Naar aanleiding van deze verklaring door het Hof van Justitie heeft de Hoge Raad bij arrest van 26 februari 2010 (LJN:BJ9120) overwogen dat indien er aanwijzingen zijn dat de Belastingdienst indien zij over aanwijzingen beschikt over in een ander Lid-Staat van de Europese Unie aangehouden inkomensbestanddelen de Belastingdienst met de nodige voortvarendheid moet handelen bij het vaststellen van de navorderingsaanslag nadat de aanwijzingen over het buitenlandse inkomen bekend zijn geworden.
De Hoge Raad heeft op 9 april 2010 vier arresten gewezen, waarin hij heeft beslist dat de belastingplichtige wel dient te stellen, dat de inspecteur de 5-jaarstermijn van artikel 16 AWR, lid 3 verder heeft overschreden dan het volgens het Hof van Justitie aanvaardbare tijdsverloop.
Nu na de sluiting door uw Hof van het onderzoek is voormelde nieuwe jurisprudentie bekend geworden, waaruit blijkt dat men dient te stellen, dat de vijfjaarstermijn verder is overschreden dan volgens het Hof van Justitie aanvaardbaar is, is er voldoende reden om het onderzoek te heropenen. In het dossier bevindt zich een op 26 november 1996 opgemaakt proces-verbaal van [LL] ambtenaar bij de FIOD.
[LL] verklaart daarin dat zich op maandag 6 februari 1995 een tipgever had gemeld die zich onder de naam [MM] had aangediend. [LL] had daarvoor volgens dit proces-verbaal al een paar malen telefonisch contact met [MM] gehad. Op 30 januari 1995 had [MM] in afwezigheid van [LL] al ongevraagd een enveloppe achtergelaten met een fotokopie van bankgegevens van ene […] uit [T]. [MM] heeft aan [LL] meegedeeld, dat hij o.a. bankgegevens van de KBL kon verstrekken.
Hij heeft meegedeeld dat hij al informatie had verkocht aan Frankrijk. Nadien heeft [MM] nog diverse malen contact opgenomen met [LL]
Het Ministerie van Financiën heeft besloten om hierop niet in te gaan niettegenstaande de toen al bestaande tipgeldregeling (de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 24 oktober 1985, nr. 585-24 843). Deze regeling is recentelijk nog uitvoerig in de media aan de orde gesteld naar aanleiding van een brief hierover van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer.
Nadien is in België tegen betrokken Belgische belastingplichtigen een strafrechtelijk onderzoek gestart en zijn bescheiden in beslag genomen. Dat is toen allemaal voluit in de media besproken en dus ook niet voor de Nederlandse Belastingdienst onopgemerkt gebleven.
Het was de Nederlandse Belastingdienst in 1995 en in ieder geval korte tijd daarna dan ook al bekend dat de Belgische Belastingdienst al een onderzoek op basis van via oud-werknemers van de KBL verkregen informatie was begonnen ter zake van Belgische belastingplichtigen die door hen bij de KBL aangehouden saldi en effecten niet hadden aangegeven. Uit een artikel in het dagblad Trouw van 8 augustus 1996 blijkt dat de Nederlandse Belastingdienst heeft aangegeven dat wanneer haar illegaal gegevens zouden worden aangeboden zij daarvan geen gebruik zouden maken, wanneer die gegevens onrechtmatig zouden zijn verkregen.
Ook in de direct hierop volgende jaren had het Belgische onderzoek de volle aandacht van de Belgische media, onder meer in verband met de klacht die de advocaten van de KBL op 6 april 1998 hadden ingediend bij het comité P.
In de wetenschap dat [MM] haar al eerder bankgegevens van de KBL had aangeboden en dat in 1996 in België door de Belgische Belastingdienst een onderzoek was gestart naar Belgische rekeninghouders bij de KBL, had de Nederlandse Belastingdienst de conclusie moeten trekken, dat de Belgische autoriteiten (mogelijkerwijs) beschikten over gegevens van door Nederlandse belastingplichtigen bij de KBL aangehouden rekeningen, te meer daar [MM] al op 6 februari 1995 een naam van een Nederlandse ingezetene met een rekening bij de KBL had opgegeven.
Uit de hiervoor beschreven feiten blijkt, dat de Belastingdienst al jaren, voordat de Belgische autoriteiten haar in 2000 in het kader van de spontane uitwisseling de gegevens verstrekte inzake Nederlandse rekeninghouders bij de KBL, over aanwijzingen beschikte dat Nederlandse belastingplichtigen hun bij de KBL aangehouden saldi en effecten verzwegen.
De Nederlandse Belastingdienst had dus al veel eerder gebruik kunnen maken van de mogelijkheid die voor dat geval artikel 9 van de bijstandsrichtlijn biedt. Het Hof van Justitie meldt die mogelijkheid uitdrukkelijk in rechtsoverweging 64 van het arrest van 11 juni 2009:
‘Aangezien artikel 2 van richtlijn 77/799 de autoriteiten van een lidstaat slechts voor een bepaald geval toestaat contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat, zijn de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat, wanneer zij geen aanwijzing over het bestaan van in deze andere lidstaat aangehouden belastbare bestanddelen hebben, slechts in staat een onderzoek in te stellen wanneer zij vooraf informatie over het bestaan van deze bestanddelen verkrijgen hetzij van de andere lidstaat, met name via een regeling voor automatische uitwisseling van inlichtingen zoals bedoeld in artikel 9 van de richtlijn, hetzij van de belastingplichtige zelf of van derden.’
Toen de Belastingdienst in 1995 dan wel kort daarna op de hoogte raakte van het feit, dat de Belgische autoriteiten beschikten over gegevens m.b.t. Nederlandse rekeninghouders bij de KBL had al onmiddellijk met de Belgische Staat op basis van artikel 9 van de bijstandsrichtlijn een regeling moeten worden getroffen op basis waarvan de Belgische autoriteiten deze gegevens aan de Nederlandse Belastingdienst had moeten verstrekken. Dat is niet gebeurd.
De Belastingdienst beschikte dus ver voor 2000, namelijk vanaf 1995, over gegevens om een onderzoek te starten en over de mogelijkheden om in dat kader via artikel 9 van de bijstandsrichtlijn aan de Belgische autoriteiten te verzoeken de gegevens te verstrekken die zoals de zaken liepen pas in 2000 in het kader van de spontane uitwisseling zijn verstrekt.
De Belastingdienst heeft nagelaten om deze mogelijkheid te benutten. Gelet op de implicaties van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 en die van de arresten van de Hoge Raad van 9 april 2010 is er daarom aanleiding om uw Hof te verzoeken om in de in aanhef aangeduide procedures het thans gesloten onderzoek te heropenen om te onderzoeken of in de onderhavige zaken de inspecteur van de Belastingdienst al of niet de 5-jaarstermijn van artikel 16 AWR, lid 3 verder heeft overschreden dan het volgens het Hof van Justitie aanvaardbare tijdsverloop.
Indien uw Hof besluit om het onderzoek niet te heropenen en arrest te wijzen, zal door mij namens alle belanghebbenden op basis van artikel 8:88 Awb een verzoek tot herziening worden ingediend.
Dit verzoek wordt mede namens [A] gedaan ten behoeve van zijn cliënten’.
3.4.
In deze brieven heeft appellant(e) middels zijn gemachtigde feiten gesteld, die erop duiden dat de Nederlandse Belastingdienst al veel eerder, te weten in 1995, over feiten en aanwijzingen beschikte op basis waarvan zij zich tot de bevoegde autoriteiten van België had kunnen wenden dan de datum kort na 27 oktober 2000, de datering van de brief van de Belgische Belastingdienst, waarbij deze de kopieën van de microfiches aan de Nederlandse Belastingdienst had toegezonden.
3.5.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.0.2. van de einduitspraak de afwijzing van deze verzoeken gemotiveerd met de overweging dat appellant(e) de verzoeken niet zou hebben onderbouwd met feiten waaruit kan volgen dat ten aanzien van hem/haar sprake is geweest van een verdere overschrijding van de navorderingstermijn dan voor het voorbereiden en opleggen van de navorderingsaanslagen noodzakelijk was en met de overweging dat de motivering van de verzoeken beperkt zouden zijn tot een verwijzing in algemene zin naar de bedoelde stelplicht.
3.6.
Appellant(e) stelt voorop dat het Hof inzake de overschrijding van de navorderingstermijn een andere en ruimere maatstaf hanteert dan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie acht een bijkomende navorderingstermijn alleen gerechtvaardigd voor zover die afhankelijk is van de tijd die noodzakelijkerwijs moet verlopen om op nuttige wijze gebruik te maken van de regelingen voor wederzijdse bijstand. De interpretatie die het Hof geeft op grond waarvan de navorderingstermijn kan worden overschreden als dat voor het opleggen en voorbereiden van de navorderingsaanslagen noodzakelijk is, staat toe dat ook andere redenen dan de tijd die nodig is voor het op nuttige wijze gebruik maken van de regelingen van wederzijdse bijstand een overschrijding van de navorderingstermijn kunnen rechtvaardigen.
3.7.
Het Hof had met de wetenschap die het Hof had met betrekking tot de data waarop de in het geding zijnde navorderingsaanslagen waren vastgesteld en aan appellant(e) waren opgelegd tot de conclusie moeten komen dat appellant(e) de verzoeken met feiten had onderbouwd waaruit kon worden afgeleid dat de navorderingstermijn al in 1995 een aanvang had genomen en dat de Belastingdienst al vanaf 1995 op voortvarend wijze tot de vaststelling van de navorderingsaanslagen over de voorliggende jaren had moeten komen. Het Hof had op basis van die vaststelling tot het oordeel moeten komen dat het onderzoek wel heropend had moeten worden. Bij heropening van het onderzoek zou het Hof hebben kunnen vaststellen dat zoals de zaken in werkelijkheid verliepen de navorderingstermijn in 1995 of een latere datum maar in elk geval ruimschoots eerder dan het Hof thans heeft vastgesteld is aangevangen, dat in 1995 al op nuttige wijze gebruik had kunnen worden gemaakt van de regelingen van wederzijdse bijstand en dat de aan appellant(e) opgelegde aanslagen gelet op de aan het Hof bekende data waarop de navorderingsaanslagen waren vastgesteld en opgelegd vernietigd hadden moeten worden, omdat de navorderingstermijn van vijf jaar verder was overschreden dan noodzakelijk was voor het op nuttige wijze gebruik maken van de regelingen van wederzijdse bijstand.
3.8.
Het Hof heeft de verzoeken van appellant(e) om heropening van het onderzoek in de brieven van 22 juli 2009 en 22 april 2010 dan ook ten onrechte afgewezen. Middel 3 dient te slagen.
3.9.
In samenhang hiermee heeft te gelden dat anders dan het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.6. onder pt. 3 heeft overwogen er wel degelijk aanleiding was om Derauw als getuige te horen nu dit de persoon was die de documenten aan de Nederlandse Belastingdienst heeft aangeboden, zodat ook middel 4 dient te slagen.
Middel 5
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 1 ten aanzien van het door de gemachtigde van appellant(e) bij brief van 30 maart 2007 gedane bewijsaanbod om de getuigen [D], [E] en [F] te horen ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering heeft overwogen dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en deze overweging ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn slotsom in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt 6 dat het bewijsaanbod moet worden afgewezen.
Middel 6
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 1 ten aanzien van het door de gemachtigde van appellant(e) bij brief van 30 maart 2007 gedane bewijsaanbod om de getuigen [D], [E] en [F] te horen ten onrechte dan wel zonder toereikende motivering heeft overwogen dat uit hetgeen onder 5.1. is overwogen de identificatie van de belanghebbenden zoals appellant(e) voor juist gehouden moet worden en de verklaringen van de getuigen [D], [E] en [F] daaraan geen afbreuk zouden kunnen doen.
Toelichting
4.1.
Bij brief van 30 maart 2007 heeft de gemachtigde onder meer het navolgende bericht:
‘(…) a) Voor uw Hof heeft op 2 februari jl. getuigenverhoor van [B] plaatsgevonden. Tijdens dit getuigenverhoor heeft [B] aangegeven, dat voordat de documenten/afschriften van microfiches op zijn bureau zijn beland, andere personen hiervan reeds kennis hadden genomen, te weten [D] (teamleider), [E] (tweede man van de afdeling) en [F] Het onderzoek is daarna door hem uitgevoerd in samenwerking met zijn collega, [G]
Uit het getuigenverhoor is komen vast staan, dat sedert de ontvangst van de documenten door de FIOD-ECD en de ontvangst door [B], geruime tijd verstreken is. De vraag dient beantwoord te worden wat in de tussenliggende periode met de documenten is gebeurd. De reeds in eerdere stadia opgemaakte ambtsedige processen-verbaal van [B] geven hier geen inzicht in. Tijdens het getuigenverhoor heeft [B] aangegeven dat het dossier eerst bij [E] terecht is gekomen. Deze heeft een onderzoek ingesteld en is tot de bevinding gekomen dat hij niets met deze gegevens aan kon. De vraag luidt hoe [E] tot deze bevinding is gekomen en waarom [B] op basis van dezelfde gegevens tot andere bevindingen is gekomen.
Op grond van het voorgaande is het geboden de hiervoor genoemde personen [D] [E] en [F] in het kader van een getuigenverhoor te horen teneinde te vernemen wat in de tussenliggende periode met de documenten is gebeurd, wanneer de documenten zijn ontvangen, wat voor documenten dit waren, etc..
Ten aanzien van [G] wens ik te vernemen hoe het onderzoek in zijn werk is gegaan en zijn bevindingen naar aanleiding van het onderzoek dat door hem en [B] in Nederland, België en Luxemburg is verricht. Daarnaast heeft [B] verklaard van informele gesprekken geen proces-verbaal te hebben gemaakt. Van [G] wens ik te vernemen wat er tijdens genoemde informele gesprekken in Nederland, België en Luxemburg aan de orde is gesteld (…).’
4.2.
In rechtsoverweging 5.0.3.4. van de bestreden uitspraak heeft het Hof ten aanzien hiervan overwogen dat het horen van de getuigen [D], [E] en [F] redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, aangezien zij geruime tijd voordat appellant(e) door een nader onderzoek als rekeninghouder bij de KBL werd geïdentificeerd, met de door de FIOD uit België ontvangen gegevens te maken hebben gehad.
4.3.
Die overweging kan op navolgende gronden geen standhouden.
