Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 17-10-2024, nr. C-650/23, nr. C-705/23
ECLI:EU:C:2024:903
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
17-10-2024
- Magistraten
N. Jääskinen, M. Gavalec, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-650/23
C-705/23
- Roepnaam
Hembesler
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:903, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 17‑10‑2024
Uitspraak 17‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Pakketreis — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikel 3, lid 6 — Richtlijn (EU) 2015/2302 — Artikel 14, lid 5 — Cumulatieve toepassing — Grenzen — Verordening nr. 261/2004 — Artikel 3, lid 2 — Artikel 4, lid 3 — Compensatie aan passagiers bij instapweigering — Passagiers die van tevoren in kennis zijn gesteld van een instapweigering — Foutieve informatie — Touroperator die passagiers naar een andere vlucht overbrengt — Vlucht die door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert toch zoals oorspronkelijk gepland wordt uitgevoerd — Verplichting tot compensatie van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert — Artikel 13 — Mogelijkheid om een vergoeding te vorderen bij de touroperator
N. Jääskinen, M. Gavalec, I. Ziemele
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-650/23 [Hembesler]i. en C-705/23 [Condor Flugdienst],*
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landesgericht Korneuburg (rechter in tweede aanleg Korneuburg, Oostenrijk) (C-650/23) en het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland) (C-705/23) bij beslissingen van 22 augustus 2023 en 2 november 2023, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 31 oktober 2023 en 17 november 2023, in de procedures
E EAD
tegen
DW (C-650/23),
en
Flightright GmbH
tegen
Condor Flugdienst GmbH (C-705/23),
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, president van de Negende kamer, waarnemend voor de president van de Achtste kamer, M. Gavalec (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
E EAD, vertegenwoordigd door G. Dirnberger, Rechtsanwalt,
- —
DW, vertegenwoordigd door A. Skribe, Rechtsanwalt,
- —
Flightright GmbH, vertegenwoordigd door M. Michel en R. Weist, Rechtsanwälte,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en G. Kunnert als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door D. Csoknyai en M. Z. Fehér als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann en N. Yerrell als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaken zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 2, onder j), van artikel 4 en van artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificatie in PB 2022, L 68, blz. 24).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen E EAD (hierna: ‘E’), een luchtvaartmaatschappij, en een vliegtuigpassagier (C-650/23) en tussen Flightright GmbH, een vennootschap voor rechtsbijstand waaraan twee vliegtuigpassagiers hun eventuele rechten op compensatie hebben overgedragen, en Condor Flugdienst GmbH (hierna: ‘Condor’), een luchtvaartmaatschappij (C-705/23), over de compensatie van deze passagiers op grond van verordening nr. 261/2004.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 261/2004
3
In overweging 1 van verordening nr. 261/2004 staat te lezen:
‘Het optreden van de [Europese] Gemeenschap moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.’
4
Artikel 2 (‘Definities’) van deze verordening bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- b)
‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;
[…]
- d)
‘touroperator’: een organisator als bedoeld in artikel 2, punt 2, van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, met uitzondering van een luchtvaartmaatschappij [(PB 1990, L 158, blz. 59)];
[…]
- g)
‘boeking’: het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator;
[…]
- j)
‘instapweigering’: weigering om passagiers op een vlucht te vervoeren, hoewel zij zich voor instappen hebben gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, lid 2, zonder dat de instapweigering is gebaseerd op redelijke gronden zoals redenen die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging, of ontoereikende reisdocumenten;
[…]
- l)
‘annulering’: het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt.’
5
Artikel 3 van die verordening heeft als opschrift ‘Werkingssfeer’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing
- a)
op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;
[…]
- 2.
Lid 1 is van toepassing op voorwaarde dat de passagiers
- a)
een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich — behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 — bij de incheckbalie melden,
- —
zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven,
of, indien er geen tijd wordt aangegeven,
- —
uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd, of
- b)
door een luchtvaartmaatschappij of touroperator van de vlucht waarvoor zij een boeking hadden, zijn overgeplaatst naar een andere vlucht, ongeacht de reden.
[…]
- 6.
Deze verordening is niet van invloed op de rechten van de passagiers volgens richtlijn [90/314]. Deze verordening is niet van toepassing in gevallen waarin een pakketreis geannuleerd wordt om andere redenen dan het annuleren van de vlucht.’
