Zie recent nog HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, NJ 2014, 227 m.nt Keulen.
HR, 14-10-2014, nr. 13/05406
ECLI:NL:HR:2014:2960
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2014
- Zaaknummer
13/05406
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2960, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑10‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1829, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1829, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑09‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2960, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2014-0401
Uitspraak 14‑10‑2014
Inhoudsindicatie
Beroep op noodweer. Het Hof heeft blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte vastgesteld dat X is "aangevallen door een andere vrouw" en dat verdachte hierop die vrouw "met een vlakke hand tegen de brievenbussen gedrukt" heeft. Gelet op deze vaststelling alsmede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het beroep op noodweer is aangevoerd, is 's Hofs oordeel dat niet sprake was van een noodweersituatie niet zonder meer begrijpelijk.
Partij(en)
14 oktober 2014
Strafkamer
nr. 13/05406
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2013, nummer 21/005397-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 07 oktober 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend [betrokkene 1] bij haar keel heeft vastgepakt en tegen brievenbussen heeft geduwd waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte met bijlage (pag. 34 tot en met 38), nr. PL0910 2012223276-1, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2012 door [verbalisant 1], surveillant van politie Utrecht, inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Op 7 oktober 2012 bevond ik mij op de [a-straat] te Utrecht. [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) woont op [a-straat 1]. Ik stond buiten bij de ingang van de tweede portiek, toen ik [betrokkene 2] naar buiten zag lopen. Op een gegeven moment stond zij voor mij. Ik heb vervolgens met mijn rechter hand de mobiele telefoon uit de hand van [betrokkene 2] gepakt. Ik heb vervolgens met mijn rechter hand een gooiende beweging gemaakt. Hierna ontstond er wat heen en weer geduw tussen [betrokkene 2] en mij.
Ik hoorde vervolgens [betrokkene 2] roepen: "[betrokkene 3]". Ik zag vervolgens een man onze richting op komen rennen. Ik herkende deze man als zijnde de vriend van [betrokkene 2]. Ik heb later begrepen dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) heet. Hij kwam recht op mij af rennen. Ik stond met mijn rug op ongeveer een halve meter van de postbussen. Ik zag en voelde dat [verdachte] met zijn rechter hand mijn keel vast pakte. Ik zag en voelde dat hij mij tegen de brievenbussen van het portiek aan duwde. Ik voelde dat hij hard in mijn keel kneep. Ik voelde hierdoor pijn in mijn keel en had hierdoor moeite met ademhalen.
Vervolgens zag en voelde ik dat [verdachte] mijn keel losliet. Aan de mishandeling heb ik een aantal dagen letsel overgehouden. Ik had een rode plek op mijn keel en ik had pijn in mijn keel, nek en hoofd.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige, nr. PL091A 2012223276, gesloten en ondertekend op 17 oktober 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
Op 7 oktober 2012 had ik een afspraak met mijn buurvrouw, [betrokkene 1]. [verdachte] was in mijn woning. Onderweg naar mijn kelderbox zag ik de dochter van de buurvrouw aan komen lopen.
Ik zag opeens dat [verdachte] naar die vrouw en mij kwam lopen en ik zag dat [verdachte] die vrouw een duw tegen haar schouder gaf.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (pag. 46 en 47), nr. PL091A 2012228647-16, gesloten en ondertekend op 15 oktober 2012 door [verbalisant 2], brigadier van politie Utrecht, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik weet dat [betrokkene 2] op 7 oktober 2012 is aangevallen door een andere vrouw. Ik ben naar [betrokkene 2] en die vrouw toegelopen en ik heb met een vlakke hand (het hof leest daarna: die vrouw) tegen de brievenbussen gedrukt. Ik moest stevig drukken om haar tegen de brievenbussen aan te houden."
2.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Uit het dossier komt de aangeefster als agressor naar voren. Zij gaat op [betrokkene 2] af en pakt haar telefoon af. Volgens [betrokkene 2] en cliënt heeft aangeefster [betrokkene 2] ook bij de keel gepakt. Ook uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat zij de agressor is. Gelet op de feiten kan worden aangenomen dat aangeefster van zich heeft afgebeten. Er is daarom wel sprake van wederrechtelijke aanranding.
