De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/:Samenvatting
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/
Samenvatting
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS366653:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 1: Inleiding
In dit onderzoek staat de civiele zitting (de comparitie na antwoord) centraal. De betekenis van deze zitting is de laatste jaren flink toegenomen. In verreweg de meeste zaken vindt tegenwoordig een zitting plaats. Er is tot op heden weinig bekend over de zittingsaanpak van rechters en de ervaringen van advocaten en (met name) partijen met de zitting. Dit onderzoek beoogt daar verandering in te brengen. De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek is de volgende:
Hoe ziet de huidige zittingspraktijk (comparitie na antwoord) eruit in termen van doelbereik en rechtvaardigheid, waar liggen aandachtspunten voor verbetering en wat is een goede zittingsaanpak?
Doelbereik valt in dit onderzoek uiteen in twee elementen. Op de eerste plaats heeft dat betrekking op de mate waarin de wettelijke doelen van de zitting (het verkrijgen van inlichtingen, het beproeven van een schikking en overleg over het vervolg van de procedure) worden gerealiseerd. Ten tweede gaat het over de persoonlijke doelen die partijen, advocaten en de rechter voor de zitting formuleren en de mate waarin die doelen worden gerealiseerd. Rechtvaardigheid heeft betrekking op de mate waarin de procesdeelnemers te spreken zijn over de inrichting van de zitting (o.a. verhaal kunnen doen, een onbevooroordeelde rechter), de behandeling door de rechter en de informatie over de zitting. De ervaren rechtvaardigheid van de uitkomst (distributieve rechtvaardigheid) is in dit onderzoek niet gemeten, omdat de uitkomst direct na de zitting — toen de ervaringen van partijen en advocaten zijn gemeten — nog niet in alle zaken bekend was.
Om de huidige zittingspraktijk in kaart te brengen zijn bij de afdeling Handelszaken van twee rechtbanken in totaal 150 comparities na antwoord onderzocht. Er is daarbij gebruikt gemaakt van vragenlijsten, interviews en observatieschema’s.
Het eerste deel van dit boek heeft betrekking op de resultaten van dit empirisch onderzoek (hoofdstukken 3 tot en met 7) en de aandachtspunten voor verbetering die daaruit voortvloeien (hoofdstuk 8). Het tweede deel van het boek is anders van aard. Hierin formuleer ik een goede zittingsaanpak voor comparitierechters vanuit het perspectief van doelbereik en rechtvaardigheid (hoofdstuk 10). Bij deze zittingsaanpak heb ik mij laten inspireren door de verbetervoorstellen die in Nederland voor de comparitie na antwoord en die in Duitsland en de Verenigde Staten voor vergelijkbare zittingen zijn gedaan (hoofdstuk 9). Het boek eindigt met een aantal concluderende opmerkingen.
Hoofdstuk 2: Onderzoek naar rechtvaardigheid
In dit hoofdstuk zijn de hoofdlijnen weergegeven van het onderzoek dat de afgelopen 30 jaar naar rechtvaardigheid is gedaan. Dit onderzoek richt zich op de vraag wat ervoor zorgt dat individuen, als zij op enig moment een ervaring hebben met een (besluitvormings)procedure, deze ervaring als positief evalueren.
Tot 1975 werd het antwoord op deze vraag vooral gezocht in een rechtvaardige uitkomst (distributieve rechtvaardigheid). Later onderzoek liet zien dat mensen invloed op de procedure op zichzelf waarderen (procedurele rechtvaardigheid). Verder kwam naar voren, dat individuen — naast invloed op de procedure — aspecten zoals consistentie, onbevooroordeeldheid, kwaliteit en nauwkeurigheid van beslissingen, correctiemogelijkheid en ethiek belangrijk vinden. Vervolgens werd het belang van rechtvaardigheid in de interactie met de geschiloplosser duidelijk. Deze zogenoemde interactieve rechtvaardigheid werd later onderscheiden in interpersoonlijke rechtvaardigheid (een nette, respectvolle behandeling door de geschiloplosser) en informatieve rechtvaardigheid (goede uitleg over de procedure en uitkomst). Door het bovenstaande onderzoek ontstonden vier typen rechtvaardigheid: distributieve, procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtaardigheid.