4.4.
De gemachtigde heeft in het verzoek aangegeven dat binnen de kringen van de Belastingdienst [E] aanvankelijk op basis van de hem op dat moment bekende gegevens en bescheiden tot het oordeel is gekomen, dat de door de Belgische Belastingdienst verstrekte startinformatie, dus de fotokopieën van de microfiches, tot de bevinding was gekomen dat hij er niets mee aan kon.
4.5.
Vervolgens is in dit verzoek aangegeven dat geruime tijd later [B] tot de andere bevinding is gekomen. De gemachtigde heeft de vraag gesteld aan welke oorzaak dit verschil moet worden toegeschreven en daarom verzocht de getuigen [D], [E] en [F] te horen om te vernemen wat in de tussenliggende periode met de documenten is gebeurd, wanneer documenten zijn ontvangen en wat voor documenten het waren.
4.6.
Uit het verzoek van de gemachtigde blijkt dat niet is uitgesloten dat [B] op grond van bepaalde documenten, andere dan de fotokopieën van de microfiches als zodanig, tot het oordeel is gekomen, dat hij iets met die fotokopieën aankon.
4.7.
Uit de door de getuigen [D], [E] en [F] af te leggen getuigenverklaringen zou derhalve kunnen blijken op grond van welke documenten [B] tot zijn andere oordeel is gekomen.
4.8.
Bovendien zou uit hun verklaringen kunnen blijken dat bij de Belastingdienst de opvatting heeft bestaan dat onregelmatigheden rond de verkrijging van de microfiches van dien aard zijn geweest dat deze onbruikbaar waren geworden in het kader van de belastingheffing zoals die hierna in de middelen 11 tot en met 14 nog aan de orde komen.
4.9.
Bedoelde documenten zijn op de zaak betrekking hebbende stukken die de Belastingdienst ingevolge artikel 8:42 Awb dient te overleggen.
4.10.
De door [D], [E] en [F] af te leggen verklaringen kunnen daarom anders dan het Hof heeft geoordeeld aan de beoordeling van de zaak bijdragen, omdat daaruit kan blijken of daadwerkelijk alle op de zaak betrekking hebbende stukken, in het bijzonder stukken die de grond hebben opgeleverd om het Rekeningenproject te starten zijn overgelegd. Uit hun verklaringen kan derhalve blijken of de Belastingdienst daadwerkelijk alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd behoudens de gedeelten die op basis van de beslissing van de geheimhoudingskamer buiten beschouwing gelaten mochten worden.
4.11.
Anders dan het Hof heeft overwogen kon het horen van de getuigen [D], [E] en [F] dan wel degelijk bijdragen aan de beoordeling van de zaak in weerwil van het feit dat zij geruime tijd voor de identificatie van appellant(e) als (vermeende) rekeninghouder met de door de FIOD ontvangen gegevens te maken hebben gehad.
4.12.
De onder pt. 1 van rechtsoverweging 5.0.3.4. geformuleerde overweging dat het horen van voormelde personen geen afbreuk kan doen aan hetgeen in rechtsoverweging 5.1. is overwogen is in strijd met het in de door uw Raad gewezen arresten als die van 23 maart 1988 (nr. 24309, BNB 1988/274) en 29 mei 2009 (nr. 43816, LJN:BI5113) geformuleerde prognoseverbod (vide hiervoor ook de toelichting bij Middel 15).
4.13.
De uitspraak van het Hof om voormelde getuigen af te wijzen, omdat hun verklaringen geen afbreuk kunnen doen aan hetgeen het Hof in rechtsoverweging 5.1. over de identificatie heeft vastgesteld kan daarom niet in stand blijven.
Middel 7
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 2 ten aanzien van het door de gemachtigde van appellant(e) bij brief van 30 maart 2007 gedane bewijsaanbod om de getuige [G] te horen heeft overwogen dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Toelichting
5.1.
Het Hof heeft ter motivering van zijn overweging dat het horen van de getuige [G] niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak verwezen naar de uitspraak van 2 juli 2009 die niet tot het dossier behoort. Het Hof heeft deze overweging onvoldoende gemotiveerd om de redenen die vermeld zijn in Middel 1 en de toelichting daarop. De uitspraak van het Hof alleen al op die grond niet in stand blijven.
5.2.
Zoals door het Hof uit het bewijsaanbod kon en had moeten worden afgeleid is het horen van [G] over de wijze waarop het onderzoek van de uit België verkregen fotokopieën van de microfiches in zijn werk is gegaan van belang in samenhang met de verklaringen van de getuigen [D], [E] en [F] en is om die reden voor de beoordeling van de zaak van belang.
Middel 8
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 3 ten aanzien van het door de gemachtigde van appellant(e) bij brief van 30 maart 2007 gedane bewijsaanbod om collega's van [B] zoals [H] te horen heeft overwogen dat ten aanzien van deze getuigen het onder de punten 1 en 2 overwogene eveneens geldt.
Middel 9
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 5 ten aanzien het door de gemachtigde van appellant(e) bij brief van 30 maart 2007 gedane bewijsaanbod om de getuigen [D], [E], [F], [G] en collega's van [B] zoals [H] te horen heeft overwogen dat het verzoek om de genoemde personen te horen ertoe zou dienen om informatie te achterhalen die mogelijk in het voordeel van appellant(e) is, zonder dat voor het bestaan van zodanige informatie een concreet en relevant aanknopingspunt bestaat en het getuigenverhoor daarvoor niet bedoeld is en deze overweging ten onrechte ten grondslag gelegd aan zijn slotsom in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 6 dat het bewijsaanbod moet worden afgewezen.
Toelichting
6.1.
Noch in de Algemene wet bestuursrecht noch in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat voor een deel van toepassing is op het horen van getuigen is enige bepaling aan te treffen inzake het doel waarvoor het getuigenverhoor bedoeld is. Ingevolge artikel 8:63, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter afzien van het horen van opgeroepen getuigen indien hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Van belang is dus of het getuigenverhoor redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak zoals ook kan worden afgeleid uit hetgeen het Hof zelf heeft overwogen onder pt. 1 van rechtsoverweging 5.0.3.4.
6.2.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het buiten iedere twijfel moet zijn dat het horen overbodig is (vide Kamerstukken 1997/98, nr. 25175, nr. 5. p 18, Nota naar aanleiding van het Verslag Herziening fiscaal procesrecht en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2005, LJN: AT8611).
6.3.
Het is buiten iedere twijfel verheven, dat een getuigenverhoor aan de beoordeling van de zaak kan bijdragen, indien dat getuigenverhoor aanknopingspunten zou opleveren voor het bestaan van informatie van welke aard dan ook die voor de beoordeling van de zaak van belang is dan wel onmiddellijk de betreffende informatie zou opleveren.
6.4.
Het is daarbij in beginsel irrelevant of informatie is die mogelijk in het voordeel is van belanghebbende, in casu appellant(e), of niet.
6.5.
In het bewijsaanbod bij de brief van 30 december 2010 heeft de gemachtigde aangegeven om welke aanknopingspunten c.q. welk soort informatie het zou gaan. De gemachtigde heeft daardoor voldoende gemotiveerd waarom de door hem genoemde personen als getuigen gehoord dienden te worden doordat hij heeft aangegeven dat de door deze personen informatie kan worden verstrekt die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn.
6.6.
De uitspraak van het Hof kan op dit punt niet in stand blijven.
Middel 10
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.4. onder pt. 6 ten onrechte tot de slotsom komt dat het onderwerpelijke bewijsaanbod moet worden afgewezen.
Toelichting
7.1.
Uit de middelen 5 t/m 10 en de toelichting daarop volgt dat het Hof het bewijsaanbod om de door de gemachtigde genoemde personen te horen ten onrechte dan wel zonder draagkrachtige motivering heeft afgewezen.
Middel 11
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.6. heeft overwogen dat in beginsel niet van belang is op welke wijze de Belgische autoriteiten de op de aan de Nederlandse fiscus verstrekte fotokopieën vermelde gegevens hebben verkregen, zelfs niet als dit op straf strafrechtelijk onrechtmatige wijze is gebeurd en het Hof aldus van de onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan dat de wijze waarop de Belgische autoriteiten in het bezit zijn gekomen van de gegevens niet onrechtmatig zou kunnen zijn jegens appellant(e).
Middel 12
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 5.0.3.6 onder 1 heeft overwogen dat het horen van [i], [j], [k], [L], [DD] en [EE] redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Middel 13
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 5.0.3.6 onder 2 heeft overwogen dat er onvoldoende aanleiding bestaat om [AA], [BB] en [CC] als getuige te horen.
Toelichting
8.1.
Appellant(e) heeft verzocht om de in de middelen 12 en 13 vermelde personen als getuigen te horen, omdat deze zich kunnen uitlaten over de wijze van verkrijgen van de microfiches door de Belgische autoriteiten.
8.2.
In rechtsoverweging 5.0.3.6. van het bestreden arrest heeft het Hof dit verzoek afgewezen met als motivering dat de Nederlandse Belastingdienst op rechtmatige wijze in het bezit van de fotokopieën van de microfiches is gekomen en daarbij verwezen naar rechtsoverweging 5.1.1 van zijn in middel 1 vermelde uitspraak van 2 juli 2009. In die rechtsoverweging heeft het Hof het navolgende overwogen:
‘5.1.1.
Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Uit de feiten (zie 2.1.1) volgt dat de Nederlandse fiscus in het bezit van de fotokopieën is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van een EG-Richtlijn aan het Ministerie van Financiën hebben toegezonden. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan zijn naar het oordeel van het Hof de gegevens door de Nederlandse fiscus niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.
Van belang acht het Hof dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de — gestelde — ontvreemding van de microfiches. Naar het oordeel van het Hof bestonden er ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens als ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.
Anders dan belanghebbende rekent het Hof in ieder geval niet tot dergelijke fundamentele rechten het in Luxemburg bestaande bankgeheim, waarbij het Hof in het midden laat of dit bankgeheim überhaupt geschonden is en — zo van schending sprake zou zijn geweest — of dit ook jegens belanghebbende onrechtmatig was.’
8.3.
Het Hof heeft in de uitspraak van 2 juli 2009 de mogelijkheid onder ogen gezien, dat de microfiches op een wijze zijn verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid verwacht mag worden dat het gebruik daarvan ontoelaatbaar moet worden geacht.
8.4.
De bewuste microfiches zijn ook door het Belgische Openbaar Ministerie als bewijs gebruikt in een procedure tegen een aantal hooggeplaatste functionarissen bij de Belgische Kredietbank en de KBL alsmede tegen een drietal rekeninghouders bij deze banken.
8.5.
De Correctionele Rechtbank te Brussel heeft het Openbaar Ministerie inmiddels bij vonnis van 8 december 2009 niet ontvankelijk verklaard op grond van de onrechtmatigheid van het bewijs. Het Hof van Beroep heeft dit vonnis bij arrest van 10 december 2010 bevestigd. In België is derhalve in twee rechterlijke instanties vastgesteld, dat er zoveel mis is rond (de verkrijging) van deze microfiches, dat zij zich niet eens tot bewijsuitsluiting beperkt hebben, maar het Belgische Openbaar Ministerie zelfs niet ontvankelijk hebben verklaard. De Belgische rechters hebben vastgesteld, dat de huiszoekingen waarbij de Belgische opsporingsambtenaren onder wie de in middel 12 genoemde [i] en [j] in scene zijn gezet. De Belgische rechtbanken hebben daarmee vastgesteld, dat de verkrijging van de gegevens onder meer ook onrechtmatig was jegens de rekeninghouders bij de KBL die partij waren in de procedure.
8.6.
Uw Raad heeft in een arrest van 1 juli 1992 (BNB 1992, 306) uitgemaakt, dat ingeval gesproken kan worden van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs dit voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om daarvan gebruik te maken, als het niet strafrechtelijk onrechtmatig is jegens de desbetreffende belastingplichtige. Uw Raad heeft echter tevens overwogen dat dit gebruik slechts dan niet toegestaan is, indien zij verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
8.7.
Gelet op het feit dat door de Belgische rechters in twee instanties is vastgesteld, dat het in de microfiches vervatte bewijs onrechtmatig was jegens de Belgische rekeninghouders moet worden aangenomen dat het in deze microfiches en daarmee ook het in de van die microfiches vervaardigde fotokopieën vervatte bewijs onrechtmatig is jegens de Nederlandse rekeninghouders bij de KBL en dus onrechtmatig jegens appellant(e) en gelet op het feit dat de microfiches door de Belgische autoriteiten verkregen (kunnen) zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijke overheid mag worden verwacht dat het gebruik ervan als bewijs onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. Het Hof heeft dan ook van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door in rechtsoverweging 5.0.3.6. te overwegen dat het in beginsel niet van belang is op welke wijze de Belgische autoriteiten de gegevens hebben verkregen.
8.8.
De verklaringen van de in de in de middelen genoemde personen kunnen het bewijs opleveren dat de microfiches zijn verkregen op een wijze die onrechtmatig is jegens appellant(e) dan wel zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.
8.9.
Gelet op hetgeen door de Belgische rechters in voormelde uitspraken is vastgesteld en gelet op de betrokkenheid van de in middel 12 en 13 genoemde personen bij vergaring van de microfiches als bewijs kan het horen van deze personen wel degelijk bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
8.10.
Ten aanzien van [AA], [BB] en [CC] geldt daarnaast dat zij als terzake kundig moeten worden gezien als het gaat om de herkenning van de authenticiteit van de fotokopieën. Dat feit alleen levert een toereikende motivering op om deze personen te horen over de vraag of de op de fotokopieën vermelde gegevens afkomstig kunnen zijn van de KBL.
8.11.
Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan het horen van de in de middelen genoemde getuigen wel degelijk bijdragen aan de beoordeling van de zaak en is er geen aanleiding om van het horen van deze getuigen af te zien. Daarbij dient nog bedacht te worden dat in casu nog sprake is geweest van één instantie zodat een aanbod tot het leveren van een getuigenbewijs niet spoedig mag worden gepasseerd zoals door uw Raad is uitgemaakt in een arrest van 6 juli 1994 (nr. 29/628, BNB 1004/258).
Middel 14
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed zonder dat dit enige grondslag heeft in de feiten in rechtsoverweging 5.0.3.6. via een beroep op zijn eerdere hiervoor al vermelde uitspraak van 2 juli 2009 heeft overwogen dat er voor de Nederlandse belastingautoriteiten er ook los van het feit dat er geen enkele aanwijzing was dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches er ook anderszins voor het Hof geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens als ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.