[betrokkene 2] wordt door aangeefster belaagd. In ieder geval wordt haar telefoon afgepakt. Dan komt cliënt tussenbeide en duwt hij aangeefster weg. Dit handelen is proportioneel. Hij heeft [betrokkene 2] ontzet. De wijze van reageren door cliënt is redelijk normaal te noemen.
Cliënt heeft uit noodweer gehandeld en hij dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen."
2.5.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Aangeefster viel de ex-partner van verdachte, [betrokkene 2], aan en pakte haar telefoon af. Verdachte zag dit en wilde aangeefster en [betrokkene 2] uit elkaar halen. Hij heeft aangeefster met enige kracht aan de kant gezet. Het geweld dat verdachte gebruikte was proportioneel en geboden.Verdachte moest [betrokkene 2] verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2]. Het hof acht op grond van de wettige bewijsmiddelen onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2] op het moment van het handelen van verdachte. Van een noodweersituatie was geen sprake. Het verweer wordt verworpen."
2.6.
Het Hof heeft blijkens de hierboven onder 2.3 sub 3 weergegeven, tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte vastgesteld dat [betrokkene 2] op 7 oktober 2012 is "aangevallen door een andere vrouw" en dat de verdachte hierop die vrouw "met een vlakke hand tegen de brievenbussen gedrukt" heeft. Gelet op deze vaststelling alsmede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het beroep op noodweer is aangevoerd, is 's Hofs oordeel dat niet sprake was van een noodweersituatie niet zonder meer begrijpelijk.
2.7.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.
Conclusie 16‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Beroep op noodweer. Het Hof heeft blijkens de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte vastgesteld dat X is "aangevallen door een andere vrouw" en dat verdachte hierop die vrouw "met een vlakke hand tegen de brievenbussen gedrukt" heeft. Gelet op deze vaststelling alsmede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het beroep op noodweer is aangevoerd, is 's Hofs oordeel dat niet sprake was van een noodweersituatie niet zonder meer begrijpelijk.
Nr. 13/05406
Mr. Vegter
Zitting 16 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem heeft bij arrest van 17 september 2013 de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij zoals in het arrest vermeld toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 07 oktober 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend [betrokkene 1] bij haar keel heeft vastgepakt en tegen brievenbussen heeft geduwd waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
‘’Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
ten aanzien van het tenlastegelegde:
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte met bijlage (pag. 34 tot en met 38), nr. PL0910 2012223276-1, gesloten en ondertekend op 12 oktober 2012 door [verbalisant 1], surveillant van politie Utrecht, inhoudende de aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
Op 7 oktober 2012 bevond ik mij op de [a-straat] te Utrecht. [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) woont op [a-straat 1]. Ik stond buiten bij de ingang van de tweede portiek, toen ik [betrokkene 2] naar buiten zag lopen. Op een gegeven moment stond zij voor mij. Ik heb vervolgens met mijn rechter hand de mobiele telefoon uit de hand van [betrokkene 2] gepakt. Ik heb vervolgens met mijn rechter hand een gooiende beweging gemaakt. Hierna ontstond er wat heen en weer geduw tussen [betrokkene 2] en mij.
Ik hoorde vervolgens [betrokkene 2] roepen: "[betrokkene 3]". Ik zag vervolgens een man onze richting op komen rennen. Ik herkende deze man als zijnde de vriend van [betrokkene 2]. Ik heb later begrepen dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) heet. Hij kwam recht op mij af rennen. Ik stond met mijn rug op ongeveer een halve meter van de postbussen. Ik zag en voelde dat [verdachte] met zijn rechter hand mijn keel vast pakte. Ik zag en voelde dat hij mij tegen de brievenbussen van het portiek aan duwde. Ik voelde dat hij hard in mijn keel kneep. Ik voelde hierdoor pijn in mijn keel en had hierdoor moeite met ademhalen.