6
Artikel 4 van deze verordening heeft als opschrift ‘Instapweigering’ en bepaalt in lid 3:
‘Indien passagiers tegen hun wil de toegang tot een vlucht wordt geweigerd, compenseert de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert hen onmiddellijk overeenkomstig artikel 7, en biedt zij hun bijstand overeenkomstig de artikelen 8 en 9.’
7
Artikel 5 (‘Annulering’) van verordening nr. 261/2004 bepaalt in lid 1, onder c), het volgende:
‘In geval van annulering van een vlucht:
[…]
- c)
hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij
- i)
de annulering hun tenminste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of
- ii)
de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een alternatief reisplan wordt aangeboden dat hen in staat stelt niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd te vertrekken en hun eindbestemming minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd te bereiken, of
- iii)
de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een alternatief reisplan wordt aangeboden dat hen in staat stelt niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd te vertrekken en hun eindbestemming minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd te bereiken.’
8
Artikel 7 van genoemde verordening heeft als opschrift ‘Recht op compensatie’ en bepaalt in lid 1:
‘Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:
- a)
250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km;
- b)
400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km;
[…]’
9
Artikel 13 (‘Recht op schadevergoeding’) luidt:
‘In gevallen waarin een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert compensatie betaalt of aan de overige verplichtingen voldoet die krachtens deze verordening op haar rusten, mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht om volgens het geldend recht compensatie te verlangen van enige persoon, inclusief derden. Deze verordening beperkt met name geenszins het recht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om terugbetaling te eisen van een touroperator of enige andere persoon waarmee de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft. Ook mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht van een touroperator of een andere derde partij dan een passagier met wie een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft, om volgens de relevante rechtsregels, terugbetaling of compensatie te verlangen van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.’
Richtlijn 2015/2302
10
Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1) definieert in artikel 3, punt 8, de ‘organisator’ als ‘een handelaar die pakketreizen samenstelt en deze rechtstreeks dan wel via of samen met een andere handelaar verkoopt of te koop aanbiedt, of de handelaar die de gegevens van de reiziger aan een andere handelaar overdraagt overeenkomstig punt 2, onder b), v)’.
11
In artikel 14, lid 5, van deze richtlijn is het volgende bepaald:
‘Elk recht op schadevergoeding of prijsverlaging uit hoofde van deze richtlijn laat de rechten van reizigers uit hoofde van verordening [nr. 261/2004] […] en internationale verdragen onverlet. Reizigers hebben het recht krachtens deze richtlijn en die verordeningen en internationale overeenkomsten vorderingen in te dienen. De schadevergoeding of prijsverlaging uit hoofde van deze richtlijn en de uit hoofde van die verordeningen en internationale overeenkomsten toegekende compensatie of prijsverlaging worden met elkaar verrekend om te voorkomen dat te veel schadevergoeding wordt uitgekeerd.’
12
Overeenkomstig artikel 29 van deze richtlijn gelden verwijzingen naar richtlijn 90/314, die bij richtlijn 2015/2032 is ingetrokken, als verwijzingen naar laatstgenoemde richtlijn.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C-650/23
13
Een vliegtuigpassagier, DW, heeft van de touroperator waarbij hij een pakketreis had geboekt, de boekingsbevestiging van zijn vlucht (retour) van Heraklion (Griekenland) naar Linz (Oostenrijk) gekregen. Deze voor 29 september 2019 geplande retourvlucht zou worden uitgevoerd door E en zou om 18.00 uur vertrekken vanuit Heraklion en om 20.00 uur aankomen in Linz (hierna: ‘oorspronkelijk geplande retourvlucht’).
14
Op 28 september 2019 heeft deze passagier van de touroperator een mededeling ontvangen waarbij het tijdstip en de bestemming van zijn retourvlucht werden gewijzigd. In deze mededeling werd hij ervan op de hoogte gebracht dat de eindbestemming van de vlucht nu Wenen-Schwechat (Oostenrijk) was en dat het vertrek was gepland op 29 september 2019 om 23.30 uur. Niets wijst erop dat deze mededeling aan enige handelwijze van E is toe te schrijven.
15
E is lid van de International Air Transport Association (IATA) en voert als charteraar zelf geen vluchtboekingen uit. Ongeveer 24 uur voor vertrek heeft E een passagierslijst met de voor- en achternamen van alle te vervoeren passagiers ontvangen; verdere contactgegevens heeft de touroperator haar niet verstrekt. De naam van DW kwam op deze lijst niet voor.