Daarbij moet echter opgemerkt worden dat er binnen de wetenschap de nodige discussie bestaat over de vraag of rechtvaardigheid het beste gemeten kan worden door middel van twee (distributieve en procedurele rechtvaardigheid), drie (distributieve, procedurele en interactieve rechtvaardigheid) of vier concepten (distributieve, procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid).
Voor dit onderzoek is de gevalideerde vragenlijst van Colquitt (2001) gebruikt. Deze vragenlijst is gebaseerd op de belangrijkste rechtvaardigheidsstudies in de afgelopen 30 jaar.
Ten slotte komt in dit hoofdstuk naar voren waarom het belangrijk is dat procesdeelnemers positief zijn over de ervaren (procedurele) rechtvaardigheid. Dit is namelijk van invloed op de ervaren rechtvaardigheid van de uitkomst, op de acceptatie van de uitkomst, op de tevredenheid met de geschiloplosser, op het vertrouwen in het rechtssysteem en in juridische autoriteiten en op de mate waarin burgers zich aan de wet houden.
Hoofdstuk 3: De zitting in chronologische volgorde
De zelfgerapporteerde oplossingsbereidheid van partijen en (vooral) advocaten was voorafgaand aan de zitting gematigd positief. Snelheid was voor beide groepen de belangrijkste reden om een oplossing te willen vinden. Partijen die niet graag een oplossing wilden, gaven als belangrijkste redenen aan, dat ze niet wisten of de andere partij wel zou willen meewerken en dat ze geen mogelijkheid tot onderhandelen zagen (vaak vanwege eigen gelijk). Partijen en advocaten schatten de oplossingsbereidheid van de andere partij ten onrechte gematigd negatief in. Ook rechters onderschatten de oplossingsbereidheid van beide partijen en advocaten.
De rechter/rechtbank gaf voorafgaand aan de zitting weinig tot geen zaakspecifieke instructies over de nog in te dienen stukken of de te bespreken onderwerpen tijdens de zitting. Aan het begin van de zitting legde de rechter vaak wat uit over de doelen van de zitting en noemde hij stukken die in zijn bezit waren, maar afgezien daarvan betrof het vaak een standaardpraatje met weinig echte uitleg. Partijen stelden soms vragen aan de observanten, waaruit bleek dat ze niet alles begrepen hadden, zoals de vraag ‘Weet u misschien wie die persoon naast de rechter was? Was dat nou nog een rechter of de officier van justitie?’.
De rechter was tijdens de inlichtingenfase relatief veel aan het woord: 22 minuten (inclusief stiltes) tegenover 7 á 8 minuten spreektijd per persoon voor de overige vier aanwezigen. De rechter onderbrak de procesdeelnemers maar weinig in hun verhaal.
Bij het beproeven van een schikking werden in bijna de helft van de comparities de voordelen van een schikking niet besproken met partijen. In 35% van de zittingen vulde de rechter de voordelen voor partijen in zonder aan hen te vragen of die invulling juist was. Verder gaven rechters in bijna 70% van de zittingen een voorlopig oordeel. Dit voorlopig oordeel had vooral betrekking op de juridische stellingen/weren of de bewijslastverdeling. In 56% van comparities gaf de rechter een voorlopig oordeel zonder dat duidelijk was of daar behoefte aan was. Verder waarschuwde de meerderheid van de rechters voor de gevolgen van verder procederen wat betreft de tijd, belasting, kosten en/of de toekomstige verhouding. Rechters gaven zelf aan, dat zij zich vooral actiever opstelden bij het beproeven van een schikking als partijen zich ter zitting cooperatief opstelden, de standpunten minder ver van elkaar verwijderd waren, partijen een persoonlijke relatie hadden/ emoties een rol speelden, de vordering lager was en/of de waarschijnlijke duur van de procedure langer was. Eenendertig procent van de partijen en 35% van de advocaten dacht dat de rechter een eigen motief had bij een schikking. Daarbij is het meest opvallend, dat van die groep advocaten 43% aangaf, dat het motief van de rechter was, dat hij dan van de zaak af was/geen vonnis meer hoefde te schrijven. Bijna 60% van de zaken die niet eindigde in een schikking, werd naar de rol verwezen voor vonnis.
