De bijlage bevat ook een gebiedsaanwijzing waarin meer precies is aangegeven welk gebied is aangewezen.
HR, 27-01-2026, nr. 23/04312
ECLI:NL:HR:2026:83
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2026
- Zaaknummer
23/04312
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:83, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1367
ECLI:NL:PHR:2025:1367, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:83
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑05‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0027
NTS 2026/9
Uitspraak 27‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Opzettelijk niet voldoen aan bevel of vordering, krachtens art. 126zs Sv gedaan door politieambtenaar, om mee te werken aan onderzoek aan kleding, art. 184.1 Sr. Is bevel of vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedaan? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BB4108 over vereiste uitdrukkelijke bevels- of vorderingsbevoegdheid. Art. 126zs Sv houdt niet uitdrukkelijk in dat politie is gerechtigd tot geven van bevel of doen van vordering als in bewezenverklaring bedoeld. Daarom is bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd v.zv. deze inhoudt dat bevel of vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ is gedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04312
Datum 27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 november 2023, nummer 21-000025-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.C. Vingerling bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering als bedoeld in artikel 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 12 augustus 2021 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs Wetboek van Strafvordering, gedaan door een politieambtenaar, te weten verbalisant onder nummer […] en verbalisant onder nummer […] ,
belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten,
door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen en gevorderd mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding en hieraan geen gevolg te geven.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 184 lid 1 Sr:
“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
- Artikel 126zs van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het onderzoek personen aan de kleding te onderzoeken.
2. De opsporingsambtenaar is bij een dergelijk bevel voorts bevoegd gebruik te maken van detectieapparatuur of andere hulpmiddelen.
3. Artikel 126zq, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.”
“3. Het bevel kan mondeling worden gegeven. Het wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf uren, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan telkens met ten hoogste twaalf uren worden verlengd.
4. In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening van een in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier van justitie achterwege blijven.”
2.4
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 184 lid 1 Sr. Die bepaling eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gegeven bevel of gedane vordering. Zo’n voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering (vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108).
2.5
De tenlastelegging en bewezenverklaring houden in dat sprake is van een “bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs Wetboek van Strafvordering, gedaan door een politieambtenaar”. Deze bepaling houdt echter niet uitdrukkelijk in dat de politie is gerechtigd tot het geven van een bevel of het doen van een vordering als in de bewezenverklaring bedoeld. Daarom is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat het bevel of de vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ is gedaan.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 184 Sr. Opzettelijk niet voldoen aan vordering gegeven op grond van art. 126zs Sv. Middel klaagt over oordeel hof dat sprake is van bevel of vordering (krachtens enig wettelijk voorschrift gegeven) in de zin van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr. AG gaat in op systematiek art. 184 Sr. Oordeel hof getuigt volgens AG van onjuiste rechtsopvatting aangezien art. 126zs Sv en andere relevante bepalingen opsporingsambtenaar geen uitdrukkelijke bevoegdheid toekennen tot geven bevel of vordering. Van een bevel of vordering in de zin van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr was dus geen sprake. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04312
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 6 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-000025-22), wegens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”, veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
2.1
Op 12 augustus 2021 reed de verdachte in zijn auto over de [a-straat] in [plaats] , langs [locatie] , in de richting van [plaats] . Die weg is onderdeel van het veiligheidsrisicogebied [A] . Er was op dat moment extra politietoezicht vanwege een dreiging rondom de uitzending van [tv-programma] , die rond dat moment plaatsvond vanaf [locatie] . Naar aanleiding van informatie uit de politiesystemen die mogelijk in verband kon worden gebracht met die dreiging, heeft de politie de verdachte een stopteken gegeven. In een veiligheidsrisicogebied is het de politie toegestaan preventief te fouilleren. Van die bevoegdheid wilde de politie gebruikmaken. De verdachte is medegedeeld dat hij mee moest werken aan die fouillering. Daarop is de verdachte weggerend. Zowel de politierechter als het hof hebben hem veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel.
3. Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr, althans dat dat oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd is. In de toelichting wordt betoogd dat de wijze waarop de verdachte is gezegd dat hij zijn medewerking moest verlenen aan een fouillering niet voldoet aan de eisen die aan een bevel of vordering als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr worden gesteld.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 augustus 2021 te [plaats] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs Strafvordering, gedaan door een politieambtenaar, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ,
belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen en gevorderd mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding en hieraan geen gevolg te geven.”
3.3
Het hof heeft mondeling arrest gewezen. In de aantekening van het mondeling arrest staan de volgende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen opgenomen:
“Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring
In de hierna onder 1 en 2 te melden bewijsmiddelen wordt steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie, genummerd PL0900- 2021257362, door [verbalisant 3] , hoofdagent, op 13 september 2021.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2021257362-5 (pagina’s 08 t/m 10), in de wettelijke vorm opgemaakt op 12 augustus 2021 door [verbalisant 4] , hoofdagent, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
Hoedanigheid
Ik, [verbalisant 4] , was op 12 augustus 2021, omstreeks 17:45 uur, in motoruniform gekleed bij [locatie] te [plaats] . Ik verplaatste mij op een opvallende dienstmotor en was belast met het toezicht op [locatie] , en met name de uitzending van [tv-programma] , in verband met de dreiging hierop. Deze dreiging zou afkomstig zijn uit […] .