16
Gelet op de mededeling van 28 september 2019 heeft DW zich niet gemeld bij de incheckbalie van de oorspronkelijk geplande retourvlucht.
17
DW heeft op grond van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 261/2004 van E een compensatie van 400 EUR, vermeerderd met rente, gevorderd. DW is van mening dat indien de touroperator op naam van de luchtvaartmaatschappij een vliegticket mag opstellen, dit noodzakelijkerwijs ook geldt voor alle latere wijzigingen van zijn boeking. In dit verband kan hem niet worden verweten dat hij zich niet bij de incheckbalie heeft gemeld voor de oorspronkelijk geplande retourvlucht, aangezien hij op de hoogte was gesteld van zijn omboeking naar een andere vlucht. Aldus werd DW tegen zijn wil de instap vanaf de wijziging van zijn reservering geweigerd, zodat hij recht heeft op compensatie.
18
E betoogt op haar beurt dat de oorspronkelijk geplande retourvlucht grotendeels zoals voorzien werd uitgevoerd en dat de touroperator de boeking van DW heeft gewijzigd zonder haar te raadplegen. Deze wijziging van de boeking kan dus niet worden aangevoerd om een aan deze luchtvaartmaatschappij toe te rekenen instapweigering aan te tonen. Bovendien kon DW geen recht op compensatie geldend maken omdat hij zich niet tijdig bij de incheckbalie had gemeld. Aangezien hij beschikte over een bevestigde boeking voor de oorspronkelijk geplande retourvlucht, had hij met deze vlucht kunnen reizen indien hij zich ondanks de wijziging van die boeking tijdig voor instappen had gemeld.
19
Bij vonnis van 27 maart 2023 heeft het Bezirksgericht Schwechat (rechter in eerste aanleg Schwechat, Oostenrijk) E veroordeeld tot betaling aan DW van 400 EUR, vermeerderd met rente, en haar verwezen in de proceskosten van DW. Volgens deze rechter moet de wijziging van de boeking aan E worden toegerekend, zonder dat het nodig is te weten of de luchtvaartmaatschappij dan wel de touroperator tot deze wijziging is overgegaan. Hij is van mening dat het feit dat DW, die door de touroperator in kennis is gesteld van de omboeking naar een andere vlucht, zich niet tijdig bij de incheckbalie heeft gemeld, niet van invloed is op het recht op compensatie waarop hij zich wegens instapweigering beroept. In dit verband doet het niet ter zake of E al dan niet een rechtstreekse contractuele band met DW heeft en evenmin of zij zelf de reserveringen van passagiers kan wijzigen of vliegtickets kan opstellen, aangezien zij zich overeenkomstig artikel 13 van verordening nr. 261/2004 tot met name de touroperator kan wenden. Ten slotte heeft deze rechter benadrukt dat de luchtvaartmaatschappij niet heeft aangevoerd dat ‘de instapweigering is gebaseerd op redelijke gronden’ in de zin van artikel 2, onder j), van deze verordening.
20
E heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Landesgericht Korneuburg (rechter in tweede aanleg Korneuburg, Oostenrijk), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dit hoger beroep voert zij in essentie aan dat de feitelijke omstandigheden waarbij sprake is van instapweigering, zich helemaal niet hebben voorgedaan en dat de wijziging van de boeking door de touroperator haar niet kan worden toegerekend.
21
Volgens deze rechter volgt uit artikel 4, lid 3, van verordening nr. 261/2004 dat in geval van instapweigering de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de passagier compensatie moet betalen overeenkomstig artikel 7 van deze verordening. De verwijzende rechter verduidelijkt in dit verband dat volgens zijn eigen rechtspraak de passagier, in geval van een op voorhand bewerkstelligde instapweigering, niet langer verplicht is zich tijdig voor instappen te melden, met andere woorden dat die passagier van die verplichting is ontslagen in geval hij vooraf ten onrechte of terecht ervan op de hoogte is gebracht dat hij niet met de geboekte vlucht zal worden vervoerd of dat deze vlucht niet zal plaatsvinden, mits die passagier over een bevestigde boeking beschikt en er geen redelijke gronden voor de instapweigering zijn. Van een passagier kan immers niet worden verlangd dat hij incheckt voor een vlucht die hij niet zal nemen.