Hoofdstuk 4: Het bereik van wettelijke doelen
In 32% van de onderzochte zaken zijn partijen een schikking overeengekomen tijdens de zitting. Bij die zittingen is alleen het wettelijk doel ‘het beproeven van een schikking’ gemeten. Daarbij is allereerst gekeken in welke de mate de rechter `eruit gehaald had wat erin zat om partijen een schikking te laten overeenkomen’. Partijen, advocaten en rechters waren hier gemiddeld gezien positief over. Verder is alle respondenten gevraagd of zij de schikking als een door het gedrag van de rechter gedwongen schikking (dwangschikking) hadden ervaren. Dit vonden partijen in hogere mate dan rechters. In 29% van de geschikte zaken in Utrecht vond één partij of één advocaat dat er sprake was van een dwangschikking Bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch vonden in 48% van de geschikte zaken één of twee aanwezigen de schikking een dwangschikking. Partijen en advocaten lijken de schikking met name als een dwangschikking te ervaren als de rechter de voor- en nadelen van een schikking en/of een voorlopig oordeel vrij stellig presenteert of als de rechter te lang doorhamert op een schikking Ten slotte was de tevredenheid van advocaten en (met name) partijen over de overeengekomen schikking niet erg hoog.
In 68% van de onderzochte zittingen kwam geen schikking tot stand. Bij die zittingen zijn alle drie de wettelijke doelen gemeten. Partijen, advocaten en rechters waren bij het beproeven van een schikking gematigd positief over de mate waarin de rechter ‘eruit gehaald had wat erin zat om partijen een schikking te laten overeenkomen’. Bij de andere twee wettelijke doelen waren zij het minder eens met elkaar. Zo was de rechter significant positiever dan partijen en advocaten over de vraag of alle informatie die van belang was voor de zaak op tafel was gekomen. De belangrijkste reden waarom een aantal partijen en advocaten dat niet vonden is dat de rechter bepaalde onderwerpen niet/nauwelijks behandelde of zij niet de kans kregen hierover iets te zeggen. Ook wat betreft het overleg over het vervolg van de procedure was de rechter positiever dan advocaten en partijen over de vraag of tijdens de zitting al het mogelijke was gedaan om het verdere verloop van het proces tot en met het eindvonnis te plannen. Advocaten waren hierover weer positiever dan partijen.
Wat ten slotte opvalt, is dat partijen, advocaten en de rechter die bij dezelfde zitting aanwezig waren geweest, de rechtszaal met behoorlijk uiteenlopende opvattingen over het wettelijk doelbereik verlieten.
Hoofdstuk 5: Het bereik van persoonlijke doelen
Rechters formuleerden hoofdzakelijk persoonlijke doelen die zij volgens de wet moeten dienen met weinig persoonlijke aanvulling en invulling. Hun gemiddelde doelbereikscore was gematigd positief. Advocaten noemden meer persoonlijke doelen die afweken van de wettelijke doelen, zoals gelijk krijgen, het overtuigen van de rechter van hun gelijk en een tevreden cliënt. De mate waarin advocaten hun persoonlijke doelen bereikten was significant lager dan het doelbereik van rechters. Partijen noemden ten slotte vooral persoonlijke doelen die niet of nauwelijks aansloten bij de wettelijke doelen, zoals gelijk krijgen, een snelle beëindiging van de procedure, gerechtigheid, een rechtvaardig resultaat en de andere partij diens ongelijk laten inzien. Het doelbereik van partijen was gematigd negatief en weer significant lager dan het doelbereik van advocaten. Dit verschil in doelbereik tussen partijen, advocaten en rechters kan waarschijnlijk verklaard worden door de verwachtingen die deze drie groepen van de zitting hadden. Advocaten en (met name) rechters hadden waarschijnlijk veel beter dan partijen voor ogen wat er op de zitting ging gebeuren.
Wat bij partijen verder opvalt, is dat het doel ‘gelijk krijgen’ door 42% van de partijen werd genoemd, maar dat dit doel in behoorlijk lage mate werd bereikt. Het is in dit onderzoek niet helder geworden wat partijen precies bedoelden met `gelijk krijgen’: Dachten ze dat de rechter ter zitting mondeling vonnis zou wijzen? Of waren zij op zoek naar verbale en non-verbale signalen van de rechter die hun visie bevestigden?
De persoonlijke doelen van partijen, advocaten en rechters werden in significant hogere mate bereikt in de zittingen waarin een schikking tot stand was gekomen. Dit lijkt met name te komen door een hoger bereik van doelen zoals het beproeven/ bereiken van een schikking, een snelle afhandeling/beëindiging van de procedure, een rechtvaardig resultaat, een oplossing voor het probleem, duidelijkheid krijgen, rust krijgen en een tevreden cliënt in deze zittingen.
