Procestaal: Bulgaars.
HvJ EU, 15-10-2026, nr. C-591/24
ECLI:EU:C:2026:866
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-10-2026
- Magistraten
M. L. Arastey Sahún, B. Smulders, E. Regan, J. Passer, D. Gratsias
- Zaaknummer
C-591/24
- Roepnaam
Golf Bulgaria
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:866, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑10‑2026
Uitspraak 15‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2010/13/EU — Audiovisuele mediadiensten — Artikel 1, lid 1, onder a), i) — Begrip ‘audiovisuele mediadiensten’ — Artikel 6, lid 1 — Bescherming van de menselijke waardigheid — Nationale regelgeving die uitzendingen verbiedt die in strijd zijn met de goede zeden — Aansprakelijkheid van de dienstverlener — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 11 — Vrijheid van meningsuiting — Artikel 52, lid 1 — Beperking van de in het Handvest van de grondrechten erkende rechten en vrijheden
M. L. Arastey Sahún, B. Smulders, E. Regan, J. Passer, D. Gratsias
Partij(en)
In zaak C-591/24*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 11 september 2024, in de procedure
‘Golf Bulgaria’ EOOD
tegen
Savet za elektronni medii,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, B. Smulders, E. Regan, J. Passer en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Gariazzo, C. Georgieva, P.-J. Loewenthal en G. Meeßen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB 2010, L 95, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 (PB 2018, L 303, blz. 69) (hierna: ‘richtlijn 2010/13’), en van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen ‘Golf Bulgaria’ EOOD, een vennootschap naar Bulgaars recht, en de Savet za elektronni medii (Raad voor elektronische media, Bulgarije) (hierna: ‘SEM’) over de rechtmatigheid van een besluit van laatstgenoemde waarbij aan deze vennootschap een administratieve boete is opgelegd wegens het uitzenden van een video die in strijd is met de goede zeden (hierna: ‘litigieus besluit’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Handvest
3
Artikel 11, lid 1, van het Handvest bepaalt:
‘Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.’
4
Artikel 52, lid 1, van het Handvest luidt als volgt:
‘Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de [Europese] Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
Richtlijn 2010/13
5
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt als volgt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘audiovisuele mediadienst’:
- i)
een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 [VWEU], indien het hoofddoel van de dienst of een losstaand gedeelte daarvan bestaat uit de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33)]; bedoelde audiovisuele mediadiensten zijn hetzij televisie-uitzendingen als gedefinieerd onder e) van dit lid hetzij audiovisuele mediadiensten op aanvraag als gedefinieerd onder g) van dit lid;
- ii)
audiovisuele commerciële communicatie;
[…]
- b)
‘programma’: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama;
[…]
- c)
‘redactionele verantwoordelijkheid': het uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma’s en de organisatie ervan in hetzij een chronologisch schema, in het geval van televisie-uitzendingen, hetzij een catalogus, in het geval van audiovisuele mediadiensten op aanvraag. Redactionele verantwoordelijkheid behelst niet noodzakelijkerwijs een wettelijke aansprakelijkheid voor de inhoud of de aangeboden diensten krachtens het nationale recht;
- d)
‘aanbieder van mediadiensten’: de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd;
[…]
- e)
‘televisieomroep’ of ‘televisie-uitzending’: (d.w.z. een lineaire audiovisuele mediadienst) een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst voor het gelijktijdig bekijken van programma's op basis van een programmaschema;
[…]
- g)
‘audiovisuele mediadienst op aanvraag' (d.w.z. een niet-lineaire audiovisuele mediadienst): een door een aanbieder van mediadiensten aangeboden audiovisuele mediadienst die de gebruiker de mogelijkheid biedt tot het bekijken van programma’s op diens individueel verzoek en op het door hem gekozen moment op basis van een door de aanbieder van mediadiensten geselecteerde programmacatalogus;
[…]’
6
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13 luidt:
‘Het staat de lidstaten vrij om van de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten naleving van meer gedetailleerde of strengere regels te eisen op de gebieden die door deze richtlijn worden gecoördineerd, op voorwaarde dat die regels in overeenstemming zijn met het Unierecht.’
7
Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Onverminderd de verplichting van de lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen en te beschermen, zorgen de lidstaten er met passende middelen voor dat de audiovisuele mediadiensten die door onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van mediadiensten worden aangeboden, niet het volgende omvatten:
- a)
het aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden;
- b)
het publiekelijk uitlokken tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 5 van richtlijn (EU) 2017/541 [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB 2017, L 88, blz. 6)].