22
Uit het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punten 47 e.v.), volgt dat een passagier beschikt over een ‘bevestigde boeking’ in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 wanneer de touroperator waarmee hij een overeenkomst heeft gesloten hem een ‘ander bewijs’ in de zin van artikel 2, onder g), van die verordening overlegt, waarmee de toezegging wordt gedaan om hem te vervoeren met een bepaalde vlucht die is aangeduid met de plaats en tijd van vertrek en aankomst en het vluchtnummer, en dat dit zelfs geldt wanneer deze touroperator van de betrokken luchtvaartmaatschappij geen bevestiging van de vertrek- en aankomsttijden van deze vlucht heeft ontvangen. Het risico dat touroperatoren de passagiers in het kader van hun activiteiten onjuiste informatie verstrekken, moet derhalve door de luchtvaartmaatschappij worden gedragen. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of deze benadering, die erin bestaat de aansprakelijkheid voor de handelingen van de touroperator bij de luchtvaartmaatschappij te leggen, kan worden toegepast wanneer, zoals in casu, deze touroperator, die niet aan de instructies van deze luchtvaartmaatschappij is onderworpen, een door hemzelf gemaakte boeking wijzigt.
23
Tegen deze achtergrond heeft het Landesgericht Korneuburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 7, lid 1, artikel 4, lid 3, en artikel 2, onder j), van verordening [nr. 261/2004] aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de passagier compensatie moet bieden, wanneer die passagier via een touroperator beschikt over een bevestigde boeking voor een heen- en retourvlucht als onderdeel van een pakketreis, deze touroperator op de dag voor de geplande (retour)vlucht de passagier ervan op de hoogte heeft gebracht dat het vluchtschema is aangepast middels een wijziging van vluchtnummer, vertrek- en aankomsttijd en eindbestemming, de passagier zich bijgevolg voor de oorspronkelijk geboekte vlucht niet volgens de in artikel 3, lid 2, van deze verordening genoemde voorwaarden voor instappen heeft gemeld, de oorspronkelijk geboekte vlucht echter daadwerkelijk volgens schema is uitgevoerd, en de luchtvaartmaatschappij de passagier ook zou hebben vervoerd, mocht hij zich volgens de in artikel 3, lid 2, van die verordening genoemde voorwaarden voor instappen hebben gemeld?’
Zaak C-705/23
24
Twee vliegtuigpassagiers hebben via een touroperator een pakketreis geboekt voor de periode van 18 juli 2020 tot en met 30 juli 2020. Deze pakketreis omvatte de heen- en retourvlucht tussen Düsseldorf (Duitsland) en Fuerteventura (Spanje), die Condor zou uitvoeren.
25
De touroperator heeft deze twee passagiers ervan in kennis gesteld dat hun heenvlucht was geannuleerd en dat hun boeking was gewijzigd, met een gepland vertrek op 20 juli 2020. Op basis van deze kennisgeving hebben die passagiers zich niet op 18 juli 2020, maar pas op 20 juli 2020 op de luchthaven gemeld. Deze passagiers beweren bovendien dat de touroperator hun deze informatie pas acht dagen vóór hun heenvlucht heeft verstrekt.
26
Condor betwist deze voorstelling van de feiten en geeft aan dat de oorspronkelijke vlucht van 18 juli 2020 wel degelijk is uitgevoerd.
27
De twee betrokken passagiers hebben hun vorderingen overgedragen aan Flightright, een rechtsbijstandsmaatschappij, die bij het Amtsgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) beroep heeft ingesteld teneinde op grond van artikel 4, lid 3, en artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 261/2004 en § 398 van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek) compensatie van in totaal 800 EUR te verkrijgen.
28
Flightright betoogt dat de handelingen van de touroperator moeten worden toegerekend aan de luchtvaartmaatschappij en dat die handelingen een door deze luchtvaartmaatschappij verrichte instapweigering op voorhand vormen.
29
Condor is daarentegen van mening dat zich in de onderhavige zaak geen instapweigering heeft voorgedaan, aangezien zij de oorspronkelijke vlucht wel degelijk heeft uitgevoerd. Een instapweigering impliceert volgens haar bovendien dat de luchtvaartmaatschappij zelf een handeling verricht. In dit geval heeft de touroperator echter meegedeeld dat de datum van de heenvlucht was gewijzigd.
30
Nadat het Amtsgericht Düsseldorf bij vonnis van 3 november 2022 de vorderingen van Flightright had afgewezen, heeft deze vennootschap hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter.