Ten slotte bleek er niet erg veel samenhang te bestaan tussen het persoonlijk doelbereik van de verschillende aanwezigen op één zitting.
Hoofdstuk 6: Rechtvaardigheid
Partijen en advocaten waren behoorlijk positief over de ervaren rechtvaardigheid. Zij waren het meest positief over de manier waarop de rechter hen behandelde (interpersoonlijke rechtvaardigheid) en over aspecten als verhaal doen, een onbevooroordeelde rechter, een gelijke behandeling en een goede voorbereiding van de rechter (procedurele rechtvaardigheid). Zij waren het minst te spreken over de uitleg en informatie die zij van de rechter over de zitting kregen (informatieve rechtvaardigheid). De ervaren procedurele en informatieve rechtvaardigheid was bij advocaten hoger dan bij partijen. Mogelijk hebben advocaten om die reden geen scherp beeld van hoe hun cliënt de zitting beleeft.
Partijen en advocaten van dezelfde zitting verlieten de rechtszaal met behoorlijk uiteenlopende rechtvaardigheidspercepties. Rechters bleken de door partijen ervaren interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid te onderschatten.
In dit onderzoek zijn naast de rechtvaardigheidspercepties van partijen en advocaten ook hun aanvaardbaarheidspercepties gemeten. Rechtvaardigheid en aanvaardbaarheid zijn niet dezelfde concepten. Wel zijn de stellingen van aanvaardbaarheid zo geformuleerd dat ze sterk aansluiten bij de drie typen rechtvaardigheid. Zo is er gevraagd naar de aanvaardbaarheid van de manier van behandeling door de rechter (interpersoonlijke rechtvaardigheid), van de informatie en uitleg die de rechter gaf (informatieve rechtvaardigheid) en van de totale procedure tijdens de zitting (procedurele rechtvaardigheid). Partijen en advocaten waren hier in het algemeen behoorlijk positief over.
In de interviews is hen gevraagd een toelichting te geven. De procesdeelnemers gaven ten aanzien van de behandeling door de rechter aan, dat zij daarbij de volgende aspecten belangrijk vonden: een respectvolle behandeling (geen ongepaste opmerkingen of een geïrriteerde rechter), de mogelijkheid om het eigen verhaal te kunnen vertellen, een rechter die luistert, zich inleeft en betrokkenheid toont (veel belangrijker voor partijen) en een onpartijdige rechter (iets belangrijker voor advocaten). Als procesdeelnemers de rechter niet onpartijdig vonden, hing dat vaak samen met het beproeven van een schikking• de rechter benadrukte een schikking te sterk of gaf vanaf het begin van de zitting zijn eigen visie en leek niet meer naar de argumenten van partijen te luisteren.
Bij de aanvaardbaarheid van de informatie en uitleg die de rechter gaf, vonden partijen en advocaten het belangrijk dat de rechter de bedoeling van de zitting uitlegde, iets over de doelen van de zitting vertelde of vertelde wie er aan het woord zouden komen. Met name advocaten gaven aan, dat zij graag vooraf van de rechter zouden willen horen over welke aspecten van de zaak hij tijdens de zitting vragen ging stellen. Een klein aantal partijen en advocaten waren minder enthousiast over de uitleg en informatie, omdat de rechter weinig, geen of onjuiste informatie gaf.
Ten slotte kwam de toelichting die partijen en advocaten gaven bij de aanvaardbaarheid van de totale procedure tijdens de zitting sterk overeen met de aspecten die zij ook al noemden bij de aanvaardbaarheid van de behandeling door de rechter. Daarnaast noemden zij ook een goede leiding van de rechter, een behulpzame rechter bij het vinden van een oplossing en een rechter die geen dwang uitoefende. Bij de negatieve en twijfelachtige antwoorden was vooral veel kritiek op de manier waarop de rechter een schikking had beproefd: soms hielp de rechter niet genoeg, de andere keer vond men de rechter weer te actief.
Hoofdstuk 7: Doelbereik en rechtvaardigheid
In de huidige zittingspraktijk bestaat er een positief verband tussen de ervaren rechtvaardigheid, het bereik van de wettelijke doelen en het bereik van de persoonlijke doelen van de procesdeelnemers (partijen en advocaten). Dit betekent dat het mogelijk is voor de rechter om tijdens de zitting de wettelijke doelen en de persoonlijke doelen van partijen en advocaten in positieve zin te realiseren en daarnaast ook nog eens tevreden procesdeelnemers te hebben voor wat betreft de ervaren rechtvaardigheid.