Toelichting
9.1.
Hiervoor is in de toelichting bij middelen 12 en 13 de overweging 5.1.1. uit de uitspraak van het Hof van 2 juli 2009 geciteerd, die als hier herhaald en ingelast kan worden beschouwd. Blijkens die overweging is het Hof van oordeel dat er los van het feit dat de Belgische overheid niet betrokken is geweest bij de ontvreemding ook anderszins redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens als ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.
9.2.
Kort na medio jaren 90 waren er al in België voldoende aanwijzingen over de onregelmatigheden rond de vergaring van de microfiches die zo ernstig waren dat ernstig betwijfeld mocht worden dat die microfiches gebruikt mochten worden als bewijs voor het vaststellen van (navorderings)aanslagen als zodanig en de daarbij opgelegde boete.
9.3.
Zoals in de toelichting bij middel 12 en 13 is aangegeven is ook later door de Belgische rechter in twee instanties bevestigd dat de microfiches daadwerkelijk niet als bewijs gebruikt mochten worden, sterker nog het Belgische Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard omdat de opsporingsambtenaren in België bij die onregelmatigheden betrokken waren.
9.4.
Die onregelmatigheden waren in België al vastgesteld door het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (het Comité P). Uit dit onderzoek was gebleken dat een op de zwarte lijst geplaatste informant van de Belgische politie, [M], een relatie had met de werknemers die de microfiches van de KBL hebben ontvreemd. Die relatie bestond al voordat die werknemers de microfiches ontvreemdden. Het Comité P heeft vastgesteld, dat de huiszoekingen waardoor de microfiches in handen zouden zijn gekomen van de Belgische opsporingsautoriteiten in werkelijkheid in scene waren gezet zoals later ook door de Belgische rechters is vastgesteld.
9.5.
De resultaten van het onderzoek van het Comité P zijn zowel in de Belgische media als de Nederlandse niet onopgemerkt voorbijgegaan.
9.6.
Toen de Nederlandse belastingautoriteiten in 2000 als gevolg van spontane uitwisseling de beschikking kregen over kopieën van de microfiches, waren zij bekend met de onderzoeksresultaten van het Comité P. Er was dus alle reden voor hen om aan de bruikbaarheid van de microfiches te twijfelen.
9.7.
Het is niet uitgesloten dat dit de reden is geweest dat men in kringen van de Nederlandse Belastingdienst daarom ook aan de bruikbaarheid van de microfiches heeft getwijfeld zoals in middel 6 is aangegeven en waarom [B] pas geruime tijd nadat de fotokopieën van de microfiches waren ontvangen aan de slag is gegaan.
9.8.
Het oordeel van het Hof dat er voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen waren om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden van de in de microfiches genoemde personen dat het instellen van een nader onderzoek als ontoelaatbaar moet worden geoordeeld vindt dan ook geen grondslag in de feiten.
Middel 15
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in het kader van de overwegingen van algemene aard in rechtsoverweging 5.0.3.7 het bewijsaanbod van appellant(e) zoals dat door het Hof in rechtsoverweging 5.0.3.8. is geformuleerd heeft afgewezen.
Toelichting
10.1.
Bij brief van 6 december 2007 had het Hof aan de raadsman van appellant(e) bericht:
- 1)
het gelet op de inhoud van het dossier vooralsnog aannemelijk te achten dat belanghebbende op 31 januari 1994 bij de KBL houder was van de rekening(en) vermeld op de door de inspecteur overgelegde afdruk(ken) van microfiches
- 2)
aan de inhoud van het dossier de gewettigde vermoedens ontleend te hebben dat
- —
belanghebbende over meer rekeningen en tegoeden beschikte dan zijn vermeld op de afdruk(ken) van de microfiches,
- —
belanghebbende gedurende de gehele door de inspecteur in aanmerking genomen periode houder was van voormelde bankrekeningen en tegoeden en
- —
belanghebbende uit die rekeningen en tegoeden gedurende die gehele periode belastbare inkomsten heeft genoten en die rekeningen en tegoeden gedurende die gehele periode tot zijn belastbare vermogen behoorden.
10.2.
Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld deze vermoedens te weerleggen.
10.3.
Bij brief van 8 januari 2008 van de raadsman van appellant(e) is het aanbod gedaan om middels het horen van getuigen en het inbrengen van schriftelijke verklaringen te bewijzen dat:
- —
de afdrukken van de microfiches niet afkomstig zijn uit de interne administratie van de bank;
- —
de microfiches voor zover deze afkomstig zijn van de interne addministratie van de bank, deze niet tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat belanghebbenden voor 31 januari 1994, dan wel na die datum een rekening bij de KBL hebben aangehouden;
- —
uit de afschriften van de microfiches niet de conclusie kan worden gerechtvaardigd dat belanghebbenden meerdere rekeningen hebben aangehouden bij de bank;
- —
de gegevens die op de afschriften van de microfiches voorkomen een andere betekenis hebben dan tot nu toe door de Belastingdienst is gesteld.
10.4.
Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 22 februari 2008 is dit bewijsaanbod toegelicht en aangegeven, dat bankemployés van de KBL als getuige gehoord dienden te worden en is het Hof verzocht om de nog op te geven personen als getuigen op te roepen. Voorts is verklaard, dat schriftelijke verklaringen van werknemers van de KBL zouden worden overgelegd en dat hierover overleg gaande was met de advocaat van de KBL, […].
10.5.
Het Hof heeft ten aanzien van dit bewijsaanbod ter zitting van 22 februari 2008 aangegeven tot de conclusie te zijn gekomen dat het bewijsaanbod uitsluitend betrekking zou hebben op de authenticiteit van de microfiches, over de authenticiteit van de microfiches al eerder de mogelijkheid geboden was om bewijs te leveren en de vermoedenbrief van het Hof van 6 december 2007 op dat punt geen nieuwe situatie had opgeleverd en dat om die reden aan appellant(e) en overige betrokken belanghebbenden geen nadere termijn zou worden verleend voor het opgeven van namen van te horen getuigen dan wel voor het alsnog overleggen van eventuele schriftelijke verklaringen.
10.6.
Namens appellant(e) en overige belanghebbenden is opgemerkt dat de grondslag voor het wettelijke vermoeden van het Hof kennelijk een andere is geweest dan de authenticiteit van het microfiches en dat het Hof hen de mogelijkheid ontnam om het bewijsvermoeden te ontzenuwen, tenzij het Hof alsnog zou verklaren, dat het bewïjsvermoeden niet was gebaseerd op het microfiche. De gemachtigden van appellant(e) en overige belanghebbenden hebben vervolgens de verdediging gestaakt, omdat het Hof de mogelijkheid had weggenomen om het vermoeden te weerleggen. (Vide proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2008, blz. 6 t/m 8).
10.7.
Bij brief van 15 mei 2008 is van de zijde van appellant(e) en overige belanghebbenden aan het Hof naar aanleiding van het toegezonden proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2008 bericht, dat de staking van de verdediging niet inhield dat men in de onderhavige beroepen geen gemachtigde meer was.
10.8.
Het Hof heeft vervolgens bij brief van 23 juni 2008 naar aanleiding van het arrest van uw Raad van 9 mei 2008, nr. 41.255 bericht het onderzoek te heropenen en aan appellant(e) en overige belanghebbenden alsnog de gelegenheid geboden het aangeboden bewijs zoals hiervoor geformuleerd te leveren, in het bijzonder om schriftelijke verklaringen in te brengen en te specificeren welke getuigen eventueel gehoord dienden te worden. In voormeld arrest van 9 mei 2008 heeft uw Raad conform het eerdere arrest van uw Raad van 17 december 2004 (nr. 38831, BNB 2005/1520) overwogen dat een bewijsaanbod op elk moment ter zitting kan worden gedaan totdat het onderzoek ter zitting is gesloten.
Uit dit schrijven van 23 mei 2008 kan worden afgeleid dat het Hof de omstandigheid dat het bewijsaanbod zijns inziens uitsluitend betrekking zou hebben op de authenticiteit van de microfiches nog aanmerkte als een reden om het bewijsaanbod af te wijzen.
10.9.
Bij brieven van 10 september en 15 oktober 2008 zijn 6 (ex)werknemers als de te horen getuigen opgegeven.
10.10.
Bij brief van 20 oktober 2008 heeft het Hof aan de raadsman van appellant(e) en van de overige belanghebbenden bericht dat het Hof het bewijsaanbod heeft afgewezen onder de mededeling dat de motivering van de beslissing in de einduitspraak werd opgenomen.
10.11.
Ter zitting van 17 december 2008 heeft het Hof ten aanzien van dit bewijsaanbod beslist dat er geen aanleiding was om getuigen te horen, de motivering hiervoor in de uitspraak zou worden gegeven en tegen de uitspraak beroep in cassatie kon worden ingesteld (Vide proces-verbaal van de zitting van 17 december 2008).
10.12.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.0.3.9. van de uitspraak dit bewijsaanbod onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 juli 2009 (LJN BJ1298) afgewezen en daartoe als volgt geoordeeld:
- ‘1.
Voor zover de gemachtigde en [A] met het horen van de in hun brieven van 15 oktober 2008 respectievelijk 10 september 2008 genoemde personen willen bewijzen dat de op de fotokopieën vermelde gegevens niet afkomstig zijn van de KB-Luxbank, hebben zij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die daarop zouden kunnen duiden.
- 2.
Uit het hierna onder 5.1. overwogene blijkt dat de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij de KB-Luxbank voor juist moet worden gehouden. Ook indien medewerkers van de bank zouden verklaren dat de gegevens op de microfiches niet tot die gevolgtrekking kunnen leiden zou dit naar het oordeel van het Hof niet afdoen aan de juistheid van de evenvermelde identificatie.
- 3.
Uit de uitspraak van juli 2009 (…) blijkt dat bij de KB-Luxbank een rekeningsysteem bestond waardoor het voor cliënten mogelijk was om onder hetzelfde nummer verscheidene soorten rekeningen aan te houden. Ook indien medewerkers van die bank zouden verklaren dat de mogelijkheid niet valt af te leiden uit de afschriften van de microfiches, zou dit naar het oordeel van het Hof niet afdoen aan de juistheid van het door het Hof gehanteerde uitgangspunt dat belanghebbende meerdere rekeningen bij die bank heeft aangehouden.
- 4.
De betekenis van de gegevens die voorkomen op de afschriften van de microfiches blijkt uit de brief welke in de zojuist genoemde uitspraak is aangehaald onder 2.1.2. Ook indien medewerkers van de KB-Luxbank zouden verklaren dat die gegevens een andere betekenis hebben, zou dit geen wijziging brengen in het oordeel van het Hof op dit punt.
- 5.
De slotsom luidt dat het onderwerpelijke bewijsaanbod moet worden afgewezen.’
10.13.
Het Hof heeft onder pt. 1 van de hiervoor geciteerde rechtsoverweging ten onrechte althans onvoldoende draagkrachtige gemotiveerd, dat met het horen van de namens appellant(e) en overige belanghebbenden opgegeven getuigen bewezen zou kunnen worden dat de op de fotokopieën vermelde gegevens niet afkomstig waren van de KBL.
10.14.
De opgegeven getuigen waren werknemers van de KBL en als zodanig ook deskundig inzake de door de KBL gevoerde interne administratie. Zij waren in hun kwaliteit van (voormalig) employé van de KBL in staat om te verklaren of de bewuste fotokopieën geproduceerd hadden kunnen worden op basis van originele documenten uit de interne administratie van de KBL.
10.15.
Zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom dat enkele feit, dat de op te gegeven getuigen werknemers waren of nog zijn van de KBL, niet voldoende is.
10.16.
Het arrest van het Hof is op dit punt onvoldoende met redenen omkleed.
10.17.
Het Hof heeft onder de punten 2 tot en met 4 van de hiervoor geciteerde rechtsoverweging voorts het door uw Raad in arresten als die van 23 maart 1988 (nr. 24309, BNB 1988/274) en 29 mei 2009 (nr. 43816, LJN:BI5113) geformuleerde prognoseverbod geschonden door aan het aangeboden getuigenbewijs vooraf de waarde te ontzeggen dat daardoor het vermoeden van het Hof weerlegd zou kunnen worden dat het gelet op de inhoud van het dossier vooralsnog aannemelijk geacht mocht worden dat appellant(e) op 31 januari 1994 bij de KBL houder was van de rekening(en) vermeld op de door de inspecteur overgelegde afdruk(ken) van microfiches (Vide de brief van het Hof d.d. 6 december 2007).
10.18.
Verwezen wordt voorts naar een arrest van uw Raad van 12 juli 2002 (nr. 36/798, BNB 2002,364). In die casus had het betreffende Hof een bewijsaanbod louter en alleen gepasseerd omdat het de stellingen van de inspecteur aannemelijk achtte, terwijl het bewijsaanbod nu juist was gericht tegen de aannemelijkheid van de stellingen van de inspecteur. Uw Raad heeft een dergelijke motivering ontoereikend geacht. In casu is van een soortgelijke cirkelredenering sprake doordat het Hof een bewijsaanbod passeert dat gericht was tegen aannemelijkheid van de opvatting van het Hof zoals het zich die aan de hand van het op dat moment voorliggende dossier had gevormd.
10.19.
Het Hof is zonder daaraan ook maar enige overweging te wijden voorbijgegaan aan dat onderdeel van het bewijsaanbod dat inhield te bewijzen dat de microfiches, voor zover deze afkomstig zijn van de interne administratie van de bank, niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat belanghebbenden voor 31 januari 1994, dan wel na die datum een rekening bij de KBL hebben aangehouden/gehad.
10.20.
Het bestreden arrest van het Hof kan daarom niet in stand blijven. Appellant(e) dient alsnog de mogelijkheid geboden te worden het aangeboden bewijs te leveren.
Middel 16
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof zonder voldoende draagkrachtige motivering in het kader van de overwegingen met betrekking tot de enkelvoudige belasting en de boete de personen die zijn vermeld op de fotokopieën van de microfiches heeft aangemerkt als de personen die aan de belastingdienst het op de rekening bij de KBL aangehouden vermogen en de daaruit genoten inkomsten aan de Belastingdienst hadden moeten opgeven.
Toelichting
11.1.