Aanleiding
Diezelfde dag, omstreeks 17:45 uur, hoorde ik over de mobilofoon een eenheid van politie zeggen dat zij op de [b-straat] in de richting van [plaats] achter een Volkswagen Golf zaten waarin de neef van [betrokkene 1] eerder in is waargenomen. Ik hoorde vervolgens dat zij een staandehouding hadden bij de [b-straat] ter hoogte van de verkeerslichten. Ik ben vervolgens derwaarts gegaan om bij deze staandehouding te ondersteunen.
Situatie ter plaatse
Ik zag vervolgens bij de verkeerslichten aan de [b-straat] , ter hoogte van [c-straat] , de politie-eenheid D.3.1.12 achter een Volkswagen Golf, voorzien van het [kenteken] staan.
Ik zag dat collega [verbalisant 2] rechts van het voertuig stond. Ik zag dat hij in gesprek was met een jongen welke ook rechts van het voertuig stond.
Deze jongen bleek later te zijn genaamd:
[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] (Nederland)
Hierna genoemd: ‘ [verdachte] ".
Ik hoorde [verbalisant 2] op een gegeven moment zeggen dat het voertuig op grond van de noodverordening doorzocht zou worden. Ik zag dat hij vervolgens met een formulier, waarop de uitleg van de noodverordening staat, richting [verdachte] liep.
Wegrennen [verdachte]
Ik hoorde [verbalisant 2] vervolgens tegen [verdachte] zeggen dat zij zich in een gebied bevonden waarin een noodverordening van kracht was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mee moest werken aan een fouillering en de doorzoeking van zijn auto. Ik hoorde [verbalisant 2] vervolgens zeggen dat hij hem een formulier zou geven waarin alles nader uitgelegd stond en dat hij deze op een later moment, na zijn fouillering, kon lezen. Ik hoorde [verbalisant 2] tegen [verdachte] zeggen dat hij de uitlevering van eventuele drugs en wapens vorderde. Ik draaide mij vervolgens om teneinde mijn motorhelm op mijn motorfiets te leggen. Toen ik mij omdraaide hoorde ik zowel [verbalisant 2] als [verbalisant 1] roepen "Blijf staan!". Ik draaide mij vervolgens om en zag [verbalisant 2] en [verbalisant 1] rechtsaf een bosrand in rennen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2021257362-7 (pagina's 14
t/m 17), in de wettelijke vorm opgemaakt op 12 augustus 2021 door [verbalisant 2] , verbalisant, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 12 augustus 2021 omstreeks 17:00 uur was ik, [verbalisant 2] , samen met collega [verbalisant 1] , in uniform gekleed, rijdend in een opvallend dienstvoertuig. Wij waren belast met de openbare orde rondom de omgeving van [locatie] in [plaats] .
Gezien de recente gebeurtenissen rondom [tv-programma] is [locatie] in [plaats] aangewezen als veiligheidsrisico gebied. Dit is ook van kracht in de directe omgeving rondom [locatie] . Het was onze taak om extra toezicht te houden op dit gebied, gedurende de uitzending van [tv-programma] .
Omstreeks 17:41 reed ik samen met collega [verbalisant 1] de [d-straat] op komende van de richting van [locatie] te [plaats] . Ik zag op dat moment een Volkswagen Golf voorzien van [kenteken] op de rotonde rijden. Deze rotonde bevindt zich voor de hoofdingang van [locatie] . Vanaf deze rotonde is er direct zicht op de toegang van de studio waar de opnames van [tv-programma] opgenomen worden. Vanaf deze rotonde is er ook zicht op de leden van de bewakingseenheid politie Midden Nederland die belast zijn met de beveiliging van de studio. Tevens bevindt de rotonde zich in het aangewezen veiligheidsrisico gebied. Ik heb de hierboven genoemde Golf door de politiesystemen nagetrokken.
Ik zag dat het voertuig op naam stond van:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]
Ik zag dat het voertuig meerdere keren voorkwam in de politie systemen.