31
Deze rechter is van oordeel dat in de onderhavige zaak de nog niet eerder behandelde vraag rijst of bij een instapweigering waartoe de touroperator op voorhand overgaat, sprake is van een ‘instapweigering’ in de zin van artikel 4 van verordening nr. 261/2004, waarbij moet worden verduidelijkt dat in het onderhavige geval van geen enkele grond voor instapweigering als bedoeld in artikel 2, onder j), van deze verordening is gebleken. Aangezien in het arrest van 26 oktober 2023, LATAM Airlines Group (C-238/22, EU:C:2023:815, punten 40 e.v.), een overeenkomstige toepassing van artikel 5, lid 1, onder c), i) tot en met iii), van die verordening, betreffende annulering van vluchten, op instapweigeringen is uitgesloten, hoeft bovendien niet te worden onderzocht of de wijziging van de boeking meer dan acht dagen vóór de datum van de vlucht aan de twee betrokken passagiers is meegedeeld.
32
Voorts leidt de verwijzende rechter uit het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038), af dat deze twee passagiers in de omstandigheden van het hoofdgeding werden geacht te beschikken over een ‘bevestigde boeking’ in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004.
33
Deze rechter is van oordeel dat een instapweigering waartoe de touroperator op voorhand overgaat door bericht te sturen over een wijziging of annulering van de boeking, een ‘instapweigering’ in de zin van artikel 4 van verordening nr. 261/2004 kan vormen. Voor dit oordeel pleit dat de vraag wie voor de instapweigering verantwoordelijk is, anders dan in de Spaanse en Franse taalversies van deze bepaling waar uitdrukkelijk staat dat het de luchtvaartmaatschappij is die weigert passagiers in te laten stappen, in veel andere taalversies in het midden blijft, zoals met name in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Zweedse taalversies.
34
Stemt de passagier niet in met de wijziging van zijn boeking, dan komt een dergelijke wijziging bovendien neer op een instapweigering op de oorspronkelijk geplande vlucht. Het kan dus nodig zijn om de wijziging van de boeking op te nemen onder de feiten waarbij zich een instapweigering voordoet, teneinde de passagier van een vlucht die deel uitmaakt van een pakketreis te beschermen tegen het risico dat hem de door verordening nr. 261/2004 geboden bescherming wordt ontnomen.
35
Ten slotte volgt uit het arrest van 21 december 2021, Azurair e.a. (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punten 46–51), dat een ‘bevestigde boeking’ in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van verordening nr. 261/2004 door de touroperator kan worden verstrekt, zelfs wanneer de touroperator van de luchtvaartmaatschappij geen bevestiging van het vluchtschema in kwestie heeft ontvangen en er dus een zogenoemde ‘dekkingsboeking’ ontbreekt. Deze verordening heeft immers tot doel ervoor te zorgen dat de luchtvaartmaatschappij het risico draagt dat touroperatoren in het kader van hun activiteiten onjuiste informatie verstrekken aan de passagiers. In dit opzicht zijn de betrekkingen tussen de luchtvaartmaatschappij en de touroperator voor de passagiers niet van belang en kan van hen niet worden verlangd dat zij daarover informatie inwinnen.
36
Volgens de verwijzende rechter kan de in dat arrest gegeven uitlegging worden toegepast op een wijziging van de boeking van de passagier door de touroperator wegens een ‘annulering van de vlucht’.
37
Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 4 van verordening [nr. 261/2004] aldus worden uitgelegd dat er ook sprake is van een instapweigering van de luchtvaartmaatschappij jegens een passagier in de vorm van een instapweigering op voorhand, indien een touroperator de passagier met een omboekingskennisgeving ervan op de hoogte stelt dat zijn vlucht is geannuleerd, terwijl de luchtvaartmaatschappij de vlucht helemaal niet heeft geannuleerd en deze ook daadwerkelijk zoals gepland is uitgevoerd?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
38
Met hun respectieve vragen, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen of artikel 4, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 2, onder j), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een vliegtuigpassagier die in het kader van een pakketreis een bevestigde boeking voor een vlucht had, van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de in artikel 7, lid 1, van deze verordening bedoelde compensatie kan vorderen indien de touroperator deze passagier, zonder de luchtvaartmaatschappij daar vooraf over te informeren, heeft meegedeeld dat de oorspronkelijk geplande vlucht niet zou plaatsvinden, ook al is deze volgens plan uitgevoerd.