Het was tot het jaar 2000 naar Luxemburgs recht nog mogelijk dat de persoon die een rekening opende en die de economisch eigenaar was van het op die rekening aan te houden vermogen de naam van een ander persoon als de rekeninghouder mocht opgeven.
11.2.
Het gevolg is dat de titularis van de rekening, dus de rekeninghouder, bij een bank een ander was dan de economisch eigenaar van het op de betreffende rekening aangehouden vermogen. De op de fotokopieën van de microfiches genoemde personen kunnen dus andere personen zijn dan de economische eigenaar van het op die rekeningen aanwezige vermogen.
11.3.
In de gevallen waarin de rekeninghouder een ander is dan de economische eigenaar is niet de rekeninghouder verplicht aangifte te doen van het op de rekening aangehouden vermogen, maar de economische eigenaar. Dat is dus niet per se de persoon die op de microfiches als rekeninghouder is vermeld.
11.4.
Het Hof had derhalve, teneinde te kunnen vaststellen dat aan appellant(e) en andere belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject opgelegde navorderingsaanslagen met boeten terecht waren opgelegd, eerst dienen te onderzoeken of de op de fotokopieën vermelde namen sloegen op personen die daadwerkelijk de economische eigenaar waren van het op de rekeningen bij de KBL aangehouden vermogen.
11.5.
Het Hof heeft zulks ten onrechte nagelaten zodat zijn uitspraak op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed.
Middel 17
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof door in rechtsoverweging 5.0.3.10 te oordelen dat de gemachtigde na 23 juni 2008 alsnog voldoende gelegenheid had om het getuigenaanbod nader te onderbouwen en namen van getuigen op te geven een onjuiste weergave geeft van de feiten zoals die uit de tussen Hof en de gemachtigde gevoerde correspondentie blijkt.
Toelichting
12.1.
In de brief van 8 januari 2008 heeft de gemachtigde de feiten aangegeven die hij middels te horen getuigen en de te overleggen schriftelijke verklaringen beoogde te bewijzen.
12.2.
Bij de brief van 23 juni 2008 heeft het Hof aan de gemachtigde onder meer bericht:
‘(…) Gelet op het voormelde arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2008 wil het Hof u alsnog in de gelegenheid stellen schriftelijke verklaringen in te brengen en te specificeren welke getuigen u eventueel wil horen. In het laatste geval ontvangt het Hof van u gaame de namen van de getuigen en een opgaaf welk feit u met welke getuige aannemelijk wenst te maken.’
12.3.
Bij de brief van 29 september 2008 aan de gemachtigde heeft het Hof dit verzoek herhaald. Bij brief van 15 oktober 2008 heeft de gemachtigde aan het verzoek van het Hof voldaan, de namen van de te horen getuigen opgegeven en voor de te bewijzen feiten verwezen naar de brief van 8 januari 2008, waarin deze feiten expliciet waren vermeld.
12.4.
De gemachtigde heeft daarmee aan het verzoek van het Hof voldaan en het bewijsaanbod conform het verzoek van het Hof onderbouwd. De rechtsoverweging 5.0.3.10. strookt dan ook niet met de feiten zoals die blijken uit de tussen het Hof en de gemachtigde gevoerde correspondentie.
Middel 18
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof heeft nagelaten om vast te stellen bij de redelijke schatting voor wat betreft de rekening met nummer [002] de juiste berekeningswijze is toegepast nu de Belastingdienst een onderscheid heeft gemaakt tussen de redelijke schatting bij particulieren en de redelijke schatting bij ondernemers.
Toelichting
13.1.
In de aan appellant(e) verzonden kennisgevingen waarbij de inspecteur het voornemen heeft kenbaar gemaakt om op basis van een redelijke schatting navorderingsaanslagen op te leggen, heeft de inspecteur bericht dat de hoogte van de correctiebedragen op een zodanig percentage wordt gesteld dat 95% van de bedragen die zijn gecorrigeerd bij personen die wel volledig en juist hebben geantwoord daar binnen valt. De Inspecteur heeft daaraan toegevoegd dat deze berekeningen voor ondernemers tot andere uitkomsten leiden dan voor particulieren.
13.2.
Uit de door inspecteur aan appellant(e) toegezonden definitieve aanslagen blijkt niet of de inspecteur de berekening voor particulieren dan wel voor ondernemers heeft toegepast.
13.3.
Het Hof had derhalve moeten onderzoeken welke van de twee soorten berekeningen de Belastingdienst jegens appellant(e) heeft gehanteerd, die voor particulieren dan wel die voor ondernemers en of de gehanteerde berekeningswijze de juiste is geweest.
13.4.
Afgezien van hetgeen reeds in het kader van Middel 20 en de toelichting daarop is gesteld, heeft het Hof de door de belastingdienst berekende correcties ook in dit opzicht onvoldoende onderzocht en zijn oordeel op dit punt onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
Middel 19
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in de rechtsoverweging 5..5.6. ten onrechte dan wel zonder draagkrachtige motivering heeft overwogen dat het internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten er niet aan in de weg zou staan dat de omkering van de bewijslast gevolgen heeft voor de boeteoplegging.
Toelichting
14.1.
Uw Raad heeft in een arrest van 27 juni 2001 (nr. 35889, LJN:AB2314) onder meer het navolgende overwogen:
‘(…) Indien aan een belastingplichtige, zonder dat daarbij voorbij wordt gezien aan de rechten die deze aan het EVRM of het IVBPR kan ontlenen, de gedraging kan worden verweten die tot toepasselijkheid van artikel 29, lid 1 AWR leidt, kan de door laatstbedoelde bepaling bewerkstelligde omkering en verzwaring van de bewijslast als zodanig niet worden beschouwd als strijdig met het EVRM of het IVBPR (…)’
14.2.
Uw Raad heeft door aldus te overwegen niet uitgesloten, dat de omkering en verzwaring van de bewijslast vormen kan aannemen die wel strijdig kunnen zijn met het EVRM of het IVBPR.
14.3.
Appellant(e) heeft met een beroep op deze overweging verwezen naar een ‘General Comment’ van het VN-Comité voor de Rechten van de Mens van 12 april 1984 dat namens hem/haar in de procedure is overgelegd, in het bijzonder artikel 7 uit dit commentaar. Dit luidt:
‘The Committee has noted a lack of information regarding article 14, paragraph 2, and, in some cases, has even observed that the presumption of innocence, which is fundamental to the protection of human rights, is expressed in very ambiguous terms or entails conditions which render it ineffective. By reason of the presumption of innocence, the burden of proof of the charge is on the prosecution and the accused has the benefit of doubt. No guilt can be presumed until the charge has been proved beyond reasonable doubt. Further, the presumption of innocence implies a right to be treated in accordance with this principle. It is therefore a duty for all public authorities to refrain from prejudging the outcome of a trial.’
14.4.
In dit verband dient bedacht te worden, dat de bewijslast niet alleen is omgekeerd, maar bovendien ook nog is verzwaard in de zin dat de appellant(e) niet slechts ‘aannemelijk dient te maken’ dat de opgelegde navorderingsaanslag onjuist is, maar dit dient ‘aan te tonen’. Er is als gevolg van de omkering van de bewijslast in termen van het ‘General Comment’ sprake van een volledig ‘ineffectieve onschuldpresumptie’ zodat er alle aanleiding is om hiermee rekening te houden bij de op te leggen boete.
14.5.
Het Hof heeft door slechts te overwegen geen reden te hebben voor het oordeel dat het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten Politieke Rechten eraan in de weg staat dat de omkering van de bewijslast gevolgen heeft voor de boeteoplegging dit oordeel onvoldoende met redenen omkleed.
Middel 20
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in de rechtsoverweging 5.6.3. buiten de procesorde is getreden door het aannemelijk te achten dat appellant(e) een bankrekening heeft geopend in een land met een bankgeheim teneinde de tegoeden op die rekening en de inkomsten daaruit op listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden.
Toelichting
15.1.
De Belastingdienst heeft in de kennisgevingen aan appellant(e), waarbij hij zijn voornemen tot het opleggen van de in het geding zijnde navorderingsaanslagen kenbaar maakte het feit dat belanghebbende gebruik gemaakt zou hebben van een buitenlandse bankrekening teneinde aan de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en inkomsten daaruit aangemerkt als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeren Belastingdienst (hierna: het Boetebesluit).
15.2.
De Belastingdienst heeft in het verweerschrift als zodanig het niet willen meewerken en het feit dat gebruik is gemaakt van een buitenlandse bankgeheim teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen als een strafverzwarende omstandigheid aangemerkt als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit.
15.3.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.7.2.2. dit verweer aldus weergegeven, dat de inspecteur in het verweerschrift stelt dat ‘het buiten de controlemogelijkheden van de Nederlandse fiscus onderbrengen van spaargelden c.a. in Luxemburg’ een situatie is die aanleiding geeft tot verhoging van de vergrijpboete tot 100%.
15.4.
in rechtsoverweging 5.7.2.3. heeft het Hof vervolgens het volgende overwogen:
‘Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende een bankrekening heeft geopend in een land met een bankgeheim teneinde de tegoeden op die rekening en de inkomsten daaruit op listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden.(…).’
15.5.
In het derde lid van paragraaf 43 van het Boetebesluit is bepaald dat er in elk geval aanleiding is om de boete tot maximaal 100% te verhogen als sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.
15.6.
Indien listigheid derhalve voor de Belastingdienst de motivering vormt om de boete tot 100% te verhogen, moet die motivering in het desbetreffende besluit blijken en moet dus in het besluit worden aangegeven dat en op grond waarvan sprake is van listigheid.
15.7.
In casu ontbreekt een dergelijke motivering in de door de Belastingdienst met betrekking tot de boeteoplegging ten aanzien van appellant(e) genomen besluiten.
15.8.
Het Hof is gelet op het voorgaande dan ook door in rechtsoverweging 5.7.2.3. de kwalificatie ‘op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden’ te hanteren welke kwalificatie door de Belastingdienst noch in de jegens belanghebbende genomen besluiten noch in het verweer gedurende de verdere procedure ten grondslag is gelegd aan de verhoging van de boete naar 100% buiten de procesorde getreden.
Middel 21
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof geheel voorbij is gegaan aan de stelling dat aan appellant(e) niet voor alle litigieuze jaren aangiftebiljetten zijn uitgereikt.
Middel 22
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof geheel in rechtsoverweging 5.5.1. een onjuiste weergave gegeven van de opvatting van de gemachtigde van appellant(e) als zou deze inhouden dat de boeten zijn opgelegd in verband met het niet doen van aangifte in het algemeen en het niet verstrekken van inlichtingen in het bijzonder.
Toelichting
16.1.
Deze middelen worden gezamenlijk toegelicht.
16.2.
Ingevolge artikel 8, eerste lid AWR is een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden die aangifte te doen door de in die uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stelling en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of in te zenden en de in die uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers dan wel de inhoud daarvan op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden.
16.3.
Bij de brief van 28 mei 2002 heeft de Belastingdienst aan appellant(e) bericht dat een onderzoek was gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. De Belastingdienst heeft in dit schrijven om die reden op grond van artikel 47 AWR appellant(e) verzocht nadere gegevens te verstrekken.
16.4
Om die reden heeft appellant(e) middels zijn/haar gemachtigde bij gelegenheid van een der mondelinge behandelingen in het begin van 2007 het Hof verzocht de Belastingdienst te gelasten alle aangiften met betrekking tot de litigieuze jaren te overleggen. Daarbij komt dat in de gevallen waarbij de rekening mede te naam is gesteld op de echtgeno(o)te van appellant(e) het daarop aangehouden vermogen en inkomen in aanmerking moet worden genomen bij degene die het hoogste inkomen geniet.
16.5.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.7.1.2. overwogen dat sprake is van een boete krachtens artikel 67e AWR, dat het voor het opleggen van dergelijke boetes vereist is dat het aan de opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat over het tegoed op de KB-Luxrekeningen en de inkomsten daaruit geen of te weinig vermogens- respectievelijk inkomstenbelasting is geheven, het bewijs daarvoor door de inspecteur geleverd dient te worden en dat de kennelijke opvatting van de gemachtigde is dat de boetes zijn opgelegd in verband met het niet doen van aangiften in het algemeen en het niet verstrekken van inlichtingen in het bijzonder.
16.6.
De gemachtigde heeft mede op basis van de door de belasting aan appellant(e) verzonden brief van 28 mei 2002 gesteld, dat het de stelling van de Belastingdienst was dat appellant(e) in de aangiften geen gegevens inzake de bij de KBL aangehouden rekeningen had opgegeven, dat de Belastingdienst de kennelijke stelling had ingenomen dat de op basis van de ingediende aangiften vastgestelde primaire aanslagen mogelijkerwijs te laag waren en dat de Belastingdienst om die reden aan appellant(e) heeft verzocht om nadere inlichtingen als bedoeld in artikel 47 AWR te verstrekken.
16.7.
De door de Belastingdienst over de diverse jaren overgelegde resultatennota's, waarin is aangegeven dat in die jaren bepaalde bedragen aan inkomen zouden zijn genoten respectievelijk vermogen zou zijn bezeten leveren niet het bewijs op dat deze daadwerkelijk zijn aangegeven op een daartoe aan appellant( e) uitgereikt aangiftebiljet.
16.8.
Door de afwijzing van het verzoek om de Belastingdienst te gelasten voor alle betrokken jaren de aangiftebiljetten te overleggen die aan belanghebbende zijn uitgereikt heeft het Hof miskend dat de kennisneming daarvan van belang is voor de beoordeling van de zaak, aangezien aan appellant(e) onder meer wordt verweten dat hij/zij een onjuiste aangifte zou hebben gedaan en mede zo zou hebben bewerkstelligd, dat de hem/haar opgelegde primitieve aanslag opeen te laag bedrag zou zijn vastgesteld. Als echter zou blijken dat geen aangifte is uitgereikt is er ook geen onjuiste aangifte gedaan en is zonder grond aan appellant(e) verweten dat hij/zij een onjuiste aangifte zou hebben gedaan. Het Hof heeft dan ook ten onrechte nagelaten de inspecteur te gelasten de voornoemde aangiften te overleggen en daardoor ten onrechte niet onderzocht na te gaan in hoeverre er aan appellant(e) over de betreffende jaren aangiftebiljetten zijn uitgereikt.
16.9.