Hierbij zag ik dat er op 28 april 2021 waargenomen was dat uit de Golf de volgende persoon stapte:
Naam: [betrokkene 2]
Geboren: [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de Golf de [a-straat] op reed en zijn weg vervolgde richting [plaats] . Ik zag dat de Golf vervolgens de [b-straat] te [plaats] op reed. Gezien het hierboven genoemde voertuig in combinatie met [betrokkene 1] heb ik met collega [verbalisant 1] een stopteken gegeven op grond van artikel 160 Wegen Verkeerswet. Ik heb direct de commandant van de bewakingseenheid in kennis gesteld. Op de [b-straat] ter hoogte van de verkeerslichten met de kruising [c-straat] te [plaats] zag ik dat de Golf gehoor gaf aan het stopteken. Ik zag dat de Golf rechts de berm in reed en tot stilstand kwam. Ik ben toen uit gestapt en naar de Golf gelopen. Ik zag dat er een man achter het stuur zat en een vrouw als bijrijder voorin de Golf zat. Ik zag dat collega [verbalisant 1] naar de bestuurder liep. Ik hoorde hem vragen naar het rijbewijs en kentekenbewijs van de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder zijn rijbewijs overhandigde.
Ik ging in gesprek met de bestuurder. Ik heb na de bevragingen portofonisch contact opgenomen met de commandant van de bewakingseenheid. In overleg is besloten om gebruik te maken van de bevoegdheden die op dat moment gelden in het veiligheidsrisico gebied. Ik liep naar mijn dienstvoertuig en pakte daar de flyer uit die wij verplicht zijn te overhandigen aan personen waar wij de bevoegdheden bij gebruiken.
Ik liep naar [verdachte] toe en liet hem de flyer zien. Ik vertelde hem dat hij verplicht was om mee te werken aan de doorzoeking van de auto en het fouilleren van [verdachte] . Ik vorderde hem de overgifte van wapens of drugs of andere strafbare feiten als hij die in zijn bezit had. Ik hoorde hem zeggen: "Ik heb niks bij me". Ik zei tegen [verdachte] dat ik de flyer op de auto zou leggen en eerst hem zou fouilleren en dat hij daarna de flyer door kon nemen. Ik wilde toen de flyer op de auto leggen om vervolgens [verdachte] te kunnen fouilleren. Ik zag op dat moment dat [verdachte] weg rende en voor de auto langs het fietspad overstak en het bos in rende richting het spoor. Ik riep met luide stem: "politie staan blijven". Ik hoorde collega [verbalisant 1] dit ook meerdere keren roepen. Gezien de afstand tot [verdachte] kan het niet anders dan dat hij dit duidelijk hoorde.
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2021, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 12 augustus 2021 te [plaats] niet heb meegewerkt aan een vordering tot fouillering.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het hof stelt voorop dat uit het dossier volgt dat op 12 augustus 2021 te [plaats] op de plek waar verdachte staande is gehouden een noodverordening gold en dat de politie mensen kon verplichten mee te werken aan een fouillering. Daarbij blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] dat tegen verdachte is gezegd dat hij mee moest werken aan een fouillering en doorzoeking van zijn auto. Naar het oordeel van het hof was dat geen verzoek, maar hielden die woorden in dat verdachte mee moest werken aan een fouillering. Door de woorden die zijn gebruikt, was het voor verdachte duidelijk dat sprake was van een verplichting tot medewerking.
Vervolgens is verdachte weg gerend en heeft de politie op hoorafstand van verdachte nog geroepen dat hij moest blijven staan.
Naar het oordeel van het hof is dan ook voldoende Wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het door de politie gegeven bevel of gedane vordering.”
4. Het beoordelingskader
4.1
Bij de beoordeling van het middel is een aantal bepalingen relevant:
Art. 184 lid 1 Sr
“1. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
“1. In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf is de opsporingsambtenaar, bij bevel daartoe van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het onderzoek personen aan de kleding te onderzoeken.
3. Artikel 126zq, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.”
“3. Het bevel kan mondeling worden gegeven. Het wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf uren, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan telkens met ten hoogste twaalf uren worden verlengd.
4. In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening van een in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier van justitie achterwege blijven.”
“1. Veiligheidsrisicogebieden als bedoeld in artikel 126zq, vierde lid, van de wet zijn de gebieden omschreven in de bij dit besluit behorende bijlage.
3. De opsporingsambtenaar verstrekt aan de persoon te wiens aanzien een van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 126zq, 126zr en 126zs van de wet, wordt toegepast, een schriftelijk bescheid, houdende nadere informatie omtrent de bevoegdheidsuitoefening.”
4.2
De bijlage bij het Besluit opsporing terroristische misdrijven houdt, voor zover relevant, in:
“Veiligheidsrisicogebieden
De onderstaande gebieden zijn veiligheidsrisicogebieden, aangewezen met het oog op de opsporing van terroristische misdrijven.
(…)
- [locatie] te [plaats] ”1.
4.3
Art. 184 Sr strekt ertoe het openbaar gezag te beschermen bij de uitvoering van wetten, binnen de door die wetten gestelde grenzen, tegen verhindering of belemmering anders dan door geweld of bedreiging met geweld.2.De strafbepaling is te zien als ‘lichte’ variant van art. 180 Sr (wederspannigheid). In de bepaling zijn twee strafbare feiten van elkaar te onderscheiden. De eerste zinssnede stelt het opzettelijk niet voldoen aan een vordering of bevel strafbaar en de tweede, kort gezegd, het beletten, belemmeren of verijdelen van een rechtmatige ambtshandeling van een opsporingsambtenaar. In de onderhavige zaak is enkel die eerste zinssnede ten laste gelegd.