- 2.
De voor de toepassing van dit artikel genomen maatregelen zijn nodig en evenredig, eerbiedigen de rechten en leven de beginselen als vastgesteld in het Handvest na.’
8
De artikelen 28 bis en 28 ter van richtlijn 2010/13 bevatten de bepalingen die van toepassing zijn op videoplatformdiensten.
Richtlijn 2018/1972
9
Artikel 2, punt 1, van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB 2018, L 321, blz. 36), dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21 heeft vervangen, luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- 1)
‘elektronischecommunicatienetwerk’: de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie’.
Bulgaars recht
10
Artikel 10, lid 1, van de Zakon za radioto i televisiata (wet inzake radio en televisie) van 23 september 1998 (DV nr. 138 van 24 november 1998), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘ZRT’), bepaalt:
‘Aanbieders van mediadiensten laten zich bij de uitoefening van hun activiteiten leiden door de volgende beginselen:
- 1.
de vrijheid van meningsuiting wordt gewaarborgd;
- 2.
het recht op informatie wordt gewaarborgd;
- 3.
de vertrouwelijkheid van informatiebronnen wordt geëerbiedigd;
- 4.
het privéleven van burgers wordt beschermd;
- 5.
uitzendingen die aanzetten tot intolerantie tussen burgers zijn niet toegestaan;
- 6.
uitzendingen die in strijd zijn met de goede zeden, met name wanneer zij pornografie bevatten, wreedheid of geweld verheerlijken of billijken of aanzetten tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit, zijn niet toegestaan;
- 7.
het recht op weerwoord in programma's wordt gewaarborgd;
- 8.
auteursrechten en naburige rechten op uitzendingen en programma's worden gewaarborgd;
- 9.
de zuiverheid van de Bulgaarse taal wordt beschermd.’
11
Artikel 17, leden 1 en 2, van deze wet bepaalt:
- ‘(1)
Aanbieders van mediadiensten zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de mediadiensten.
- ‘(2)
Aanbieders van mediadiensten mogen geen uitzendingen maken of ter verspreiding aanbieden die in strijd zijn met de in artikel 10 genoemde beginselen, die aanzetten tot nationale, politieke, etnische, religieuze of raciale onverdraagzaamheid of die wreedheid of geweld verheerlijken of billijken.’
12
Artikel 20, leden 1 en 2, van deze wet luidt:
- ‘(1)
De [SEM] is een onafhankelijk gespecialiseerd orgaan dat toezicht houdt op mediadiensten en diensten van videoplatforms in de gevallen en op de wijze zoals bepaald in deze wet.
- ‘(2)
Bij de uitoefening van zijn activiteiten oefent de [SEM] zijn bevoegdheden op onpartijdige en transparante wijze uit, in overeenstemming met de doelstellingen van [richtlijn 2010/13], laat hij zich leiden door het algemeen belang, waarborgt hij de vrijheid van meningsuiting, de onafhankelijkheid van aanbieders van mediadiensten, het pluralisme van de media, de culturele en taalkundige diversiteit, de bescherming van de consument, de toegankelijkheid, non-discriminatie en de goede werking van de interne markt en bevordert hij eerlijke concurrentie.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
Op 5 april 2023 publiceerde Golf Bulgaria, dat op die datum in het openbare register van de SEM was ingeschreven als aanbieder van niet-lineaire mediadiensten, op internet een artikel met de titel ‘Emily Trotinetkata [Emily de Step] spot met een jongen met speciale behoeften’, met daarin een video van het sociale netwerk Facebook. Deze video, die in een winkelcentrum was opgenomen, toonde een jongen met speciale onderwijsbehoeften die zich op handen en voeten voortbewoog en een hond imiteerde, terwijl hij aan de leiband werd gehouden door de persoon die werd voorgesteld als Emily. Zowel zijzelf als andere leden van de groep waartoe zij behoorde droegen hem op ‘te gaan zitten’, ‘een pootje te geven’ of een bekertje te ‘vangen’ dat zij naar hem gooiden. Ze noemden hem ‘brave hond’ en gaven hem een klopje op het hoofd wanneer hij deze bevelen uitvoerde.