Voorts is het van belang dat de ingediende aangiften worden overgelegd omdat een juist inzicht in de indertijd daadwerkelijk aangegeven bedragen tot de conclusie kan leiden dat de nagevorderde bedragen en daarmee ook de boete te hoog zijn vastgesteld.
16.10.
De gemachtigde heeft om die reden verzocht om de Belastingdienst te gelasten de aangiften over de jaren waarvoor deze niet zijn overgelegd alsnog in het geding te brengen ook om appellant(e) in staat te stellen om in het kader van de omkering van de bewijslast de redelijke schatting door de Belastingdienst weerleggen. Voorts is verzocht om de voor zover de inspecteur hieraan niet voldoet, dan wel er niet in slaagt deze aannemelijk te maken, de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te berekenen op basis van de eerste schijf/schaal.
Middel 23
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in de rechtsoverweging 5.8. het beroep van appellant(e) op de oncontroleerbaarheid van de in rekening gebrachte heffingsrente heeft afgewezen.
Toelichting
17.1.
Ingevolge artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient een besluit te berusten op een deugdelijke motivering. De naleving van deze verplichting door de Belastingdienst is van wezenlijk belang. Schending hiervan kan namelijk duiden op andere gebreken in de besluitvorming zoals een ontoereikende vergaring van kennis omtrent feiten en omstandigheden, willekeur en dergelijke (Vide prof. Mr. P.J.J. van Buuren en mr. J.C.A. de Poorter, 2009 T & C Awb, aant. 1 bij artikel 3:46).
17.2.
Het verzoek om een nadere specificatie van de berekening door appellant(e) en overige belanghebbenden in het Rekeningenproject kan niet anders worden opgevat dan als een verzoek om een motivering van het door de Belastingdienst van het door hem jegens appellant(e) en overige belanghebbenden genomen besluit inzake de heffingsrente.
Slechts als de verzochte specificatie wordt verstrekt kan op gedegen wijze worden gecontroleerd of de besluitvorming met betrekking tot de heffingsrente al dan niet gebreken heeft vertoond.
17.3.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.8. de zaken dan ook omgedraaid door als voorwaarde voor de toewijzing van het verzoek om de overlegging van de specificatie de voorwaarde te stellen dat gemotiveerd zou moeten worden aangetoond, dat de heffingsrente berekend zou zijn in strijd met de daartoe geldende voorschriften. De specificatie had juist moeten worden overgelegd om te kunnen controleren of de heffingsrente conform de daartoe geldende voorschriften was berekend.
17.4.
Het arrest van het Hof kan op dit punt dan ook geen stand houden en dient derhalve te worden vernietigd.
Middel 24
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in strijd met de goede procesorde appellant(e) niet heeft uitgenodigd voor de zitting van 17 december 2008.
Middel 25
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in strijd met de goede procesorde appellant(e) onvoldoende gelegenheid heeft geboden om bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn/haar persoonlijke omstandigheden te beschrijven opdat het Hof daarmee rekening zou kunnen houden bij haar oordeel over de door de Belastingdienst aan appellant(e) opgelegde boete.
Toelichting
18.1.
Middel 29 en 30 hangen onderling samen en worden gezamenlijk toegelicht.
18.2.
Tijdens de zitting van 22 februari 2008 heeft de gemachtigde, het Hof geïnformeerd dat een aantal cliënten uitdrukkelijk de wens te kennen hadden gegeven om persoonlijk op de zitting aanwezig te zijn om het Hof te informeren over hun persoonlijke omstandigheden, over de wijze waarop zij door de Belastingdienst zijn benaderd en eventueel bij het geven van openheid van zaken de bescheiden (bankafschriften) te overleggen. Belanghebbenden die wel zijn uitgenodigd en die eveneens door mij zijn bijgestaan, hebben — na ampel beraad — tijdens de zitting openheid van zaken gegeven en de bescheiden overgelegd. Dat persoonlijke omstandigheden tot matiging van de boete kan leiden, wordt door de in de inspecteur zelf ook gesteld, waarbij hij aangeeft dat verzachtende omstandigheden aanleiding ertoe kunnen zijn om de boete te matigen zoals door het Hof is vastgesteld in rechtsoverweging 5.7.2.7..
18.3.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 februari 2008 heeft het Hof hierover geoordeeld dat gezien de afspraken die op de vorige zitting zijn gemaakt de gemachtigden voldoende gelegenheid hebben gehad om het Hof kenbaar te maken dat en welke belanghebbenden voor hun individuele zaak naar de zitting mee zouden willen komen.
18.4.
Het Hof heeft ter zitting van 22 februari 2008 voor een nadere zitting om een door hen nog op te stellen lijst van belanghebbenden te horen afgewezen.
18.5.
Met de ‘vorige zitting’ doelt het Hof op de zitting van 17 november 2008. Onduidelijk is op welke tijdens die zitting gemaakte afspraken het Hof hier heeft gedoeld. In het dossier bevindt zich in ieder geval geen proces-verbaal, waarbij deze afspraken zijn vastgelegd. Alleen van het tijdens die zitting afgenomen verhoor van de getuige Roels is een proces-verbaal opgemaakt. Wel heeft het Hof tijdens die zitting meegedeeld in een aantal zaken nog schriftelijke vragen te zullen stellen aan partijen.
18.6.
Bij brief van 29 september 2007 aan de gemachtigde heeft het Hof ten aanzien van een achttal belanghebbenden specifieke vragen gesteld.
18.7.
De afwijzende beslissing van het Hof ter zitting van 22 februari 2008 was dan ook niet met draagkrachtige redenen omkleed.
18.8.
Bij brief van 21 oktober 2008 heeft het Hof appellant(e) noch enige andere belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 17 december 2008 te 10.00 uur, maar de gemachtigde in persoon en wel in de navolgende bewoordingen:
‘(…) U wordt de gelegenheid geboden daarbij aanwezig te zijn. Als u komt; verzoek ik u deze uitnodiging mee te brengen.
Indien u zich op de zitting door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, dient deze in het bezit te zijn van een behoorlijke, door u ondertekende volmacht (…)’
18.9.
De gemachtigde heeft namens appellant(e) en overige belanghebbenden op 22 oktober 2008 in een telefonisch onderhoud met de griffier aangegeven, dat zij de zitting wensten bij te wonen en dat om hen recht te doen per belanghebbende 1 tot l,5 uur diende te worden uitgetrokken.
18.10.
Bij fax van 22 oktober 2008 heeft de gemachtigde bevestigd dat appellant(e) en de overige betrokken belanghebbenden te kennen hadden gegevens om de zitting bij te wonen om een persoonlijke toelichting te geven bij het ingediende beroepschrift en heeft hij het Hof verzocht aan te geven hoe gelet op de privacy van betrokkenen de inhoudelijke behandeling van de individuele zaken geagendeerd zou worden.
18.11.
Bij brief van 30 oktober 2008 heeft het Hof een agendering aan de gemachtigde kenbaar gemaakt, waarbij voor appellant(e) en overige belanghebbenden echter volstrekt onvoldoende tijd werd toegemeten om daarin op adequate wijze hun persoonlijke omstandigheden uit de doeken te doen.
18.12.
Bij brief van 26 november 2008 van de gemachtigde is gemotiveerd aangegeven waarom minimaal 1 uur per belanghebbende noodzakelijk zou zijn:
‘Deze brief is mede namens [A] geschreven naar aanleiding van uw brief aan hem van 30 oktober 2008.
Indertijd heeft de minister van justitie in het kader van de behandeling van de Contourennota opgemerkt, dat de oriëntatie van de rechterlijke colleges volgens de Contourennota meer gericht dienen te zijn op de omgeving, omdat rechters bij de uitoefening van hun rechtsprekende taak aan concrete publieke dienstverlening doen.
Alle tekenen wijzen er thans op dat de eerste meervoudige kamer van het Gerechtshof deze behartigenswaardige opmerking van de minister weer uit het oog verliest.
Het Hof is in deze zaak de eerste en enige feitelijke instantie. Mijn cliënten hebben maar een enkele mogelijkheid om hun persoonlijke verhaal en hun persoonlijke visie op de feiten over het voetlicht te brengen. Dit klemt te meer daar het in deze procedures mede om de aan cliënten opgelegde boetes, een punitieve sanctie, gaat. In dit verband is van belang dat het ingevolge de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens en in navolging daarvan de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie Hoge Raad, 21-03-2008, LJN: BA8179) de aard en de mate van de uitgeoefende dwang een rol spelen bij de beoordeling van het recht van klagers om zich niet te incrimineren.
Het zal aan uw Hof ongetwijfeld niet voorbij zijn gegaan dat de Belastingdienst bij het opleggen van een boete zich voor bewijs heeft bediend van feiten en informatie waarvan belastingplichtige ex art. 47 AWR verplicht waren deze te verstrekken. Alleen klagers zijn in staat om de feiten en omstandigheden uit de doeken te doen waaruit de aard en de mate van de op hen door de Belastingdienst uitgeoefende dwang blijkt. Ondergetekende is dat niet. Dat betekent dat aan klagers tijdens de zitting voldoende tijd en mogelijkheden geboden dienen te worden om die feiten en omstandigheden uit de doeken te doen. Ik heb daarbij ook nog tijdens alle mondelinge behandelingen steeds aangegeven, dat het Gerechtshof ook nog eens de enige feitelijke instantie is.
Daarenboven heb ik ook steeds, eveneens bij alle mondelinge behandelingen in deze zaak, aangegeven dat alle cliënten, in casu klagers, hun individuele visie wensten te geven. Het is daarbij mijn taak als advocaat namens mijn cliënten alle rechtsfeiten en feiten die van belang zijn aan uw Hof voor te leggen. Dat zijn niet alleen algemene feiten, maar ook feiten die louter en alleen betrekking hebben op de individuele cliënten. Om die reden dient ook voor iedere klager, niet alleen tijdsruimte gereserveerd te worden voor het door klagers zelf te voeren woord, maar ook voor een door ondergetekende te voeren individueel pleidooi.
Een adequate publieke dienstverlening brengt dan mee, dat uw Hof dit mogelijk maakt.
In het kader hiervan heb ik daarom op 22 oktober 2008 bij mijn telefonisch onderhoud met [BBB] aangegeven, dat gemiddeld genomen per cliënt 1 tot 1,5 uur voor de behandeling van iedere individuele zaak diende te worden uitgetrokken. Een dergelijk tijdsbeslag is daadwerkelijk noodzakelijk om cliënten in staat te stellen hun verhaal goed over het voetlicht te brengen en mij in staat te stellen bij pleidooi de bijzondere individuele aspecten in elke afzonderlijke zaak toe te lichten.
Mijn cliënten hebben mij dan ook allen de wens te kennen gegeven persoonlijk aan uw Hof aan te willen geven hoe zij door de Belastingdienst zijn bejegend en daarbij zelf het laatste woord te kunnen voeren. Hetzelfde geldt voor de cliënten van mr. Lalji.
Om die reden heb ik refererend aan dit telefonisch onderhoud bij faxbericht van 22 oktober 2008 [BBB] verzocht mij aan te geven hoe zij de inhoudelijke behandeling wenst te agenderen gelet op het voor elke afzonderlijk zaak benodigde tijdsbeslag van 1 tot 1,5 uur. Ik mocht dan ook de verwachting koesteren, dat daarbij rekening zou worden gehouden met de noodzaak om per cliënt 1 tot 1,5 uur voor de behandeling te reserveren.
Wie schetst mijn grote verbazing, toen ik kennis nam van de inhoud van uw schrijven van 30 oktober 2008. Daaruit blijkt dat uw Hof alle zaken, waarin ik als raadsman optreedt op 17 december 2008 inhoudelijk gaat behandelen en daarna het onderzoek gaat afsluiten. Voorts blijkt uit dit schrijven, dat omdat al mijn cliënten hun persoonlijke verhaal willen doen, de zaken, waarbij [A] als raadsman optreedt, niet op 17 december 2008, maar op een andere datum behandeld zullen worden. Aan [A] heeft u op 28 oktober 2008 telefonisch meegedeeld, dat de zaken waarbij hij als raadsman optreedt, op 18 december 2008 zullen worden behandeld en dit bij brief van 30 oktober 2008 bevestigd.
[A] had u overigens inmiddels bij brief van 29 oktober 2008 bericht op 18 december 2008 verhinderd te zijn. Desalniettemin heeft u de inhoudelijke behandeling van de zaken van [A] geagendeerd.
Een dergelijk lopende handwerk strookt niet met de concrete publieke dienstverlening die de uitoefening van de rechterlijke taak met zich meebrengt.
Dit is meer het geval nu noch mijn cliënten noch die van [A] in de gelegenheid zijn geweest hun verhinderdata door te geven.
Daar komt bij, dat de samenstelling van de kamer ook nog eens is gewijzigd. Een nieuwe raadsheer moet zich in de zaak inwerken. Dat is onmogelijk, wanneer de nieuwe raadsheer louter op basis van de schriftelijke stukken het relaas van de afzonderlijke cliënten moet taxeren en beoordelen.
Ik heb uitgaande van een minimaal noodzakelijk tijdsbeslag van 1 uur per zitting in vervolg op uw schrijven van 30 oktober 2008 […] (kenmerk 04/02812) opgeroepen om voor 09.00 uur te verschijnen, […] (kenmerk 04/02816) voor 10.00 uur en […] kenmerk 04/02817) voor 11.00 uur.
Voor de middagzitting heb ik slechts 1 cliënt, te weten […] (kenmerk 04/02830) voor 13.30 uur opgeroepen, omdat ik vanaf 14.30 verhinderd ben.
Ik verbaas mij er overigens over dat uw Hof er überhaupt toe heeft besloten om de zaken inhoudelijk te behandelen. De door de Minister gemaakte opmerking dat de oriëntatie van de rechterlijke colleges meer gericht zou moeten zijn op de omgeving, impliceert mijns inziens ook dat rechterlijke colleges bij hun beleid ook oog hebben voor beslissingen van andere rechterlijke colleges en zeker die van de Hoge Raad.
Zoals uw Hof bekend is heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld in verband met de geldigheid van de bijzondere navorderingstermijn van 12 jaar ex artikel 16 AWR. De Gerechtshoven te Arnhem, Den Bosch en Den Haag hebben daarin aanleiding gezien de behandeling van de zaken uit het Rekeningenproject op te schorten totdat het Hof van Justitie antwoord heeft gegeven op de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen. Verder hebben het Hof Den Bosch en de Rechtbank Haarlem opnieuw in verband met door de Belastingdienst te overleggen nieuwe stukken de geheimhoudingskamer ingeschakeld. Deze eventueel door de Belastingdienst nader te overieggen stukken zijn mede van belang voor de beoordeling van de door uw Hof in het kader van het Rekeningenproject te behandelen zaken.