4.4
In HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4018, NJ 2008/206 m.nt. P.A.M. Mevis, heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de eisen die gelden voor een krachtens een wettelijk voorschrift gedane vordering. Daarbij merk ik meteen op dat er in dit verband geen verschil bestaat tussen ‘vordering’ en ‘bevel’ en onderstaande jurisprudentie dus op beide begrippen van toepassing is.3.De verdachte uit de zaak was veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering die was gedaan krachtens art. 2 Politiewet 1993 (oud, nu: art. 3) (hierna: Polw). Een opsporingsambtenaar had hem op grond van die bepaling gevorderd het terrein te verlaten van een oude school die de verdachte wilde kraken. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“3.4 Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vordering kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid, Sr eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.”
4.5
De ‘vorderende’ of ‘bevelende’ opsporingsambtenaar moet dus een uit een wettelijk voorschrift voortvloeiende uitdrukkelijke bevoegdheid hebben tot het geven van een vordering of bevel. Daarmee is de invulling van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr afhankelijk van bepalingen elders in de wet.4.Sinds het arrest uit 2008 is het standaardjurisprudentie dat art. 3 Polw geen uitdrukkelijke bevoegdheid in het leven roept. In die bepaling is enkel een algemene taakstelling met een bevoegdheid tot handelen opgenomen. Daaraan kan voor de verdachte geen rechtsplicht worden ontleend om zijn medewerking aan een bevel te verlenen.5.Ik acht het nog wel van belang te vermelden dat het voorgaande niet betekent dat de politie op grond van bijvoorbeeld art. 3 Polw geen bevelen mag geven aan burgers. Ook is het niet zo dat burgers nooit gehoor hoeven te geven aan bevelen die niet berusten op een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid.6.Een burger kan onder omstandigheden immers ook tot medewerking gedwongen worden.7.De standaardjurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 184 Sr heeft alleen tot gevolg dat de burger die niet voldoet aan een bevel of vordering waarvoor de opsporingsambtenaar geen expliciete bevoegdheid had, niet strafbaar is op grond van art. 184 lid 1 eerste zinssnede Sr. Een veroordeling voor het delict uit de tweede zinssnede van die bepaling (verijdelen, belemmeren of beletten) kan dan overigens nog wel tot de mogelijkheden behoren, zo overweegt ook de Hoge Raad in het hierboven aangehaalde arrest uit 2008.
5. De bespreking van het middel
5.1
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan, te weten art. 126zs Sv, door een opsporingsambtenaar. Op grond van art. 126zs lid 1 Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd om een persoon te fouilleren in het geval er aanwijzingen bestaan van een terroristisch misdrijf en als de officier van justitie daartoe een bevel geeft. Dat bevel kan op grond van art. art. 126 lid 3 en 126zq lid 4 achterwege blijven wanneer de opsporingsambtenaar deze bevoegdheid uitoefent binnen een aangewezen veiligheidsrisicogebied. Het [A] is een dergelijk veiligheidsrisicogebied, zo volgt uit het Besluit opsporing terroristische misdrijven en de daarbij behorende bijlage. De opsporingsambtenaren waren in de onderhavige zaak dus bevoegd om de verdachte aan een fouillering te onderwerpen. Aangezien een uitdrukkelijke bevels- of vorderingsbevoegdheid ontbreekt in art. 126zs Sv en die ook niet volgt uit overige toepasselijke bepalingen, konden zij de verdachte echter niet bevelen of vorderen (als bedoeld in art. 184 Sr) om aan die fouillering mee te werken.8.Het oordeel van het hof dat sprake is van een bevel of vordering krachtens een wettelijk voorschrift gedaan, als bedoeld in art. 184 Sr, getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2
Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.
6. Slotsom
6.1
Het middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 7 november 2025 is overschreden.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
H.J. Schmidt & J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 181. Zie hierover ook K.K. Lindenberg, T&C Strafrecht, commentaar op art. 184 Sr.
Een bevel is een type vordering. In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond alleen de term ‘vordering’ opgenomen. Betwijfeld werd echter of onder ‘vordering’ ook ‘bevel’ kon worden begrepen. Zekerheidshalve zijn beide termen uiteindelijk opgenomen. Zie H.J. Smidt & J.W. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 182. A-G Bleichrodt en Machielse betoogden ook dat binnen het bestek van art. 184 Sr geen inhoudelijk verschil bestaat tussen de twee termen. Zie conclusie A-G Bleichrodt in zijn conclusie voor HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:395, randnummer 17-18 en A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht,art. 184 Sr, aant. 6 (actueel t/m 26 maart 2018).