Vervolgens zag en voelde ik dat [verdachte] mijn keel losliet. Aan de mishandeling heb ik een aantal dagen letsel overgehouden. Ik had een rode plek op mijn keel en ik had pijn in mijn keel, nek en hoofd.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige, nr. PL091A 2012223276, gesloten en ondertekend op 17 oktober 2012 door [verbalisant 2] voornoemd, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
Op 7 oktober 2012 had ik een afspraak met mijn buurvrouw, [betrokkene 1]. [verdachte] was in mijn woning. Onderweg naar mijn kelderbox zag ik de dochter van de buurvrouw aan komen lopen. lk zag opeens dat [verdachte] naar die vrouw en mij kwam lopen en ik zag dat [verdachte] die vrouw een duw tegen haar schouder gaf.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (pag. 46 en 47), nr. PL091A 2012228647-16, gesloten en ondertekend op 15 oktober 2012 door [verbalisant 2], brigadier van politie Utrecht, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik weet dat [betrokkene 2] op 7 oktober 2012 is aangevallen door een andere vrouw. lk ben naar [betrokkene 2] en die vrouw toegelopen en ik heb met een vlakke hand (het hof leest daarna: die vrouw) tegen de brievenbussen gedrukt. Ik moest stevig drukken om haar tegen de brievenbussen aan te houden.
5. Het middel klaagt dat de verwerping van het beroep op noodweer ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is in het bijzonder voor zover het Hof heeft vastgesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie.
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar een beroep op noodweer gedaan en verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat ten aanzien van de ex-vriendin van verdachte een noodweersituatie bestond doordat aangeefster haar bij de keel greep en haar telefoon afpakte.
7. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
‘’Beroep op noodweer
De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Aangeefster viel de ex-partner van verdachte, [betrokkene 2], aan en pakte haar telefoon af. Verdachte zag dit en wilde aangeefster en [betrokkene 2] uit elkaar halen. Hij heeft aangeefster met enige kracht aan de kant gezet. Het geweld dat verdachte gebruikte was proportioneel en geboden.
Verdachte moest [betrokkene 2] verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is allereerst vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2]. Het hof acht op grond van de wettige bewijsmiddelen onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2] op het moment van het handelen van verdachte. Van een noodweersituatie was geen sprake. Het verweer wordt verworpen.’’
8. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.1.Bij de verwerping van het beroep op noodweer mag niet in het ongewisse blijven of het Hof het door de raadsman aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, of dat het heeft geoordeeld dat die toedracht een beroep op noodweer niet rechtvaardigt, dan wel dat de wijze waarop die verdediging plaatsvond niet gerechtvaardigd was.2.
9. Opmerkelijk in deze zaak is mijns inziens- de steller van het middel struikelt er niet met zoveel woorden over- dat bewijsmiddel 3 inhoudt dat verdachte wist dat zijn ex-vriendin [betrokkene 2] (op enig moment) op 7 oktober 2012 is aangevallen door een andere vrouw. Bewezen is dus wetenschap bij verdachte van een aanval. Het kan zijn dat het om een aanval ging die al lang weer ten einde was al dan niet in het kader van enig ander incident eerder die dag tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Niet volledig uit te sluiten is zelfs dat verdachte met die andere vrouw een ander dan [betrokkene 1] bedoelt. Het Hof besteedt daar echter geen enkele aandacht aan. In de context van deze zaak is bepaald niet uit te sluiten dat in bewijsmiddel 3 ligt besloten dat verdachte kort voorafgaande aan zijn hier ter beoordeling staande gewelddadige interventie jegens [betrokkene 1] wist dat [betrokkene 2] werd aangevallen door een andere vrouw waarmee hij [betrokkene 1] bedoelt. In dat licht is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof het beroep op noodweer verwerpt, omdat er geen sprake is van een noodweersituatie.
10. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2014
Zie o.m. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9862, HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7977, NJ 2011, 103 en HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5241.