Wellicht is dit aanleiding voor uw Hof om er alsnog toe te besluiten om geen doorgang te geven aan de zittingen van 17 en 18 december a.s.. Ik verneem dat dan gaarne opdat ik de door mij inmiddels opgeroepen cliënten daarvan tijdig op da hoogte kan stellen.’
18.13.
Bij brief van 28 november 2008 heeft het Hof bericht geen reden te zien om af te wijten van de eerder verzonden agendering. Dit
18.14
Appellant(e) is door deze gang van zaken niet in staat gesteld om het Hof op adequate wijze te informeren over zijn/haar persoonlijke omstandigheden en om verdere opening van zaken te geven ter zake van de rekening bij de KBL.
18.15.
In het bestreden arrest heeft het Hof de hiervoor geschetste gang van zaken louter en alleen weergegeven in rechtsoverweging 1.22. in het kader van zijn beschrijving van de loop van het geding. Het Hof is hierop niet teruggekomen in het kader van de beoordeling van het geschil. In het kader van de beoordeling van het geschil heeft het Hof van dit geschilpunt geen enkele melding gemaakt.
18.16.
Als gevolg van deze gang van zaken is door toedoen van het Hof de situatie ontstaan dat appellant(e) heeft ‘nagelaten aan te voeren op grond van welke persoonlijke omstandigheden tot matiging van de boete moet worden overgegaan’ zoals het Hof in rechtsoverweging 5.7.2.6. heeft overwogen.
18.17.
Gelet op en analoog aan de arresten van uw Raad van 24 september 2009 (LJN:BI1977) en 25 september 2009 (LJN:BJ8541) en zijn eigen overweging in rechtsoverweging 5.7.2.6. dat het de ‘gemachtigde volgt in zijn stelling dat bij de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met persoonlijke omstandigheden’ had het Hof het belang van appellant(e) en overige betrokken belanghebbenden zoals hiervoor verwoord af moeten wegen tegenover het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Een doelmatige procesgang impliceert mede dat zoveel mogelijk ook het doel van die procesgang gerealiseerd wordt, te weten het bereiken van een rechtens juiste uitspraak door de rechter waarbij mede met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene in casu appellant(e) rekening gehouden kan worden. Dat persoonlijke omstandigheden meegewogen moeten kunnen worden wordt geïllustreerd door een uitspraken van de rechtbank Breda van 1 december 2010, waarbij boete wegens het verzwijgen van inkomen wegens een slechte gezondheid werd gematigd (LJN:BO9088 en BO9089).
18.18.
Uit de bestreden uitspraak blijkt niet van een dergelijke belangenafweging zodat het arrest van het Hof op dit punt niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden.
Middel 26
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Gerechtshof in rechtsoverweging 5.7.3.2 ten onrechte heeft geoordeeld, dat de door de Belastingdienst aan appellant(e) verzonden kennisgeving van de navordering zoals omschreven in rechtsoverweging 3.3.1. van het bestreden vonnis heeft te gelden als aanvang van de redelijke termijn binnen welke de gegrondheid van de aan appellant(e) opgelegde boete moet worden vastgesteld.
Toelichting
19.1.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.7..2. van het bestreden arrest voor de bepaling van de aanvangsdatum van de redelijke termijn terecht tot uitgangspunt genomen dat moet worden beoordeeld aan welke handeling van de inspecteur appellant(e) de verwachting kon ontlenen dat aan hem/haar een boete zou worden opgelegd.
19.2.
De inspecteur heeft reeds bij brief van 5 november 2002 aan appellant(e) bericht dat hij/zij een strafbaar feit zou plegen als omschreven in artikel 68 en 69 AWR voor het geval hij/zij de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig zou verstrekken.
19.3.
Aan deze vermelding van artikel 68 en 69 AWR had appellant(e) de verwachting kunnen ontlenen dat hem/haar een boete zou worden opgelegd.
19.4.
Het Hof had bij toepassing van het door hem zelf geformuleerde uitgangspunt tot het oordeel moeten komen dat appellant(e) reeds aan de brief van de inspecteur van 5 november 2002 de verwachting kon ontlenen dat hem/haar een boete zou worden opgelegd.
19.5.
Het Hof heeft dan ook ten onrechte in rechtsoverweging 5.7.3. geoordeeld, dat de kennisgeving van 25 april 2003 2002 als aanvang van de redelijke termijn moet worden aangemerkt.
19.6.
Als gevolg van dit onjuiste oordeel heeft het Hof in rechtsoverweging 5.7.5 bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte het ijdsverloop tussen 5 november 2002 en 25 april 2003 buiten beschouwing gelaten
Middel 27
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Gerechtshof in rechtsoverweging 1.11. onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen in de door de Derde Meervoudige Belastingkamer gedane tussenuitspraak van 20 juni 2006 ten onrechte een beperking tot in die uitspraak aangegeven gedeelten, de zogeheten Amsterdamse versie, geheel gerechtvaardigd heeft geacht en doordat het Gerechtshof in het kader van de 8:29- procedure in de tussenuitspraak van 20 juni 2008 in rechtsoverweging 3.18.1 de geheimhouding van passages uit het Draaiboek die betrekking hebben op de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoek en de scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen ten onrechte dan wel zonder draagkrachtige motivering gerechtvaardigd heeft geacht en het Hof in rechtsoverweging 3.18.2 van de tussenuitspraak heeft overwogen dat de in het Draaiboek en de Nieuwsbrieven vermelde persoonsnamen en andere (identiteits)gegevens van met name ambtenaren van de Belastingdienst niet worden prijsgegeven.
Toelichting
20.1.
Ingevolge art. 8:42 Awb worden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken gerekend alle stukken die relevant kunnen zijn voor uw Hof om tot een uitspraak te komen en die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur, zoals een kopie van het primaire besluit, adviezen, onderzoeksrapporten, verslagen van hoorzittingen, e.d.. Tot deze stukken dienen ook gerekend te worden het draaiboek en de nieuwsbrieven, die in het kader van het Rekeningenproject zijn opgesteld en verspreid. De inspecteur mag hierbij geen selectie maken welke gegevens zij wel of niet aan u en aan belanghebbende overlegt.
20.2.
Dat laatste wordt ook bevestigd door de parlementaire geschiedenis. Daarin wordt naar aanleiding van de wijziging van het fiscaal procesrecht het navolgende opgemerkt:
‘In de Memorie van Toelichting hebben wij tot uitdrukking willen brengen dat de inspecteur alle stukken die bij het nemen van het bestreden besluit een rol hebben gespeeld, aan de rechter en aan de wederpartij ter kennisneming beschikbaar moet stellen. (Vide kamerstukken II 1997/1998, 25175, nr. 5. blz. 17).’
20.3.
In de Memorie van Toelichting bij artikel 7:4 AWB (Kamerstukken II 1988–89, 21 221 nr. 3, blz 149) wordt opgemerkt:
‘Het inzagerecht (…) is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Zoveel mogelijk moet vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbende niet hebben kunnen kennen.
Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administratieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden. In beginsel dient het bestuursorgaan (…) rapporten, adviezen en beleidsnota's die aan de beroepsinstantie plegen te worden toegezonden, ook reeds in de bezwaarschriftprocedure voor belanghebbenden ter inzage te leggen.’
20.4.
De wetgever hanteert met andere woorden een zeer ruim begrip van ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’.
20.5.
Uit de uitspraak van de Voorzieningenrechter van in het Hof Den Bosch van 10 april 2004 (LJN:AP0827) is bovendien af te leiden dat de partij die stelt dat stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zouden zijn die niet behoeven te worden overgelegd daarvoor de bewijslast draagt.
20.6.
Ingevolge artikel 8:29 Awb kan een bestuursorgaan indien daartoe gewichtige redenen zijn weigeren stukken te overleggen dan wel de rechter mededelen dat alleen deze kennis mag nemen van deze stukken.
20.7.
Gewichtige redenen zijn ingevolge artikel 8:29 Awb aanwezig indien een verzoek om informatie uit die stukken op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) moet worden ingewilligd.
20.8.
Uit de wetsgeschiedenis bij de Algemene wet bestuursrecht (vide MvT Pari. Gesch Awb II, p. 417) blijkt dat dit een ondergrens is. Dat een verzoek om informatie uit een bepaald stuk op grond van de WOB zou moeten worden afgeweken betekent niet zonder meer dat op geheimhouding van het desbetreffende stuk een beroep gedaan kan worden.
20.9.
De beginselen van fair trial en equality of arms vervat in artikel 6 EVRM impliceren daarnaast dat een verzoek om volledige of beperkte geheimhouding van stukken alleen bij hoge uitzondering mag worden toegestaan en dan al zeker in zaken waarin aanzienlijke boetes aan de orde zijn.
20.10.
In de procesregeling belastingkamers Gerechtshoven 2005 was in artikel 8 bepaald dat Gerechtshoven met grote terughoudendheid gebruik maken van hun bevoegdheid tot beperkte kennisneming ex artikel 8:29 Awb. In de nieuwe procesregeling van 2010 is een dergelijke bepaling overigens niet opgenomen.
20.11.
In paragraaf 29 van het Besluit beroep in belastingzaken is met zoveel woorden bepaald dat van de zijde van de Belastingdienst geen beroep wordt gedaan op artikel 8:29, eerste lid Awb, tenzij naar het oordeel van de belastingplichtige stukken aan het dossier moeten worden toegevoegd omdat zij op de zaak betrekking hebben.
20.12.
Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstukken II 1991–92, 22 495, nr. 3, blz. 119) blijkt dat in beginsel alle partijen en de rechter dienen te kunnen beschikken over alle relevante informatie, partijen om hun procespositie te kunnen bepalen, de rechter om op een zo zorgvuldig mogelijke wijze tot een juist oordeel te komen.
20.13.
Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel houdende de aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene Wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (Kamerstukken II 1996–97, 25 175, nr. 3 (MvT)) komt eveneens de visie van de wetgever naar voren dat het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ ruim moet worden uitgelegd en dat het in het licht daarvan niet wenselijk is dat inspecteurs de belastingrechter om toepassing van artikel 8:29 Awb verzoeken.
20.14.
In de Nota naar aanleiding van het Verslag bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 1997–98, 25 175, nr. 5, blz. 16–17) is van de zijde van de regering nog eens opgemerkt, dat zij niet het standpunt had ingenomen dat stukken die de inspecteur geheim wilde houden niet zouden zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. De regering heeft daarbij als voorbeelden van niet op de zaak betrekking hebbende stukken genoemd: renseignementen die voor de uiteindelijke besluitvorming geen betekenis hebben, niet-openbare gedeelten van controlerapporten (interne memo's) met hoofdzakelijk controle-strategische informatie met het oog op toekomstige controles.
20.15.
De Advocaat-Generaal bij uw Raad heeft in zijn conclusie bij een arrest van uw Raad van 25 april 2008 (LJN: BA3823) het door de regering gegeven voorbeeld van het interne memo juist wel een voorbeeld van een op de zaak betrekking hebbend stuk genoemd.
20.16.
De Advocaat-Generaal komt dan tot de navolgende conclusie:
‘4.36
Alle stukken die relevant kunnen zijn voor een zaak, hebben ‘op de zaak betrekking’ in de zin van art 8:42 Awb. Dit relevantiecriterium moet ruim worden opgevat en vindt slechts een beperking in de redelijkheid en de doenlijkheid (praktische uitvoerbaarheid). Ook interne en externe adviezen, al dan niet juridisch van aard en al dan niet (proces)positiebepalend, vallen er onder als zij mede zien op de desbetreffende (soort) zaak. Dat geldt (dus) ook voor kennisgroepadviezen, interne memo's van controles en adviezen van de lands- of Rijksadvocaat. Dat wil echter nog niet zeggen dat die stukken ook overgelegd moeten worden. Uitzonderingen op de aldus niet nauw begrensde overleggingsplicht kunnen vervolgens op art. 8:29 Awb gebaseerd worden, dus op door de rechter te beoordelen ‘gewichtige redenen’. Dat betekent dat in beginsel niet alleen moeten worden verstrekt stukken waarop de fiscus zijn aanslag of boete doet steunen, maar ook stukken waarop hij zich niet beroept, die echter op een andere manier relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld doordat zij licht werpen op des fiscus' beleid in vergelijkbare gevallen (met name in geval van landelijk gecoördineerde acties en projecten) of doordat zij (anderszins) de positie van de belastingplichtige kunnen versterken.
4.37
Van de belastingplichtige mag niet gevraagd worden aannemelijk te maken dat hij belang heeft bij kennisneming in verband met zijn stelplicht of bewijslast of anderszins, want de overleggingsplicht dient er nu juist toe de belanghebbende in staat te stellen te onderzoeken óf hij belang heeft bij het aanvoeren van hetgeen die stukken behelzen. Art. 8:42 Awb vraagt niet om een belangenafweging. De belangenafweging wordt pas gemaakt bij de toepassing van de uitzondering op de overleggingsplicht in art. 8:29 Awb. Welke stukken relevant zijn en welke redenen gewichtig zijn, wordt bepaald door de rechter. Het is niet aan het bestuursorgaan om, om wat voor reden dan ook, een verder gaande selectie te maken dan nodig om ondersneeuwen te voorkomen. Voor niet-overlegging van bepaalde (onderdelen van) stukken die relevant kunnen zijn, moet hij beroep doen op art 8:29 Awb. Stukken waarvan zonder meer aannemelijk is dat zij relevant of juist irrelevant zijn voor de zaak, hoeven door de rechter niet te worden ingezien om dat relevantie-oordeel te vellen; hij mag op ervaringsregelen afgaan.’
20.17.
Uit het in cassatie bestreden arrest kan worden afgeleid, dat het Draaiboek als zodanig en de Nieuwsbrieven als op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aangemerkt.
20.18.
De Belastingdienst heeft het Draaiboek en de Nieuwsbrieven in het kader van de 8:29-procedure integraal overgelegd en onderzocht of het belang van de Belastingdienst om bepaalde delen daaruit geheim te houden zwaarder woog dan het belang van appellant(e) bij kennisneming daarvan.