14
Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de SEM vastgesteld dat Golf Bulgaria door het publiceren van deze video een administratieve overtreding had begaan, dat wil zeggen dat zij inbreuk had gepleegd op artikel 17, lid 2, van de ZRT, gelezen in samenhang met artikel 10, lid 1, punt 6, daarvan, door een video te verspreiden die in strijd is met de goede zeden.
15
Bij het litigieuze besluit, dat is vastgesteld op 27 juli 2023, heeft de SEM Golf Bulgaria een administratieve boete van 3 000 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 1 534 EUR) opgelegd. Aangezien dit besluit in het kader van een beroepsprocedure werd bevestigd door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), heeft Golf Bulgaria cassatieberoep ingesteld bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter.
16
In het kader van dit beroep voert Golf Bulgaria ten eerste aan dat de beslissing van de Sofiyski rayonen sad onwettig en onjuist is, aangezien deze in strijd is met het materiële recht en de wezenlijke vormvoorschriften niet in acht zijn genomen, ten tweede dat de SEM zijn bevoegdheid om de inhoud van uitzendingen te controleren heeft overschreden door een beslissing te nemen waarbij een administratieve overtreding wordt vastgesteld wegens het verspreiden van een video die in strijd is met de goede zeden, aangezien de uitzending van de video die in het hoofdgeding aan de orde is niet onder het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ valt, en ten derde dat de vaststelling dat deze video in strijd is met de ‘goede zeden’ onvoldoende gemotiveerd is, aangezien deze video een gebeurtenis weergeeft die op een openbare plaats is gefilmd en die reeds op sociale media is verspreid.
17
De SEM verwijst op zijn beurt naar de nationale jurisprudentie met betrekking tot het begrip ‘goede zeden ‘en met name naar een uitspraak van de Konstitutsionen sad (grondwettelijk hof, Bulgarije), waarin is geoordeeld dat de openbare zedelijkheid een gebied vormt waarop de nationale tradities en cultuur boven alles doorslaggevend zijn, dat het verbod op aantasting van de goede zeden verdergaat dan de noodzaak om te voldoen aan eisen inzake goed sociaal gedrag die voortvloeien uit de tradities van een bepaalde samenleving, dat het bijvoorbeeld in het algemeen belang is dat de goede zeden een criterium vormen voor de opvoeding van adolescenten, en dat er derhalve niet in alle gevallen sprake hoeft te zijn van een daadwerkelijke aantasting. Uit deze uitspraak blijkt dat overwegingen inzake de eerbiediging van de goede zeden kunnen worden opgevat als criteria voor goed sociaal gedrag die in de samenleving ter bescherming daarvan zijn vastgelegd, waarbij het voornaamste belang in dit verband het behoud van de morele integriteit van de samenleving is. Voorts stelt de SEM dat het in casu vaststaat dat een persoon met speciale onderwijsbehoeften is vernederd en dat zijn menselijke waardigheid is geschonden. Het recht op vrije meningsuiting is niet onbeperkt en mag niet leiden tot de verspreiding van ‘lasterlijke’ inhoud en ‘cynische en grove handelingen jegens een kwetsbare persoon’. Volgens de SEM leveren aanbieders van mediadiensten bovendien een substantiële bijdrage aan de vorming van de publieke opinie en kan audiovisueel materiaal dat in strijd is met de goede zeden, de nationale tradities en de cultuur, zoals de video die in het hoofdgeding aan de orde is, dus niet worden aanvaard.
18
De verwijzende rechter merkt op dat het begrip ‘goede zeden’ volgens de nationale rechtspraak een algemeen beginsel vormt dat op zichzelf een gedragsregel is en als zodanig, om een geldige regel te vormen, moet worden vastgelegd in een specifieke rechtsnorm die ertoe strekt de sociale verhoudingen te regelen. In dit verband heeft de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) aangegeven dat ‘de inhoud van het begrip ‘goede zeden’ moet worden afgeleid uit objectieve morele categorieën die in de samenleving worden erkend, maar die vanwege hun sociaal-ethische aard niet wettelijk zijn verankerd en in wezen verband houden met het verbod om anderen schade te berokkenen door misbruik te maken van het feit dat zij zich vanwege hun leeftijd, [sociale positie], gezondheid of financiën in een ongunstige situatie bevinden’.