P.A.M. Mevis & R.J. Verbeek, ‘Strafbaarheid ter zake van het niet opvolgen van ambtelijk bevel vraagt meer aandacht voor de strafrechtelijke bestanddelen van artikel 184 Sr’, DD 2010/33. Een voorbeeld van een regeling waarin opsporingsambtenaren een uitdrukkelijke bevels- of vorderingsbevoegdheid is toegekend is art. 126zr lid 2 sub b en c Sv. Zie specifiek hierover ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021p. 610.
Zie hierover ook het artikel van Mevis en Verbeek. Bijzondere wetten regelen soms de sanctionering van het niet opvolgen van bepaalde bevelen die niet onder het bereik van art. 184 Sr vallen. Zo wordt het negeren van een stopteken in de WVW 1994 bijvoorbeeld apart gesanctioneerd via art. 177 en 178 WVW 1994. Zie daarover HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199, NJ 2015/173 m.nt. M.J. Borgers.
Op grond van art. 7 lid 1 Politiewet 2012 is een politieambtenaar bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Zie bijv. ook HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:BA5832, rov. 3.5.1. Zie ook de memorie van toelichting bij art. 126zs Sv: “De bevoegdheid om de burger aan zijn kleding te onderzoek en gebruik te maken van detectieapparatuur impliceert de bevoegdheid voor de opsporingsambtenaar om een onwillige burger te vragen zich aan beide vormen van onderzoek te onderwerpen en deze bij een weigering tegen de wil van de burger te effectueren”, Kamerstukken II 2004/2005, 30 164, nr. 3, p. 46.
Voor de goede orde merk ik op dat de politie conform art. 126zs Sv en het Besluit opsporing terroristische misdrijven lijkt te hebben gehandeld. Zij hebben de verdachte bijv. medegedeeld dat hij moest meewerken aan een fouillering en stonden op het punt hem overeenkomstig art. 3 lid 3 van het Besluit een schriftelijk bescheid te verstrekken met informatie over de bevoegdheidsuitoefening.
Beroepschrift 28‑05‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: 23/04312
Schriftuur houdende één middel van cassatie
Van: mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, kantoorhoudende aan de Croeselaan 244 te Utrecht (3521 CL), Boumanjal & Vingerling Advocaten.
In de zaak van:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 en wonende aan de [adres] te [woonplaats] ([postcode]), verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, op 6 november 2023 onder het parketnummer 21-000025-22 uitgesproken arrest.
Middel
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, waarvan de niet naleving nietigheid met zich meebrengt.
In het bijzonder heeft het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een onbegrijpelijke motivering, geoordeeld dat klager niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering als bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr, als gevolg waarvan hij voor overtreding van dit wetsartikel is veroordeeld.
Toelichting:
Zowel in eerste aanleg als in hoger is klager vervolgd en veroordeeld voor dat:
‘hij op of omstreeks 12 augustus 2021 te [a-plaats]. gemeente [gemeente] opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering,
krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs Wetboek van Strafvordering, gedaan door een politieambtenaar, te weten,
verbalisant onder nummer [001] en/of verbalisant onder nummer [002],
belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten,
door, nadat deze ambtena(a)r(en) hem had(den) bevolen en/of gevorderd mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding en hieraan geen gevolg te geven.’
Het gaat om de overtreding van artikel 184 lid 1 Sr. Klager meent echter dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een onbegrijpelijke motivering, heeft geoordeeld dat er sprake is geweest van een bevel of een vordering als bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr, als gevolg waarvan het arrest niet in stand kan blijven.
Vooropgesteld zij dat klager betwist dat hem is bevolen of gevorderd om mee te werken aan een fouillering. Dit heeft klager meermaals, onder andere op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, kenbaar gemaakt. Klager heeft bij de politie wel verklaard dat er over fouilleren is gesproken (p. 37). In de verschillende processen-verbaal van bevindingen is inderdaad terug te lezen dat er over fouilleren is gesproken, maar naar de mening van klager kan daaruit niet worden opgema akt dat er ook sprake is geweest van een bevel of een vordering. De relevante passages luiden als volgt:
P. 8 en 9 (verbalisant [verbalisant 4]):
‘Wegrennen [verdachte]
Ik hoorde [002] vervolgens tegen [verdachte] zeggen dat zij zich in een gebied bevonden waarin een noodverordening van kracht was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mee moest werken aan een fouillering en de doorzoeking van zijn auto. Ik hoorde [002] vervolgens zeggen dat hij hem een formulier zou geven waarin alles nader uitgelegd stond en dat hij deze op een later moment, na zijn fouillering, kon lezen.
Ik hoorde [002] tegen [verdachte] zeggen dat hij de uitlevering van eventuele drugs en wapens vorderde.