Hoofdstuk 8: Aandachtspunten
In dit hoofdstuk formuleer ik drie aandachtspunten voor verbetering van de huidige zittingspraktijk. Deze zijn gebaseerd op de resultaten van het empirisch onderzoek, alsmede op de ideeën voor aandachtpunten die tijdens een expertmeeting in juli 2008 naar voren zijn gebracht.
1. Er lijkt een behoorlijke verbeterslag mogelijk in de informatievoorziening rondom de zitting. Uit dit onderzoek komt naar voren welke informatie en uitleg partijen en advocaten graag van de rechter willen hebben. Het gaat daarbij om (globale dan wel specifieke) informatie over de doelen van de zitting, over wie wanneer het woord kan voeren, over de stellingen en verdere aspecten die de rechter nog toegelicht wil zien en over de gebruiken tijdens de zitting. Advocaten weten vaak ook niet hoe het verloop van de zitting er precies uit zal zien.
Het is aan te raden meer aandacht te besteden aan specifieke zittingsvaardigheden bij de opleiding van rechters of bij gerichte trainingen later in de loopbaan. Ten eerste kunnen de rechtvaardigheids- en (wettelijke) doelbereikpercepties van de aanwezigen van dezelfde zitting meer op één lijn komen te liggen door een betere afstemming en communicatie ter zitting. Bovendien kunnen de daadwerkelijke belangen van partijen meer aan bod komen en kan het ten onrechte toeschrijven van belangen aan elkaar voorkomen worden door meer aandacht te besteden aan zittingsvaardigheden zoals het stellen van open vragen, samenvatten en nagaan of die samenvatting klopt.
Het is wenselijk meer aandacht te laten uitgaan naar de vraag wat goede manieren zijn voor rechters om een schikking ter zitting te faciliteren. Dat lijkt op dit moment een weinig doordacht proces.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de rechterlijke macht wat meer procesmatig te werk kan gaan, meer alternatieven kan ontwikkelen en keuzes beter kan toetsen bijvoorbeeld aan de hand van relevante wetenschappelijke kennis, praktijkinzichten en literatuur over communicatieprocessen meer in het algemeen. Deze (en andere) kennis kan als input gebruikt worden voor de ontwikkeling van een werkwijze voor een goede zitting. Het resultaat van een dergelijk inventarisatieproces zou geen strak protocol hoeven zijn waar iedere rechter zich aan zou moeten houden, maar het zou rechters eerder een helder overzicht moeten bieden van de verschillende manieren van compareren en de consequenties daarvan, zodat rechters een bewuste keuze kunnen maken. Het is aan te raden om daar niet alleen de rechterlijke macht (en nauwe omgeving zoals de advocatuur) bij te betrekken, maar een wat bredere kring van personen/instanties.
Hoofdstuk 9: Voorstellen in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten
In dit hoofdstuk beschrijf ik verbetervoorstellen die binnen Nederland voor de comparitie na antwoord en in Duitsland en de Verenigde Staten voor vergelijkbare zittingen zijn gedaan. Daarbij komen alleen voorstellen aan de orde die aansluiten bij (een hogere mate van) doelbereik en rechtvaardigheid.
Een behoorlijk aantal voorstellen dat in Nederland voor de comparitie na antwoord is gedaan heeft betrekking op de informatie/instructie die de rechter aan partijen geeft en mogelijkheden die partijen tijdens de zitting moeten krijgen om hun eigen verhaal te doen. Ook is er de nodige aandacht voor gespreksvaardigheden van rechters, zoals samenvatten en het stellen van open vragen, en voor de wijze waarop de rechter een schikking kan faciliteren.
Ook in Duitsland is voor deze aspecten (informatie, verhaal doen, vaardigheden, schikken) aandacht. Wat opvalt in Duitsland is de mogelijkheid die rechters hebben om partijen zelf een schriftelijk schikkingsvoorstel te doen, zelfs al voorafgaand aan de zitting. Op deze manier worden in Duitsland schikkingen zo vroeg mogelijk in de procedure bevorderd. Verder zijn in Duitsland de laatste jaren verschillende pilots geïnitieerd, waarbij rechters de mogelijkheid hebben om een zaak te verwijzen naar een aparte schikkingsrechter. Deze aparte rechter bekijkt met partijen de schikkingsmogelijkheden in speciaal daarvoor ingerichte, minder formele zaaltjes.