19
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich, gezien de verwijzing naar artikel 4, lid 1, van richtlijn 2010/13 in het verzoek om een prejudiciële beslissing, kennelijk af of de opname in de relevante nationale wetgeving van het verbod om programma's uit te zenden die in strijd zijn met de goede zeden, in vergelijking met de andere in deze richtlijn vastgestelde maatregelen kan worden beschouwd als een meer gedetailleerde of strengere maatregel in de zin van deze bepaling.
20
Bovendien vraagt deze rechter zich af of de verwijzing naar het beginsel van de goede zeden als grondslag voor het opleggen van sancties in geval van schending daarvan al dan niet de in artikel 11 van het Handvest vastgelegde vrijheid van meningsuiting beperkt.
21
In deze omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
‘Is een nationale regeling die een algemeen rechtsbeginsel zoals dat van de ‘goede zeden’ in het nationale recht opneemt en aldus de lidstaat de mogelijkheid biedt om aanvullende maatregelen in te voeren die er onder meer toe strekken op basis van de goede zeden de verantwoordelijkheid voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij in de zin van [richtlijn 2010/13] vast te stellen, toelaatbaar volgens het recht van de Unie en, zo ja, in hoeverre beperkt de toepassing van dit abstracte beginsel als grondslag voor de verantwoordelijkheid bij schending van dit beginsel de in artikel 11 van het [Handvest] bedoelde vrijheid van meningsuiting?’
Procedure bij het Hof
22
Bij beschikking van de president van het Hof van 14 november 2024 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de definitieve uitspraak in de zaken C-555/23 en C-556/23.
23
Na de uitspraak van het arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla (C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484), heeft de president van het Hof op 1 juli 2025 dat arrest ter kennis gebracht van de verwijzende rechter en hem verzocht om hem mee te delen of hij, gelet op dat arrest, het verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
24
Bij brief van 30 juli 2025 heeft deze rechter het Hof meegedeeld dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven. In dit verband heeft hij opgemerkt dat het hoofdgeding, anders dan de zaak die heeft geleid tot bovengenoemd arrest, betrekking heeft op de mogelijkheid om richtlijn 2010/13 uit te voeren door in de nationale rechtsorde een algemeen rechtsbeginsel zoals dat van de ‘goede zeden ‘op te nemen, en op de vraag in hoeverre de toepassing van dat abstracte beginsel als grondslag voor de verantwoordelijkheid bij schending ervan de in artikel 11 van het Handvest bedoelde vrijheid van meningsuiting beperkt.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
25
De Bulgaarse regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Volgens haar is er geen verband tussen de aan het Hof voorgelegde vraag en het voorwerp van het hoofdgeding en is evenmin aangegeven welke specifieke bepalingen van het Unierecht moeten worden uitgelegd om dit geschil te beslechten.
26
Wat met name het aangevoerde ontbrekende verband betreft, voert deze regering aan dat uit de motivering van het prejudiciële verzoek blijkt dat dit betrekking heeft op aanbieders van videoplatforms. In dit verband heeft de verwijzende rechter bij de uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen de artikelen 28 bis en 28 ter van richtlijn 2010/13 aangehaald, die van toepassing zijn op diensten van videoplatforms, terwijl deze artikelen niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Voorts heeft de aan het Hof voorgelegde vraag, zoals deze door de verwijzende rechter is geformuleerd, betrekking op een aanbieder van een ‘dienst van de informatiemaatschappij in de zin van richtlijn 2010/13’ en op de mogelijkheid om deze verantwoordelijk te stellen indien hij de door het nationale recht van een lidstaat opgelegde vereisten niet in acht neemt. Diensten van de informatiemaatschappij vallen echter niet onder deze richtlijn, maar onder richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‘richtlijn inzake elektronische handel’) (PB 2000, L 178, blz. 1) en onder verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB 2022, L 277, blz. 1). Bovendien blijkt uit de in het prejudiciële verzoek uiteengezette feiten dat Golf Bulgaria een aanbieder van niet-lineaire mediadiensten is, wat volgens de Bulgaarse regering iets anders is dan een ‘aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij’.