Ik draaide mij vervolgens om teneinde mijn motorhelm op mijn motorfiets te leggen. Toen ik mij omdraaide hoorde ik zowel [002] als [001] roepen ‘Blijf staan!’. Ik draaide mij vervolgens om en zag [002] en [001] rechtsaf een bosrand inrennen. Deze bosrand is gelegen tussen de [a-straat] en het [b-straat]. Ik ben vervolgens bij de Volkswagen Golf en [betrokkene 1] gebleven.’
P. 18 (verbalisant [002])
‘Ik liep naar [verdachte] toe en liet hem de Flayer zien. Ik vertelde hem dat hij verplicht was om mee te werken aan de doorzoeking van de auto en het fouilleren van [verdachte].
Ik vorderde hem de overgifte van wapens of drugs of andere strafbare feiten als hij die in zijn bezit had.
Deze flayer is als bijlage toegevoegd aan dit proces-verbaal van bevindingen.
Ik hoorde hem zeggen: Ik heb niks bij me’.
Ik zei tegen [verdachte] dat ik de flayer op de auto zou leggen en eerst hem zou fouilleren en dat hij daarna de flayer door kon nemen. Ik wilde toen de flayer op de auto leggen om vervolgens [verdachte] te kunnen fouilleren.
Ik zag op dat moment dat [verdachte] weg rende en voor de auto langs het fiets pad overstak en het bos in remde richting het [b-straat]. Ik riep met luide stem:
‘politie staan blijven’.
Ik hoorde collega [001] dit ook meerdere keren roepen. Gezien de afstand tot [verdachte] kan het niet anders dan dat hij dit duidelijk hoorde.’
P. 28 (verbalisant [001]):
‘Gezien de bovengenoemde omstandigheden wilde wij onderzoek doen aan de kleding van [betrokkene 1] en [verdachte]. Tevens wilde wij de Volkswagen Golf onderzoeken. Ik hoorde mijn collega [001] dit uitleggen aan [betrokkene 1] en [verdachte]. Op dat moment zag ik dat [verdachte] zijn slippers uitdeed. Ik zag vervolgens dat hij wegdraaide van mijn collega en begon te rennen. Ik zag dat hij richting de berm het fietspad op rende. Vervolgens’
Vide het proces-verbaal ter zitting in hoger beroep van 6 november 2023 is, in de lijn van het verweer in eerste aanleg, het volgende aangevoerd zijdens de verdediging:
‘De raadsman voert het woord tot verdediging. Daarbij merkt de raadsman op:
‘De belangrijkste vraag is of het feit bewezen kan worden verklaard. De tenlastelegging is toegespitst op artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht en in dat artikel is het geen gevolg geven aan een bevel of vordering strafbaar gesteld. Als ik kijk naar het dossier dan zie ik dat ik het met de advocaat-generaal eens ben dat gesproken is over een fouillering, maar ik zie niet dat aan mijn cliënt een bevel of vordering is gedaan.’
Op pagina 8 van het dossier lees ik dat gesproken wordt over een noodverordening en ik citeer:
‘Ik hoorde [002] vervolgens tegen [verdachte] zeggen dat zij zich in een gebied bevonden waarin een noodverordening van kracht was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mee moest werken aan een fouillering en de doorzoeking van zijn auto.’
Mijn cliënt en zijn passagier worden gewezen op de plichten die voortkomen uit de noodverordening, maar dat is niet gelijk te stellen aan een aan cliënt gericht bevel of gerichte vordering. Er is dus wel over gesproken en misschien was het voor mijn cliënt wel duidelijk dat hij gefouilleerd zou worden en heeft hij om die reden de benen genomen, maar niet duidelijk is dat hem echt is medegedeeld ‘jij moet nu echt meewerken aan een fouillering’ of ‘we gaan jou nu fouilleren’. Dat zie ik niet in dit proces-verbaal en ook niet in de andere stukken. Daar wordt gesproken over een uitleg aan mijn cliënt, maar dat gaat over de noodverordening en dat op basis daarvan de auto doorzocht kan worden.
Dat zwaar wordt getild aan het vereiste dat sprake moet zijn van een bevel of vordering blijkt uit Tekst & Commentaar en uit de jurisprudentie waarnaar verwezen wordt. In Tekst & Commentaar lees ik bij de algemene opmerkingen, waar verwezen wordt naar een uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2006, NJ 2006, 564 het volgende ‘Hoewel HR 12 september 2006, NJ 2006/564, niet direct betrekking heeft op het onderhavige hevel, kan daaruit evenwel worden afgeleid dat in beginsel pas sprake kan zijn van een bevel wanneer dit als zodanig kenbaar is: zonder bijkomende omstandigheden lijkt enkel verzoeken onvoldoende’, Die uitspraak vind ik van belang en ik geef u ook het ECLI nummer, te weten ECLI:HR:2006:AV6178 en met name de overwegingen van de advocaat-generaal zijn erg interessant. Die heeft heel uitvoerig stilgestaan bij deze problematiek, wat een vordering en bevel is en of artikel 184 is overtreden. De belangrijkste overwegingen van de advocaat-generaal zijn die van 8.7 en 8.8 en daarbij ging het om het niet voldoen aan de vordering mee te werken aan een ademanalyse.