39
Vooraf zij er ten eerste aan herinnerd dat vliegtuigpassagiers in het kader van een pakketreis vrij kunnen kiezen om zich op verordening nr. 261/2004 te beroepen. Hun rechtsbescherming kan immers niet uitsluitend door richtlijn 2015/2302 worden gewaarborgd (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 35). In dit verband bepaalt artikel 3, lid 6, van deze verordening met name dat ‘[d]eze verordening […] niet van invloed [is] op de rechten van de passagiers volgens richtlijn [90/314, vervangen door richtlijn 2015/2302]’. Omgekeerd bepaalt artikel 14, lid 5, van laatstgenoemde richtlijn uitdrukkelijk dat de schadevergoeding of prijsverlaging uit hoofde van deze richtlijn en de met name uit hoofde van verordening nr. 261/2004 toegekende compensatie of prijsverlaging met elkaar worden verrekend om te voorkomen dat te veel schadevergoeding wordt uitgekeerd.
40
Uit artikel 3, lid 6, van deze verordening en artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/2302 volgt dus dat de respectieve werkingssferen van deze twee handelingen van afgeleid recht elkaar kunnen overlappen. In een dergelijk geval wordt het gelijktijdige beroep op deze bepalingen beperkt door de weigering van overcompensatie voor de door de passagier geleden schade.
41
Ten tweede blijkt duidelijk uit de twee verzoeken om een prejudiciële beslissing dat de twee vluchten die aan de hoofdgedingen ten grondslag liggen, zijn uitgevoerd zoals gepland. Hieruit volgt dat geen van de twee betrokken vluchten kan worden geacht te zijn geannuleerd, aangezien artikel 2, onder l), van verordening nr. 261/2004 ‘annulering’ definieert als ‘het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt’. De kennisgevingen van de touroperatoren aan de passagiers die in de twee hoofdgedingen aan de orde zijn, moeten dus worden beoordeeld in het licht van het begrip ‘instapweigering’ in de zin van artikel 2, onder j), van deze verordening.
42
Na deze verduidelijking moet worden nagegaan of dit begrip ‘instapweigering’ de instapweigering op voorhand omvat voor een vlucht die toch is uitgevoerd, en of de luchtvaartmaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld voor onjuiste, door de touroperator aan de passagiers verstrekte informatie over het uitstel of de annulering van een vlucht.
43
In de eerste plaats volgt uit het arrest van 26 oktober 2023, LATAM Airlines Group (C-238/22, EU:C:2023:815, punt 39), dat artikel 4, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 2, onder j), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en een passagier van tevoren ervan in kennis heeft gesteld dat zij hem tegen zijn wil de toegang zal weigeren tot een vlucht waarvoor hij een bevestigde boeking heeft, deze passagier compensatie dient te betalen, ook wanneer hij zich niet voor instappen heeft gemeld volgens de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van die verordening.
44
De omstandigheid dat de informatie over de instapweigering niet door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, maar door de touroperator van tevoren aan de passagier is meegedeeld, kan niet leiden tot een andere uitlegging van deze bepalingen.
45
In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert aansprakelijk kan worden gesteld voor onjuiste informatie over het uitstel of de annulering van een vlucht die de touroperator aan de passagiers heeft verstrekt.
46
Ten eerste maken verschillende bepalingen van verordening nr. 261/2004 voor de toepassing ervan immers geen onderscheid tussen de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de touroperator. Dit geldt met name voor artikel 2, onder g), van deze verordening, waarin het begrip ‘boeking’ wordt gedefinieerd als ‘het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator’. Dat is tevens het geval voor artikel 3, lid 2, onder a), eerste streepje, van deze verordening, waarin is bepaald dat het tijdstip waarop de passagiers zich bij de incheckbalie moeten melden kan worden meegedeeld door de luchtvaartmaatschappij, door een touroperator of door een erkend reisbureau. Voorts geldt dat nog voor artikel 3, lid 2, onder b), van die verordening, volgens welke bepaling de passagier zowel door de luchtvaartmaatschappij als door de touroperator kan worden overgeplaatst naar een andere vlucht (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punt 47).
47
Uit dat arrest volgt dus dat vliegtuigpassagiers in het kader van artikel 3, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 261/2004 zonder onderscheid kunnen vertrouwen op de door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of de touroperator verstrekte informatie over de instaptijd of hun omboeking naar een andere vlucht.