20.19.
In rechtsoverweging 3.18. van de tussenuitspraak heeft de geheimhoudingskamer de navolgende naar zijn oordeel gerechtvaardigde belangen van de Belastingdienst bij geheimhouding benoemd:
- 1)
het belang bij een effectieve controle en controlestrategie, waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze;
- 2)
het belang van de privacy, zowel van derden als van individuele groepen van ambtenaren van de Belastingdienst.
20.20.
In rechtsoverweging 3.18.1 van de tussenuitspraak heeft de geheimhoudingskamer de redenen waarom het belang van de Belastingdienst bij geheimhouding in verband met het belang bij een effectieve controle en controlestrategie als volgt geformuleerd:
‘Passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven aan welke belanghebbende (alsmede iedere belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt, dan wel — mede in dit verband — haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert, worden niet geopenbaard. Deze ten behoeve van het toezicht en de controle(strategie) geheim te houden informatie omvat bijvoorbeeld scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen en klantbehandeling, voorschriften en tips over toe te passen tactiek en methodiek om aangiften en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen, alsmede informatie betreffende dossiervorming en automatiseringssystemen. Deze strategieën en werkwijzen zijn in beginsel ook toepasbaar buiten het KB-Luxproject en overstijgen daarmede de omvang van dit project, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen. In zoverre acht het Hof aannemelijk dat het risico van frustratie van de (uitvoering en handhaving van) de belastingwet manifest zou kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst.
Het Hof acht te dezen het algemene publieke belang van een — ook op het terrein van het toezicht en de controle — adequaat functionerende Belastingdienst van een groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.
Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat evenzeer voor de hand liggend is te achten dat, nu de Belastingdienst ter zake van het Rekeningenproject met andere opsporingsinstanties (heeft) samen(ge)werkt, de in het Draajboek verwerkte strategieën en werkwijzen mede zijn gebaseerd op de door die andere opsporingsinstanties gehanteerde en aangereikte tactieken en methodieken en dat openbaarmaking daarvan ook voor (de toekomstige taakuitoefening van) die instanties tot onaanvaardbare -en door de Belastingdienst noch het Hof goed te overziene gevolgen zou kunnen leiden.’
20.21.
Uit deze overweging blijkt dat het Hof onder meer het belang van de Belastingdienst bij geheimhouding van de wijze waarop de Belastingdienst feiten achterhaalt en onderzoekt en van de scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen gerechtvaardigd acht. Het gaat daarbij kennelijk om opsporingsmethoden en niet louter om de wijze waarop controlebevoegdheden worden uitgeoefend.
20.22.
Controlebevoegdheden mogen worden uitgeoefend ongeacht of er een redelijk vermoeden bestaat dat de belastingwetgeving is overtreden, opsporingsbevoegdheden kunnen alleen dan worden uitgeoefend indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de belastingwetgeving is overtreden.
20.23.
In de KB-Luxzaken als die van appellant(e) was — althans in de ogen van de Belastingdienst —sprake van een redelijk vermoeden dat de belastingwetgeving was overtreden. De Belastingdienst achtte zich dan ook tot opsporing bevoegd en dus bevoegd om ook opsporingsbevoegdheden te hanteren. Om die reden zijn dan ook de methoden waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en de scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen in het Draaiboek opgenomen.
20.24.
Opsporingsbevoegdheden zijn van veel ingrijpender aard dan controlebevoegdheden. De uitoefening daarvan dient dan ook met de nodige rechtswaarborgen omkleed te zijn.
Appellant(e) heeft er dan ook fundamenteel processueel belang bij kennis te kunnen nemen van de passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven die betrekking hebben op scenario's betreffende de opsporing van belastingplichtigen over de wijze waarop de Belastingdienst feiten achterhaald teneinde te kunnen vaststellen of de gehanteerde opsporingsmethodieken met de vereiste rechtswaarborgen omkleed zijn en op basis van de aldus verkregen bevindingen zijn/haar procespositie te kunnen bepalen.
20.25.
Aangezien het Hof louter en alleen het belang van de Belastingdienst bij een effectieve en efficiënte controle en controlestrategie, waaronder het Hof een effectieve en efficiënte interne werkwijze heeft begrepen, voldoende zwaarwegend heeft geacht om geheimhouding te rechtvaardigen, heeft het Hof zijn oordeel dat passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven die betrekking hebben op de opsporing van belastingplichtigen en de wijze waarop de Belastingdienst feiten achterhaalt geheim mochten blijven, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd doordat het Hof geoordeeld heeft dat de geheimhouding zich ook uitstrekt tot de passages die betrekking hebben op opsporing en niet de controle betreffen.
20.26.
Gelet op het zwaarwegende belang van appellant(e) bij kennisname van de passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven die op de opsporing betrekking hebben, had het Hof de Belastingdienst moeten opdragen om appellant(e) het Draaiboek en de Nieuwsbrieven toe te zenden waarin bedoelde passages kenbaar waren.
20.27.
In rechtsoverweging 3.18.2 heeft het Hof onder meer als volgt overwogen:
‘Om reden van privacy worden persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits)gegeven niet prijsgegeven.
Voor zover gemachtigde in dit verband heeft gesteld dat namen van de personen bij de Belastingdienst die leiding hebben gegeven aan of die anderszins betrokken zijn geweest bij het opstellen van het beleid en de marsroute van het Rekeningenproject, bekend gemaakt moeten worden omdat belanghebbende daarbij belang heeft, bijvoorbeeld teneinde deze personen als getuige te kunnen oproepen, overweegt het Hof als volgt. Gelet op het Besluit van 15 juni 2001, nr. RTB 2001/1917, BNB 2001/392, en op de omstandigheid dat het hier bedoelde beleid op landelijk niveau onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris is voorbereid, gecoördineerd en aangestuurd, acht het Hof het niet aannemelijk dat in het Draaiboek of in de Nieuwsbrieven namen van andere dan (in hoofdzaak) beleidsuitvoerende personen voorkomen. Voor het achterhalen van de namen van beleidsbepalende ambtenaren, zoals gemachtigde tracht te doen, acht het Hof het prijsgeven van de in het Draaiboek dan wel de Nieuwsbrieven genoemde persoonsnamen dan ook een ongeschikt middel.
Aldus prevaleert naar het oordeel van het Hof het belang van de privacy van de in het Draaiboek en de Nieuwsbrieven genoemde personen om anoniem te blijven boven dat van belanghebbende (…).’
20.28.
Het Hof stelt dus alleen maar vast dat de privacy van de betrokken ambtenaren zwaarder zou wegen tegenover het belang van appellant(e) bij de bekendmaking van hun namen.
Iedere motivering ontbreekt. Het Hof laat volledig in het midden waarom het belang van deze privacy zwaarder zou wegen dan het belang van appellant(e) bij kennisneming van de namen bijvoorbeeld om hen als getuigen op te roepen. Het Hof heeft in het bijzonder niet meegewogen het belang van appellant(e) bij deze getuigenverhoren.
20.29.
De beslissing van het Hof om de in het Draaiboek en de Nieuwsbrieven vermelde persoonsnamen om reden van privacy niet prijs te geven is derhalve onvoldoende met redenen omkleed. Het Hof had in de tussenuitspraak tot het oordeel moeten komen dat de Belastingdienst deze namen wel diende prijs te geven.
20.30.
Her Hof had derhalve in de tussenuitspraak de Belastingdienst ertoe moeten veroordelen om het Draaiboek en de Nieuwsbrieven toe te zenden, waarin de persoonsnamen vermeld waren.
20.31.
De tussenuitspraak van het Hof van 20 juni 2008 kan voor zover de Belastingdienst daarbij is veroordeeld om aan appellant(e) een versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven toe te zenden, waarbij de passages daaruit die betrekking hebben op de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt en van de scenario's betreffende opsporing van belastingplichtigen en de persoonsnamen geheim blijven dient daarom vernietigd te worden. Tevens dient de einduitspraak van het Hof van 23 september 2010 vernietigd te worden nu het aan appellant(e) onmogelijk is gemaakt om bij het bepalen van haar procespositie mede de informatie uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven over de door de Belastingdienst gehanteerde opsporingsbevoegdheden en inzake de namen van de betrokken beleidsambtenaren en de eventuele van hen af te nemen getuigenverhoren te betrekken en appellant(e) daardoor in zijn/haar procesbelang is geschaad.
Middel 28
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 5.5.2. heeft overwogen dat de boeten zijn opgelegd op grond van artikel 67e AWR en het Hof er daardoor aan voorbij is gegaan dat artikel 67e AWR pas op 1 Januari 1998 is ingevoerd en niet van toepassing is voor de jaren 1990 tot en met 1997.
Toelichting
21.1.
Artikel 67e AWR is op 1 januari 1998 ingevoerd. Artikel 67e AWR is niet van toepassing op boeten die betrekking hebben op tijdvakken die aanvangen voor 1 januari 1998.
21.2
De litigieuze navorderingsaanslagen hebben betrekking op de jaren 1990 tot en met 2000. Artikel 67e AWR is derhalve slechts van toepassing op de navorderingsaanslagen over de jaren 1998 tot en met 2000 en niet op de navorderingsaanslagen over de jaren 1990 tot en met 1997.
21.3.
De implicatie van hetgeen het Hof in rechtsoverweging 5.3.2.. heeft overwogen is dat artikel 67e AWR ook voor de boeten die betrekking hebben op de jaren 1990 tot en met 1997 de rechtsgrondslag zou zijn. Die implicatie is rechtens onjuist. Artikel 67e AWR kan niet tot rechtsgrondslag dienen voor de boeten die betrekking hebben op de jaren 1990 tot en met 1997.
21.4.
Het Hof heeft hierdoor nagelaten vast te stellen dat voor de belastingjaren 1990 tot en met 1997 ter zake van de boeten de in die periode van kracht zijnde wettelijke bepalingen van toepassing waren en heeft daardoor ten onrechte nagelaten aan de bepalingen toepassing te geven.
Middel 29
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat het Hof ter zake van de belastingjaren 1990 tot en met 1997 heeft nagelaten te onderzoeken welke beleidsregels de Belastingdienst met betrekking tot boetes hanteerde.
Toelichting
22.1.
Uit middel 38 en uit hetgeen ter toelichting hiervan is gesteld volgt dat ook het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 voor de jaren 1990 tot en met 1997 niet van toepassing is (vide Den Boer, Koopman en Wattel, Fiscaal Commentaar, Algemeen Belastingrecht 1999, artikel 67e AWR onder pt. 9).
22.2.
Voor de belastingjaren 1990 tot en met 1992 is de Leidraad Administratieve Boeten 1994 (LAB) (beschikking van 28 maart 1984, nr. 583-16855, Stcrt. 65) van toepassing. Voor de jaren 1993 tot en met 1997 geldt het Voorschrift Administratieve Boeten 1993 (VAB) (regeling van 28 september 1992, Stct. 193).
22.3.
Zowel de LAB als het VAB zijn gelet op hetgeen uw Raad in een arrest van 28 maart 1990 (nr. 25668, BNB 1990/194) heeft overwogen recht in de zin van artikel 79 RO zodat over schending van deze beleidsregels in cassatie geklaagd kan worden.
22.4.
Uw Raad heeft in ditzelfde arrest eveneens overwogen, dat de rechter niet ambtshalve tot toepassing van beleidsregels als de LAB en het VAB is gehouden en dus in beginsel ook niet is gehouden om de LAB en het VAB toe te passen.
22.5.
In casu gaat het er echter om dat voor de belastingjaren 1990 tot en met 1997 ten onrechte toepassing is gegeven aan het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (vgl. rechtsoverweging 5.7.2.1 van de bestreden uitspraak).
22.6.
Het Hof heeft door na te laten welke beleidsregels de Belastingdienst over de jaren 1990 tot en met 1997 ten aanzien van boeten hanteerde ten onrechte nagelaten vast te stellen of de toepassing van de voor de jaren 1990 tot en met 1997 geldende wettelijke regeling en het over die jaren door de Belastingdienst gehanteerde beleid niet tot lagere boeten voor appellant(e) dan de boeten die in de litigieuze navorderingsaanslagen zijn opgelegd zou hebben geleid.
Middel 30
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlandse recht waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, doordat het Hof zonder enig onderzoek is uitgegaan van de redelijkheid van de schatting door de inspecteur van het inkomen en vermogen van appellant(e) voor de jaren 1990 en 1991, waarop hij met het oog op het vaststellen van de navorderingsaanslag correcties heeft toegepast in verband met de bij de KBL aangehouden rekening(en).
Toelichting
23.1.
De inspecteur geeft in zijn verweerschrift aan niet te beschikken over de aangiftebiljetten 1990 en 1991 en is voor het vaststellen van de litigieuze navorderingsaanslagen over de jaren 1990 en 1991 uitgegaan van een geschat belastbaar inkomen over de voormelde jaren.
23.2.
De inspecteur heeft zich daarom kennelijk genoodzaakt gezien om inkomen en vermogen van appellant(e) over de jaren 1990 en 1991 te schatten om vervolgens daarop een correctie toe te passen.
23.2.
Doordat het Hof niet de redelijkheid van het geschatte belastbaar inkomen heeft onderzocht, is het volstrekt ongewis welke methode de inspecteur bij deze schatting heeft gehanteerd.
23.3.
De inspecteur heeft het belastbaar inkomen over de jaren 1990 en 1991 naar willekeur vastgesteld.
23.4.
Het Hof heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de schatting door de inspecteur van het inkomen en vermogen van appellant(e) als ten redelijke schatting kan worden aangemerkt die voldoet aan de eisen die daaraan naar vaste jurisprudentie van uw Raad worden gesteld.
Middel 31
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtnerning uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof in rechtsoverweging 5.6.9.. in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door ten aanzien van appellant(e) ondanks de erkenning dat hij/zij een rekening bij de KBL heeft aangehouden en belanghebbenden die het bestaan van een dergelijk rekening hebben ontkend een even grote matiging van de boeten gerechtvaardigd te achten.
Toelichting
24.1.
In rechtsoverweging 5.6.5. heeft het Hof een boete tot 80% van de boete gerechtvaardigd geacht voor wat betreft de rekening met nummer [002], omdat het Hof het van belang achtte dat de schatting tot stand is gekomen aan de hand van gegevens die betrekking hebben op derden en niet op belanghebbende zelf en bij de schatting van de hoogte van de correcties een grote onzekerheidsmarge is aangehouden.