Onder 8.7 wordt het volgende opgemerkt:
‘Voor art. 163 WVW 1994 geldt mijns inziens een soortgelijke uitleg. Alleen de verdachte bestuurder aan wie een bevel is gegeven om zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyse is daartoe verplicht en is voorts verplicht gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Een verdachte aan wie zo een bevel niet is gegeven is niet verplicht om mee te werken. Ook hier geldt dan dat de systematiek van art. 163 WVW 1994 zal worden doorkruist als verplichtingen zouden kunnen ontstaan voor een verdachte bestuurder, zonder dat een bevel aan hem is gegeven, maar op het moment dat de ambtenaar handelingen onderneemt die uiteindelijk tot een ademanalyse moeten leiden. Dan zou immers via de band van art. 184 Sr een verplichting op verdachte komen te rusten tot medewerking buiten de procedure om die de wetgever speciaal daarvoor heeft gecreëerd.’
Daarvoor heeft hij uitvoerig stilgestaan bij de situatie dat je bijvoorbeeld iemand wil aanhouden, maar degene de benen neemt. Dat is dus niet strafbaar, want je hoeft niet in het voortraject handelingen te verrichten die kunnen bijdragen aan de uiteindelijke uitoefening van de bevoegdheid.
Dan is hetgeen onder 8.8 staat vermeld van belang, waar wordt ingegaan op de casus die voorligt en ik citeer:
‘In zijn bewijsoverweging neemt het hof niet als vaststaand aan dat verbalisant aan verdachte heeft bevolen zijn medewerking te verlenen’.
In deze zaak is niet vast te stellen dat aan mijn cliënt is bevolen zijn medewerking te verlenen. Er is alleen gesproken over het recht dat ze hebben hem te fouilleren.
Vervolgens slaat onder 8.8:
‘Verdachte heeft volgens het hof op het verzoek van verbalisanten geantwoord vrijwillig mee te gaan om zich aan de ademanalyse te onderwerpen. Kennelijk was er volgens het hof nog geen sprake van een hevel in de zin van artikel 163 lid 1 WVW 1994. Naar mijn mening mag dan niet art. 184 Sr te hulp worden geroepen om verdachte te bestraffen voor het feit dat hij ervandoor is gegaan voordat hem op grond van het stelsel van de WVW 1994 de verplichting was opgelegd om medewerking te verlenen’.
Die man was meegegaan naar het politiebureau voor een ademanalyse, maar hij bedacht zich en is gewoon het politiebureau uit gerend. Bij hem was aangegeven dat ze een analyse wilden verrichten, maar was nog geen sprake van een bevel of vordering. Het stond hem dan ook vrij de benen te nemen. Er was nog geen verplichting ergens aan mee te werken. De Hoge Raad heeft de conclusie van de advocaat-generaal gevolgd en de man is vrijgesproken.
Daaruit maken de opstellers van Tekst & Commentaar op dat als je spreekt over een bevel of vordering dat een ondubbelzinnige opdracht moet zijn aan iemand. Het is geen verzoek. In deze zaak van mijn cliënt is niet eens een verzoek gedaan. Er was alleen een voornemen dat te gaan doen. Wat mij betreft is dus geen sprake van een hevel of vordering als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht en dient mijn cliënt vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde.’
Voornoemd verweer is uiteindelijk verworpen door het hof, waarbij het volgende is overwogen (proces-verbaal ter zitting d.d. 6 november 2023, p. 9):
‘Het hof stelt voorop dat uit het dossier volgt dat op 12 augustus 2021 te [a-plaats] op de plek waar verdachte staande is gehouden een noodverordening gold en dat de politie mensen kon verplichten mee te werken aan een fouillering. Daarbij blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] dat tegen verdachte is gezegd dat hij mee moest werken aan een fouillering en doorzoeking van zijn auto. Naar het oordeel van het hof was dat geen Verzoek, maar hielden die woorden in dat verdachte mee moest werken aan een fouillering. Door de woorden die zijn gebruikt, was het voor verdachte duidelijk dat sprake was van een verplichting tot medewerking.
Vervolgens is verdachte weg gerend en heeft de politie op hoorafstand van verdachte nog geroepen dat hij moest blijven staan.
Naar het oordeel van het hof is dan ook voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan het door de politie gegeven bevel of gedane vordering.’
Met voornoemde bewijsoverweging kan klager zich geenszins verenigen. Het wijzen op verplichtingen en het kenbaar maken gebruik te willen maken van bepaalde bevoegdheden is naar de mening van klager niet, althans niet zondermeer gelijk te stellen met een vordering of een bevel.