48
Ten tweede draagt een dergelijke uitlegging eraan bij dat het in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 vermelde hoge niveau van bescherming van de vliegtuigpassagiers wordt gewaarborgd. Vanuit dit oogpunt bezien, heeft deze verordening immers tot doel ervoor te zorgen dat de luchtvaartmaatschappij het risico draagt dat touroperatoren in het kader van hun activiteiten onjuiste informatie verstrekken aan de passagiers. De betrekkingen tussen de luchtvaartmaatschappij en de touroperator zijn voor de passagiers immers niet van belang en van hen kan niet worden verlangd dat zij daarover informatie inwinnen (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punten 48 en 49).
49
Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat ingeval de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de passagiers compensatie zou moeten betalen op grond van verordening nr. 261/2004 wegens het gedrag van de touroperator, deze luchtvaartmaatschappij mogelijkerwijs overeenkomstig artikel 13 van deze verordening van de touroperator schadevergoeding kan vorderen. Aldus kunnen door de in dit artikel bedoelde terugbetaling de financiële lasten die wegens die verplichting op de luchtvaartmaatschappij rusten, geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd (zie in die zin arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA, C-344/04, EU:C:2006:10, punt 90; 19 november 2009, Sturgeon e.a., C-402/07 en C-432/07, EU:C:2009:716, punt 68, en 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punt 61).
50
Bovendien moet het door E aangevoerde argument, dat is gebaseerd op de analoge toepassing van het arrest van 4 juli 2018, Wirth e.a. (C-532/17, EU:C:2018:527), worden afgewezen. E betoogt in dit verband dat een chartermaatschappij zoals deze luchtvaartmaatschappij, net als het geval is bij de verhuur van een vliegtuig inclusief bemanning (‘wet lease’), geen operationele beslissingsbevoegdheid heeft over de vraag of, wanneer en met welke passagiers de vlucht zal worden uitgevoerd.
51
In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat een luchtvaartmaatschappij die een aanbod voor luchtvervoer heeft gedaan dat overeenstemt met het aanbod van een touroperator in het kader van haar relatie met een passagier, hoewel zich wijzigingen in dit aanbod kunnen voordoen, ‘voornemens is een vlucht uit te voeren’ in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 261/2004 en dus kan worden aangemerkt als ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ in de zin van die bepaling [zie in die zin arrest van 21 december 2021, Azurair e.a., C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270/20, EU:C:2021:1038, punten 59 en 62, en beschikking van 10 maart 2023, Eurowings (Niet-bestaande vlucht), C-607/22, EU:C:2023:201, punt 21].
52
Bovendien strekt het betoog van E er in feite toe om de luchtvaartmaatschappij waarmee de touroperator heeft samengewerkt de hoedanigheid van ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ in de zin van artikel 2, onder b), van verordening nr. 261/2004 te ontzeggen. Artikel 2, onder d), van deze verordening definieert ‘touroperator’ als een organisator in de zin van artikel 3, punt 8, van richtlijn 2015/2302, ‘met uitzondering van een luchtvaartmaatschappij’. Indien de redenering van E zou worden gevolgd, zou dit dus tot het paradoxale resultaat leiden dat een chartervlucht niet wordt uitgevoerd door een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, aangezien deze hoedanigheid dan noch aan de chartermaatschappij noch aan de touroperator wordt toegekend.
53
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 4, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 2, onder j), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een vliegtuigpassagier die in het kader van een pakketreis een bevestigde boeking voor een vlucht had, van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de in artikel 7, lid 1, van deze verordening bedoelde compensatie kan vorderen indien de touroperator deze passagier, zonder de luchtvaartmaatschappij daar vooraf over te informeren, heeft meegedeeld dat de oorspronkelijk geplande vlucht niet zou plaatsvinden, ook al is deze volgens plan uitgevoerd.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, gelezen in samenhang met artikel 2, onder j), van verordening nr. 261/2004,
moet aldus worden uitgelegd dat
een vliegtuigpassagier die in het kader van een pakketreis een bevestigde boeking voor een vlucht had, van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert de in artikel 7, lid 1, van deze verordening bedoelde compensatie kan vorderen indien de touroperator deze passagier, zonder de luchtvaartmaatschappij daar vooraf over te informeren, heeft meegedeeld dat de oorspronkelijk geplande vlucht niet zou plaatsvinden, ook al is deze volgens plan uitgevoerd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2024
Procestaal: Duits.