24.2.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.1.2. vastgesteld dat appellant(e) heeft erkend dat er een rekening met nummer [002] op naam van de dochter [DE DOCHTER] bestond bij de bank in Luxemburg. Appellant(e) is er niet toe overgegaan om de inspecteur de door deze verzochte gegevens te verstrekken doordat er mede als gevolg van de publiciteit grote onzekerheid was ontstaan over met name de rechtmatigheid van de door de inspecteur gebruikte startinformatie, de fotokopieën van de microfiches.
24.3.
De Belastingdienst zelf ook onderkend de onduidelijkheid inzake het al dan niet rechtmatige karakter van de fotokopieën van de microfiches als bewijsmateriaal. De rechtsvraag inzake het al dan niet onrechtmatige karakter van de fotokopieën was dan ook een van de rechtsvragen die aan de orde zijn gekomen in de proefprocedure die op initiatief van de Belastingdienst na een daartoe met het advocatenkantoor […] gesloten overeenkomst is gevoerd.
24.4.
Er heeft daardoor lange tijd onzekerheid bestaan over de bruikbaarheid van de fotokopieën van de microfiches als bewijsmateriaal, een onzekerheid die door de Belastingdienst werd gedeeld gelet op het feit dat deze het initiatief heeft genomen tot een proefprocedure om aan die onzekerheid een einde te maken.
24.5.
Onder deze omstandigheden had appellant(e) gerechtvaardigde gronden om ook zelf de resultaten van de proefprocedure af te wachten alvorens de door de inspecteur verzochte gegevens te verstrekken.
24.6.
Een van de uitkomsten van de proefprocedure is geweest dat de fotokopieën van de microfiches als rechtmatig bewijs gekwalificeerd zijn en derhalve in het kader van de belastingheffing met het oog op de vaststelling van de op te leggen navorderingsaanslagen gebruikt mochten worden.
24.7.
Voor appellant(e) is dat aanleiding geweest om via zijn/haar gemachtigde openheid van zaken te geven. Dit is hem/haar onmogelijk gemaakt om de redenen die zijn beschreven in de toelichting bij de middelen 29 en 30.
24.8.
Uit het voorgaande blijkt dus dat appellant(e) gerechtvaardigde gronden heeft gehad om de gegevensverstrekking op te schorten, nadat het hem/haar toen die gronden als gevolg van de uitkomst van de protfprocedure door het Hof zelf onmogelijk is gemaakt om alsnog de verzochte gegevens te verstrekken.
24.9.
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld voor zover zij gelijk zijn en verschillend voor zover zij verschillen. De verplichting van de overheid, in casu de belastingdienst, om gelijke gevallen gelijk te behandelen en verschillend voor zover zij verschillen vloeit voort uit de in het bijzonder artikel 14 EVRM, artikel 2, § 1 IVBPR en artikel 26 IVBPR vervatte bepalingen.
24.10.
Gelet op het voorgaande impliceert het gelijkheidsbeginsel dan ook dat dan ten aanzien van appellant(e) een grotere matiging van de boete gerechtvaardigd is dan de matiging die te rechtvaardigen is ten aanzien van hen die het bestaan van een rekening bij de KBL hebben ontkend.
Middel 32
Het Hof heeft in rechtsoverweging 6.6. bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding ten onrechte aansluiting gezocht bij de situatie dat er sprake zou zijn van samenhangende zaken.
Toelichting
25.1.
De onderhavige zaak behoorde tot de 57 zaken, waarbij de ondergetekende als gemachtigde van appellant(e) is opgetreden en die door het Hof Amsterdam in het kader van het Rekeningenproject zijn behandeld en waarbij gemachtigde als raadsman is.
Daarnaast is in 10 zaken [A] als gemachtigde opgetreden. In totaal gaat het om 67 zaken.
25.2.
Het Hof heeft ten aanzien daarvan in de bestreden uitspraak onder punt 6 in rechtsoverweging 6.2. vastgesteld dat deze 67 zaken geen samenhangende zaken vormen in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat niet alle zaken gelijktijdig zijn ingediend. Wel is er —aldus het Hof— sprake van samenhang in de zin van dit artikel. Het Hof heeft echter het maken van onderscheid tussen die deelgroepen niet gerechtvaardigd geacht, omdat dit zou leiden tot ongerechtvaardigde verschillen in vergoedingen.
25.3.
Het Hof heeft daarom in rechtsoverweging 6.6. wel aansluiting gezocht bij de situatie dat alle 67 zaken wel als samenhangende zaken zouden zijn geweest in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
25.4.
Zoals hiervoor in grief 24 en 25 en de toelichting daarbij is aangegeven, heeft het Hof appellant(e) en alle overige betrokkenen uit de groep van 67 ten onrechte niet voor de mondelinge behandelingzitting uitgenodigd en appellant(e) geen gelegenheid geboden om zijn/ haar persoonlijke omstandigheden toe te lichten.
25.5.
Bij brief van 21 oktober 2008 had het Hof aan de gemachtigde de formele uitnodiging verzonden voor de zitting van 17 december 2008 met als bijlage een lijst van betrokken belanghebbenden en de kenmerken van de beroepen. Bij brief van 22 oktober 2008 (vide rechtsoverweging 1.23 van de bestreden uitspraak) heeft het Hof de telefonische afspraak bevestigd dat op 17 december 2008 een nader onderzoek ter zitting gehouden zou worden. In antwoord hierop heeft de gemachtigde mede namens voornoemde [A] aan het Hof bij fax van 22 oktober 2008 bericht dat al zijn cliënten de zitting wensten bij te wonen om van hun kant de individuele persoonlijke omstandigheden toe te lichten en verzocht om hem aan te geven hoe met in achtneming van de privacy van zijn cliënten de inhoudelijks behandeling van de individuele zaken geagendeerd zou worden. In antwoord hierop heeft het Hof bij brief van 30 oktober 2008 aan de gemachtigde een agendering toegezonden. Deze agendering was van dien aard, dat er aan de individuele cliënten te weinig tijd werd toegemeten om hun individuele situatie toe te lichten (vide rechtsoverweging 1.23 van de bestreden uitspraak).
25.6.
De gemachtigde heeft daardoor evenmin de mogelijkheid gehad om vanuit zijn deskundigheid de specifiek op de individuele omstandigheden van appellant(e) en ieder der overige betrokkenen uit de groep van 67 betrekking hebbende en onderling zeer verschillende juridische aspecten toe te lichten, dus ter zake van de individuele draagkracht van ieder, het individuele boeteverweer, de ongeoorloofde druk waaronder de belastingdienst hen heeft geplaatst en dergelijke meer. Het Hof is met deze gedragslijn ook afgeweken van de lijn die de andere Hoven in den lande hebben gevolgd. Deze hebben individuele uitnodigingen verzonden en de zaken zodanig geagendeerd dat er voor de individuele belanghebbende en hun gemachtigde wel voldoende tijd werd geboden om de specifieke individuele aspecten van ieders zaak toe te lichten. Saillant is in dit verband dat het Hof zelf als het daarvoor aanleiding ziet individuele zaken afzonderlijk heeft behandeld zoals in de zaak met kenmerk P 024/0281. maar anderzijds de individuele belanghebbenden en hun gemachtigde niet toestaat de individuele feiten en omstandigheden naar voren te brengen op grond waarvan het Hof wellicht tot een andere uitspraak gekomen zou zijn dan de bestreden uitspraak. In die zaak met kenmerk P024/0281 heeft het Hof daartoe de zaak zelfs ambtshalve heropend hetgeen geleid heeft tot een extra proceskosten- vergoeding van € 215,-- voor wat betreft de door de gemachtigde verrichte proceswerkzaamheden.
25.7.
De gemachtigde is er, mede gelet op de werkwijzen van de overige Hoven binnen het rekeningenproject en gelet op de implicaties van artikel 6 EVRM, steeds van uitgegaan, dat de betrokkenen individueel zouden worden uitgenodigd, dat hen voldoende tijd toegemeten zou worden om hun individuele situatie toe te lichten en dat hijzelf de individuele juridische aspecten zou moeten toelichten. De gemachtigde heeft daartoe ook de nodige voorbereidende werkzaamheden verricht en met iedere betrokken cliënt(e) individuele gesprekken gevoerd en de resultaten van die gesprekken vastgelegd.
25.8.
Indien het Hof de individuele belanghebbenden zoals appellant(e) en hun gemachtigde de gelegenheid had geboden de individuele aspecten zoals hiervoor aangeduid toe te lichten, zou het Hof tot het oordeel gekomen zijn dat de 67 zaken zoveel verschilden dat het Hof anders dan het thans in rechtsoverweging 6.6. gedaan heeft geen aansluiting zou hebben gezocht bij de situatie dat alle 67 zaken als samenhangende zaken worden beschouwd en zou het Hof iedere zaak als een individuele zaak hebben aangemerkt.
Doordat het Hof heeft nagelaten iedere betrokkene individueel uit te nodigen en heeft nagelaten om hen en hun gemachtigde in de gelegenheid te stellen de individuele (juridische) aspecten toe te lichten, is het Hof tot het onjuiste oordeel gekomen dat aansluiting gezocht zou kunnen worden bij de situatie dat de 67 zaken als samenhangende zaken zouden worden gezien.
25.9.
Indien uw Raad tot het oordeel komt dat de middelen 17 en 18 slagen, kan derhalve het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 6.6. niet in stand blijven.
Conclusie:
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge ik uw Raad in overweging geven de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen en een ander Gerechtshof op te dragen een nieuwe beschikking te geven na belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld in persoon de feiten en omstandigheden toe te lichten waarom de ingediende gronden van beroep gegrond moeten worden verklaard.
Voorts verzoek ik uw Raad om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Hoogachtend,
Uitspraak 09‑03‑2012
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Onvoldoende bewijs dat na opheffing rekening dochter meer inkomsten zijn genoten dan vader reeds heeft erkend.
Partij(en)
9 maart 2012
nr. 11/01129
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2011, nr. P04/02811, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is voorts over het jaar 1998 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslagen over de jaren 1990 tot en met 1992 en de op die aanslagen betrekking hebbende kwijtscheldingsbeschikkingen en beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd, de overige navorderingsaanslagen, de daarop betrekking hebbende heffingsrente en de boete verminderd en de overige verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft de middelen I en II van zijn beroep in cassatie ingetrokken.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1.
De bestreden navorderingsaanslagen, boete, verhogingen en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arrest van 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN BN6324, BNB 2011/206 (hierna: het arrest van 15 april 2011).
3.1.2.
De bij belanghebbende in aanmerking genomen correcties houden verband met de rekening met nummer 001 (hierna: rekening-A) en met de rekening met nummer 002 (hierna: rekening-B) bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux).
3.1.3.
Met betrekking tot rekening-A heeft belanghebbende opening van zaken gegeven voordat de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Belanghebbende heeft niet voldaan aan het verzoek van de Inspecteur om gegevens te verstrekken over de inkomsten uit en de tegoeden op rekening-B.
3.2.1.
Voor het Hof is een brief van de KB-Lux overgelegd waaruit blijkt dat rekening-B is opgeheven op 13 november 1996. Het Hof heeft - in cassatie op zichzelf niet bestreden - op basis daarvan als vaststaand aangemerkt dat in de periode volgend op die datum de rekening-B niet meer bestond.
3.2.2.
Het Hof heeft verder geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in de periode vanaf 13 november 1996 tegoeden op enige andere buitenlandse rekening heeft aangehouden dan op rekening-A.
3.2.3.
Het Hof heeft vervolgens de navorderingsaanslagen over de jaren 1996 tot en met 1998 verminderd door - kort gezegd - de "modelmatige correcties" met betrekking tot rekening-B (tijdsevenredig) te elimineren voor zover die betrekking hebben op de periode vanaf 13 november 1996.
3.3.1.
Het middel van de Staatssecretaris stelt dat het oordeel van het Hof onjuist dan wel onbegrijpelijk is, aangezien belanghebbende niet heeft doen blijken dat de tot 13 november 1996 aan hem in verband met rekening-B toegerekende tegoeden en renten vanaf die datum niet meer aan hem toegerekend kunnen worden.
3.3.2.
Het onder 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof is kennelijk gegeven in verband met de vraag of er voldoende grondslag was voor een redelijke en niet willekeurige vaststelling van na te vorderen bedragen over de periode vanaf 13 november 1996 naast de na te vorderen bedragen in verband met rekening-A. In dat verband gegeven getuigt het oordeel - anders dan het middel kennelijk wil betogen - niet van een onjuiste verdeling van de bewijslast.
In aanmerking genomen het onder 3.2.1 vermelde is dat oordeel voorts niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van het betoog van het middel dat, gelet op de omvang van de correcties met betrekking tot rekening-B in de periode vóór 13 november 1996, sprake moet zijn van omvangrijke tegoeden en dat niet aannemelijk is dat deze tegoeden in rook zijn opgegaan. Dat betoog - wat er verder van zij - mist immers in die zin feitelijke grondslag dat uit (de omvang van) de bedoelde correcties niet de werkelijke omvang van het tegoed op rekening-B voorafgaand aan 13 november 1996 kan worden afgeleid, nu die correcties slechts zijn gebaseerd op een "modelmatige berekening".
In aanmerking genomen het voorgaande heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen komen tot de negatieve beantwoording van de evenvermelde vraag. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
Het middel van de Staatssecretaris faalt derhalve.
3.4.1.
's Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de verhoging voor het jaar 1993 blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011. Verder geeft 's Hofs uitspraak wat betreft de beoordeling van de onderscheiden verhogingen voor de jaren 1994 tot en met 1996 blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in onderdeel 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011. De middelen van belanghebbende slagen in zoverre.
3.4.2.
De middelen van belanghebbende kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.8.3 en 4.8.4 van het arrest van 15 april 2011.
3.6.
In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:
- (i)
of de Inspecteur voor het jaar 1993 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de verhoging is opgelegd, heeft begaan, en
- (ii)
of elk van de opgelegde verhogingen over de jaren 1993 tot en met 1996 gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in verband met het beroep van de Staatssecretaris in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 11/01127 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat betreft de verhogingen voor de jaren 1993 tot en met 1996,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 (in verband met het beroep van belanghebbende) en op de helft van € 874 (in verband met het beroep van de Staatssecretaris van Financiën), derhalve € 2185, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2012.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 454.