27
Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader. Het is niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 30 april 2026, Nekilnojamojo turto valdymas, C-544/24, EU:C:2026:356, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing een gedetailleerde beschrijving van de omstandigheden waarin het hoofdgeding zich afspeelt en geeft het de inhoud weer van de nationale bepalingen die volgens de verwijzende rechter van toepassing zijn op dit geding, alsmede van de nationale rechtspraak die door deze rechter eveneens relevant wordt geacht. Voorts blijkt uit de motivering van dit verzoek dat de door deze rechter geuite twijfels betrekking hebben op de verenigbaarheid van de ZRT met richtlijn 2010/13 en artikel 11 van het Handvest, en dat deze twijfels voortvloeien uit het feit dat artikel 17, lid 2, van de ZRT, dat als grondslag heeft gediend voor het opleggen van een sanctie aan Golf Bulgaria wegens de uitzending van de in punt 13 van dit arrest beschreven video, is gebaseerd op een algemeen beginsel van het nationale recht, namelijk het beginsel van de ‘goede zeden’. Bovendien blijkt het verband tussen enerzijds richtlijn 2010/13 en artikel 11 van het Handvest en anderzijds de bepalingen van de ZRT die op het hoofdgeding van toepassing zijn, voldoende uit de gegevens die in het prejudiciële verzoek zijn opgenomen.
29
Zoals de Bulgaarse regering heeft opgemerkt, verwijst de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing zowel naar audiovisuele mediadiensten als naar diensten van videoplatforms, en haalt hij zowel bepalingen van richtlijn 2010/13 betreffende aanbieders van audiovisuele mediadiensten als bepalingen van die richtlijn betreffende aanbieders van dergelijke platforms aan. Bovendien verwijst deze rechter in de formulering van de prejudiciële vraag naar een dienst van de informatiemaatschappij en vermeldt hij in algemene bewoordingen richtlijn 2010/13, zonder aan te geven welke concrete bepalingen van deze richtlijn moeten worden uitgelegd.
30
Om te beginnen moet echter rekening worden gehouden met de volgende punten. Ten eerste blijkt uit de feitelijke toelichting in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat Golf Bulgaria in het openbare register van de SEM was ingeschreven als aanbieder van niet-lineaire mediadiensten. Ten tweede hebben artikel 10, lid 1, punt 6, en artikel 17 van de ZRT, op grond waarvan de SEM heeft vastgesteld dat Golf Bulgaria de inbreuk heeft begaan die met het litigieuze besluit is bestraft, volgens de bewoordingen ervan betrekking op aanbieders van mediadiensten. Ten derde blijkt uit de motivering van het prejudiciële verzoek dat de verwijzende rechter het Hof de eerste van de vijf door Golf Bulgaria voorgestelde prejudiciële vragen heeft willen voorleggen. Deze eerste vraag verwijst expliciet naar ‘aanbieders van niet-lineaire audiovisuele mediadiensten’.
31
Op grond van deze elementen moet dus worden aangenomen dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op een ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van richtlijn 2010/13, ook al wordt in deze vraag de uitdrukking ‘dienst van de informatiemaatschappij’ gebruikt en wordt in het verzoek om een prejudiciële beslissing verwezen naar ‘diensten van videoplatforms’.
32
Voorts betekent het feit dat in de formulering van de aan het Hof gestelde vragen geen concrete Unierechtelijke bepalingen worden genoemd niet dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, mits de in dat verzoek opgenomen elementen het Hof in staat stellen vast te stellen welke bepalingen van het Unierecht moeten worden uitgelegd om de verwijzende rechter in staat te stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding. Dat is in casu het geval, aangezien de motivering van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing het Hof in staat stelt vast te stellen welke bepalingen van richtlijn 2010/13 voor dat doel moeten worden uitgelegd, zoals in de punten 50 tot en met 54 van dit arrest zal worden uiteengezet.
33
Ten slotte heeft het feit dat de verwijzende rechter bij de uiteenzetting van de volgens hem toepasselijke voorschriften bepalingen van het Unierecht aanhaalt die niet relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, geen invloed op de ontvankelijkheid van een verzoek om een prejudiciële beslissing.
34
Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Voorafgaande overwegingen
Over de kwalificatie van de uitzending van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video als ‘audiovisuele mediadienst’ en van verzoekster in het hoofdgeding als ‘aanbieder van mediadiensten’ in de zin van richtlijn 2010/13
35
Zoals blijkt uit de punten 30 en 31 van het onderhavige arrest, moet de door de verwijzende rechter gestelde vraag worden geacht betrekking te hebben op een ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van richtlijn 2010/13 en dus uit te gaan van de premisse dat de uitzending van de video die bij het litigieuze besluit is bestraft, onder dit begrip valt.