In de Verenigde Staten zijn de verbetervoorstellen hoofdzakelijk gericht op het beproeven van een schikking, in het bijzonder op het voorkomen van dwangschikkingen. Er bestaat inmiddels de nodige rechtspraak over de vraag wanneer er al dan niet sprake is van een dwangschikking en de Code of Conduct of United States Judges verbiedt dwangschikkingen expliciet. Verder zijn er in de literatuur veel voorstellen die betrekking hebben op het voorkomen van dwangschikkingen Ten slotte wordt in de Amerikaanse literatuur ook aandacht besteed aan het geven van goede informatie aan partijen over de zitting en over de communicatie op de zitting (prettige ruimte, verhaal doen, vaardigheden).
Hoofdstuk 10: Een goede zittingsaanpak
In dit hoofdstuk breng ik in kaart wat een goede zittingsaanpak zou kunnen zijn door in totaal zeven (elkaar aanvullende) voorstellen te doen voor de werkwijze van comparitierechters. Ik kwalificeer daarbij een werkwijze als ‘goed’ als die werkwijze waarschijnlijk leidt tot een hogere ervaren (procedurele, interpersoonlijke en/of informatieve) rechtvaardigheid, tot een hoger bereik van wettelijke doelen en/of tot het formuleren van doelen (verwachtingen) door partijen en advocaten die aansluiten bij wat er gaat gebeuren op de zitting, waardoor deze persoonlijke doelen (verwachtingen) waarschijnlijk in hogere mate bereikt worden. Ik toets niet aan andere criteria die relevant zouden kunnen zijn bij het ontwikkelen van een goede zittingsaanpak, zoals snelheid en kosten.
Bij de voorstellen in dit hoofdstuk heb ik mij laten inspireren door de verbeter-voorstellen uit hoofdstuk 9. Ik vermeld bij ieder voorstel welke verbetervoorstellen uit het voorgaande hoofdstuk dat betreft. Ook geef ik bij ieder voorstel in dit hoofdstuk aan, hoe het mogelijk concreet kan worden uitgewerkt in de praktijk.
Ik doe voor ieder aandachtspunt uit hoofdstuk 8 enkele voorstellen, die samen invulling geven aan een goede zittingsaanpak. Ik ga dan ook achtereenvolgens in op voorstellen die betrekking hebben op een betere informatievoorziening rondom de zitting (voorstellen 1 en 2), op een betere communicatie en afstemming ter zitting (voorstellen 3, 4 en 5) en op het verbeteren van het beproeven van een schikking (voorstellen 6 en 7). De voorstellen voor een goede zittingsaanpak vloeien, voor alle duidelijkheid, niet één op één voort uit het empirisch onderzoek, want de daarbij verzamelde data — die waren toegespitst op de huidige zittingspraktijk zijn daar op zichzelf niet toereikend voor.
Concluderende opmerkingen
De zitting is langzamerhand binnen en buiten Nederland een centrale stap in de civiele en andere procedures bij rechtbanken geworden. Er is inmiddels veel onderzoek gedaan naar de vraag wat burgers belangrijk vinden in een procedure, naar de door hen ervaren rechtvaardigheid (verhaal doen, respectvolle behandeling, goede informatie). Uit mijn onderzoek komt naar voren dat partijen en advocaten in het algemeen te spreken zijn over de ervaren rechtvaardigheid tijdens de zitting, maar dat het (ook op het vlak van doelbereik) een stuk beter kan.
Er is nog een aantal elementen dat niet is meegenomen in dit onderzoek en dat het beeld van de zitting nog zou kunnen aanvullen. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan de tevredenheid van partijen over de uitkomst van de procedure en de kosten en tijd die met mijn voorstellen gemoeid zijn.
Ten slotte dient de vraag zich aan hoe de resultaten eruit zouden zien als de procesdeelnemers niet alleen de zitting zouden beoordelen, zoals in dit onderzoek, maar als er gevraagd zou worden naar hun ervaringen met de totale procedure (van dagvaarding tot eindvonnis). Zou dat plaatje er negatiever uitzien? De zitting is uiteindelijk het meest interactieve deel van de procedure en vaak het enige moment waarop partijen direct in contact komen met de rechter.