In pleidooi in hoger beroep is, vide bovenstaande, zeer uitvoerig ingegaan op wanneer er (niet) gesproken van een vordering of een bevel als bedoeld in art. 184 Sr. Het lijkt mij niet op zijn plaats om alles te herhalen. Waar het om draait, is dat er sprake lijkt te moeten zijn van een duidelijke, ondubbelzinnige vordering of een duidelijk, ondubbelzinnig bevel. In tekst en commentaar is hier, voor zover van belang, het volgende of terug te lezen:
‘Hoewel HR 12 september 2006, NJ 2006/564, niet direct betrekking heeft op het onderhavige bevel, kan daaruit evenwel worden afgeleid dat in beginsel pas sprake kan zijn van een bevel wanneer dit als zodanig kenbaar is; zonder bijkomende omstandigheden lijkt enkel verzoeken onvoldoende (vgl. ook Rb. Maastricht 25 november 2009, LJN BK4559 en art. 447e, aant. 7 onder b).
(…)
Hoewel HR 12 september 2006, NJ 2006/564 niet betrekking heeft op de onderhavige vordering, kan daaruit evenwel worden afgeleid dat in beginsel pas sprake kan zijn van een vordering wanneer dit als zodanig kenbaar is; zonder bijkomende omstandigheden lijkt enkel verzoeken onvoldoende. In dezelfde zin, specifiek in het kader van art. 447e, werd geoordeeld in Rb. Amsterdam 11 augustus 2009, LJN BJ5573 en Rb. Amsterdam 3 november 2010, LJN BO8474, alsook in Rb. Zwolle 16 november 2009, LJN BL3978 (in dit laatste geval werd zelfs driemaal vragen onvoldoende geacht).’
Op conclusie van de advocaat-generaal bij het arrest van uw Hoge Raad van 12 september 2006 is de verdediging uitvoerig ingegaan bij de handeling van de strafzaak in hoger beroep. Een belangrijke overweging uit het arrest zelf, overweging 3.6, luidt als volgt:
‘Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat aan de verdachte een bevel is gegeven overeenkomstig art. 163 WVW 1994 om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a, van deze wet. Blijkens die bewijsmiddelen is immers aan de verdachte door de desbetreffende opsporingsambtenaar gevraagd zijn medewerking aan bedoeld onderzoek te verlenen, waarna de verdachte vrijwillig is meegegaan naar het politiebureau, waar aan de verdachte vervolgens door de opsporingsambtenaar is verzocht ‘even te blijven wachten’. Deze verzoeken scheppen voor de verdachte niet de verplichting zijn medewerking aan de voorgenomen ademanalyse te verlenen, omdat blijkens het wettelijk stelsel slechts de bestuurder aan wie het in het eerste lid van art. 163 WVW 1994 bedoelde bevel is gegeven, verplicht is ademlucht te blazen in het voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. Daarom is de bewezenverklaring voor wat betreft het onderdeel ‘door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 8 en/of 163 van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit alcoholonderzoeken ondernomen handelingen’ onvoldoende gemotiveerd.’
Dezerzijds wordt gemeend dat de in dit arrest besproken casus enige gelijkenis vertoont met onderhavige casus. In beide gevallen is gesproken over bepaalde (wettelijke) verplichtingen. Ook was het in beide casussen voor beide personen duidelijk dat de politie uitvoering wilde geven aan bepaalde bevoegdheden. Echter van een daadwerkelijke vordering of een daadwerkelijk bevel was nog geen sprake. Onder deze omstandigheden is een veroordeling voor overtreding van artikel 184 Sr niet op zijn plaats, waarbij eveneens zijn verwezen naar de volgende opmerking van de advocaat-generaal in de conclusie behorende bij dit arrest:
‘Als artikel 184 Sr van toepassing zou zijn op de verdachte bestuurder aan wie het bevel van artikel 163 lid 1 WVW 1994 niet is gegeven valt niet in te zien waarom ook niet de verdachte die zich aan aanhouding probeert te onttrekken door de weg te rennen zich aan het misdrijf van artikel 184 Sr zou schuldig maken.’
Klager is weggerend voordat er een vordering tot medewerking aan de fouillering is gegeven. Hem is, als gezegd, enkel medegedeeld dat men hem wil fouilleren en dat hij tot medewerking verplicht is. Dat is, anders dan het hof meent, niet voldoende om van een vordering of een bevel als bedoeld in artikel 184 Sr te kunnen spreken.
De conclusie is derhalve dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een onbegrijpelijke motivering, geoordeeld heeft dat klager niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering als bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr, als gevolg waarvan hij voor overtreding van dit wetsartikel is veroordeeld.
De rechtseenheid is gebaat bij behandeling van dit cassatieschriftuur door uw Hoge Raad. Dezerzijds wordt gemeend, kijkende naar de diverse jurisprudentie, dat er nog geen eenstemmigheid bestaat over de uitleg van de termen vordering en bevel in artikel 184 Sr.
Uw Hoge Raad wordt derhalve eerbiedig verzocht het middel van cassatie gegrond te verklaren.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Utrecht, 28 mei 2024
A.C. Vingerling