36
Zoals in punt 16 van dit arrest is opgemerkt, heeft Golf Bulgaria echter in het kader van het cassatieberoep dat aan de basis ligt van de onderhavige zaak, aangevoerd dat de uitzending van deze video niet onder dat begrip valt.
37
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechterlijke instanties in beginsel aan de nationale rechterlijke instantie staat om te onderzoeken of in de bij haar aanhangige zaak aan de feitelijke voorwaarden voor toepasselijkheid van een Unierechtelijke norm is voldaan en dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing in voorkomend geval preciseringen kan geven teneinde de nationale rechterlijke instantie bij haar uitlegging te leiden (arrest van 26 juni 2025, Makeleio et Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Het staat derhalve aan het Hof om de verwijzende rechter de nodige uitleggingselementen te verstrekken met betrekking tot het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ in de zin van die richtlijn zodat hij kan nagaan of de uitzending van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde video daadwerkelijk onder dit begrip valt en of Golf Bulgaria dus, wat deze uitzending betreft, moet worden beschouwd als een ‘aanbieder van mediadiensten’ in de zin van die richtlijn.
39
In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ volgens de in artikel 1, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2010/13 gegeven definitie ziet op een dienst in de zin van de artikelen 56 en 57 VWEU waarvan het hoofddoel of een losstaand gedeelte daarvan bestaat in de levering van programma's voor het algemene publiek, onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten, ter informatie, vermaak of educatie door middel van elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/21.
40
Voorts ziet het begrip ‘programma’ in de zin van richtlijn 2010/13 volgens de definitie in artikel 1, lid 1, onder b), ervan op ‘een reeks bewegende beelden […] die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt van een door een aanbieder van mediadiensten opgesteld schema of een door een aanbieder van mediadiensten opgestelde catalogus, met inbegrip van bioscoopfilms, videoclips, sportevenementen, komische series, documentaires, kinderprogramma's en origineel drama’.
41
Voorts wordt volgens artikel 1, lid 1, onder d), van richtlijn 2010/13 voor de toepassing van deze richtlijn onder ‘aanbieder van audiovisuele mediadiensten’ verstaan de natuurlijke of rechtspersoon die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud van de audiovisuele mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd.
42
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video is gepubliceerd op een website die artikelen en audiovisuele inhoud aan het publiek ter beschikking stelt.
43
44
Vervolgens kan, eveneens onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, worden aangenomen dat de genoemde video deel uitmaakt van het schema of de catalogus van audiovisuele diensten die worden aangeboden op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde website, zodat deze een ‘programma’ vormt in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van richtlijn 2010/13 (zie naar analogie arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 48), en dat deze audiovisuele diensten dienen ter informatie of vermaak.
45
Bovendien wijst niets in de stukken waarover het Hof beschikt erop dat de dienst waarbij video's ter beschikking worden gesteld op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde website, geen eigen inhoud en functie heeft ten opzichte van andere diensten die eventueel op die website worden aangeboden. Derhalve moet, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, worden aangenomen dat de uitzending van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video plaatsvindt in het kader van een dienst die als hoofddoel heeft om programma's aan het algemene publiek te leveren of waarvan een losstaand gedeelte dat als hoofddoel heeft.
46
Ten slotte volgt uit artikel 1, lid 1, onder a), i), onder c) en d), van richtlijn 2010/13 dat de plaatsing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video op de betreffende website door Golf Bulgaria slechts onder het begrip ‘audiovisuele mediadienst’ kan vallen indien deze vennootschap de ‘redactionele verantwoordelijkheid’ in de zin van deze richtlijn draagt voor de keuze van de audiovisuele inhoud die op die website ter beschikking wordt gesteld.
47
Dat zou met name het geval zijn indien het aan Golf Bulgaria stond om met name te beslissen over het online plaatsen en verwijderen van video's die op de betreffende website worden aangeboden, het tijdschema en de uren waarop de video's via deze website worden verspreid, de periode waarin deze video's voor internetgebruikers toegankelijk zijn, de structuur van de website, de wijze waarop de video's worden gepresenteerd en geselecteerd, het systeem om video's te zoeken en de actualisering van de inhoud van die website (zie naar analogie arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 53).
48
Aangezien het verzoek om een prejudiciële beslissing hierover geen aanwijzingen bevat, is het aan de verwijzende rechter om — met name gelet op de voorwaarden waaronder door gebruikers ingezonden video's op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde website kunnen worden geplaatst — te beoordelen of Golf Bulgaria zich daadwerkelijk het recht voorbehoudt om te beslissen welke video's al dan niet op deze website worden gepubliceerd. Indien uit deze beoordeling blijkt dat de uiteindelijke beslissing over een dergelijke publicatie bij deze vennootschap berust, berust de redactionele verantwoordelijkheid voor de keuze van de audiovisuele inhoud die op deze website aan het publiek ter beschikking wordt gesteld, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video, bij deze vennootschap, zelfs indien de online geplaatste video's door gebruikers zijn gemaakt en verzonden om op deze website te worden geplaatst.
49
Gelet op het bovenstaande moet, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, bij de beantwoording van de door hem gestelde vraag worden uitgaan van de premisse dat de uitzending van de video waarvoor bij het litigieuze besluit een sanctie is opgelegd, een ‘audiovisuele mediadienst’ is in de zin van richtlijn 2010/13, en dat Golf Bulgaria onder het begrip ‘aanbieder van mediadiensten’ in de zin van die richtlijn valt.
De bepaling van richtlijn 2010/13 die relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding
50
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde video toont hoe een persoon met speciale onderwijsbehoeften door een groep personen wordt vernederd. Dit heeft er met name toe geleid dat de SEM deze video in strijd met de ‘goede zeden’ in de zin van het nationale recht heeft geacht, en deze onderneming bijgevolg heeft bestraft voor het uitzenden van een programma dat in strijd is met de goede zeden. Voor de verwijzende rechter heeft de SEM hieraan toegevoegd dat de menselijke waardigheid van deze persoon aldus is geschonden.
51
Er zij aan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 de lidstaten niet alleen verplicht de menselijke waardigheid te eerbiedigen, maar ook om deze te beschermen. Deze verplichting houdt met name in dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om te waarborgen dat de inhoud van de audiovisuele mediadiensten die worden aangeboden door de onder hun bevoegdheid vallende aanbieders, de waarde van de menselijke waardigheid niet aantast (zie in die zin arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 67).
52
Bijgevolg vallen de verplichting om de waarde van de menselijke waardigheid te eerbiedigen en het verbod op het uitzenden van inhoud die deze waarde aantast, onder deze bepaling (arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 73).
53
In een context zoals die van het hoofdgeding, waarin een nationale regeling die verbiedt om inhoud te verspreiden die in strijd is met de goede zeden, als grondslag heeft gediend voor een besluit dat is vastgesteld om een inbreuk op de menselijke waardigheid te bestraffen, kan deze nationale regeling dus onder artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 vallen. Daarentegen kan een dergelijke regeling, voor zover deze slechts dient ter omzetting van de verplichting tot eerbiediging van de menselijke waardigheid en van het verbod om de menselijke waardigheid aan te tasten, die beide zijn neergelegd in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, niet worden geacht ‘meer gedetailleerde’ of ‘strengere’ regels in de zin van artikel 4, lid 1, van die richtlijn te bevatten, en valt zij bijgevolg niet onder laatstgenoemde bepaling (zie in die zin arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 78).
54
Gezien de bijzondere omstandigheden van het hoofdgeding dient de door de verwijzende rechter gestelde vraag derhalve te worden beantwoord in het licht van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13.
De vraag
55
Gelet op de inleidende overwegingen moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van artikel 11 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat op grond van een nationale regeling die op basis van een algemeen rechtsbeginsel van die staat uitzendingen verbiedt die in strijd zijn met de goede zeden, een aanbieder van mediadiensten kan bestraffen voor het uitzenden van een video die de menselijke waardigheid aantast.
56
Ter beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de lidstaten volgens de bewoordingen zelf van artikel 288, derde alinea, VWEU bevoegd zijn om voor de uitvoering van de richtlijnen de vorm en de middelen te kiezen waarmee het door de richtlijnen nagestreefde resultaat het best kan worden bereikt, en dat de omzetting van een richtlijn in nationaal recht blijkens deze bepaling dus niet noodzakelijkerwijs in elke lidstaat een optreden van de wetgever vereist (arrest van 14 februari 2012, Flachglas Torgau, C-204/09, EU:C:2012:71, punt 60).
57
Met name kunnen volgens vaste rechtspraak van het Hof bestaande algemene beginselen of regels de omzetting door aanvullende specifieke wet- of regelgeving overbodig maken, op voorwaarde evenwel dat deze normen daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn garanderen, dat, indien de betrokken bepaling van die richtlijn rechten voor particulieren beoogt te scheppen, de uit deze beginselen voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is, en dat de begunstigden kennis kunnen nemen van al hun rechten en deze zo nodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties [arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg), C-303/20, EU:C:2021:479, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58
In het licht van deze rechtspraak kan worden vastgesteld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 weliswaar — zoals in de punten 51 en 52 van het onderhavige arrest is opgemerkt — de lidstaten verplicht op het gebied van audiovisuele mediadiensten de waarde van de menselijke waardigheid te beschermen door te waarborgen dat inhoud die deze waarde aantast, wordt verboden, maar dat het in beginsel niet uitgesloten is dat deze bepaling in de interne rechtsorde van een lidstaat wordt omgezet op basis van een nationale regeling die overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel van die staat uitzendingen die in strijd zijn met de goede zeden verbiedt, mits de uit deze nationale regeling voortvloeiende rechtssituatie voldoende nauwkeurig en duidelijk is voor aanbieders van mediadiensten om te begrijpen dat onder het begrip ‘uitzending die in strijd is met de goede zeden’ ook de uitzending van een video valt die de waarde van de menselijke waardigheid aantast.
59
Bovendien vereist het rechtszekerheidsbeginsel dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Dit beginsel verlangt met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat zij ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 21 mei 2026, Across Fiduciaria e.a., C-684/24 en C-685/24, EU:C:2026:410, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Voorts geldt dit vereiste van rechtszekerheid met bijzondere strengheid wanneer het gaat om regelgeving die financiële gevolgen kan hebben. Het Hof heeft met name geoordeeld dat sancties — zelfs wanneer het niet gaat om strafsancties — slechts kunnen worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag bestaat (zie in die zin arrest van 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun, C-248/04, EU:C:2006:666, punten 79 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
In dit verband zij eraan herinnerd dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen — zoals vastgelegd in artikel 49, lid 1, van het Handvest, dat van toepassing is op strafrechtelijk gebied (zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C-544/23, EU:C:2025:614, punt 62) — een bijzondere uitdrukking vormt van het algemene beginsel van rechtszekerheid en met name inhoudt dat de wet de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen duidelijk omschrijft, teneinde de voorzienbaarheid van zowel de definitie van het strafbare feit als de strafbepaling te waarborgen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de betrokken nationale rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (arrest van 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C-555/23 en C-556/23, EU:C:2025:484, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit geldt hoe dan ook eveneens voor niet-strafrechtelijke sancties.
62
Het is derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of een aanbieder van mediadiensten op basis van de bewoordingen van de ZRT, in voorkomend geval met behulp van de uitlegging die daaraan wordt gegeven door de Konstitutsionen sad en de Varhoven kasatsionen sad, kan weten of het in deze nationale regeling voorgeschreven verbod op het uitzenden van programma's die in strijd zijn met de goede zeden eveneens van toepassing is op het uitzenden van een video die de menselijke waardigheid aantast.
63
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een nationale regeling met de in punt 55 van dit arrest genoemde kenmerken die voldoet aan de eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid in de zin van de in de punten 57 tot en met 61 van dit arrest uiteengezette rechtspraak, in strijd is met het recht op vrije meningsuiting zoals vastgelegd in artikel 11 van het Handvest, dient te worden opgemerkt dat de in artikel 11 neergelegde rechten en vrijheden geen absolute gelding hebben, maar moeten worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving. Krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest moet echter elke beperking op de uitoefening van de in het Handvest verankerde rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, en moet zij met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen [arrest van 26 februari 2026, Commissie/Hongarije (Recht om op een bepaalde radiofrequentie mediadiensten aan te bieden), C-92/23, EU:C:2026:108, punten 365 en 367 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64
In dat verband bepaalt artikel 1 van het Handvest dat de menselijke waardigheid onschendbaar is. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.
65
Blijkens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) is de menselijke waardigheid in de zin van artikel 1 niet alleen een grondrecht op zich, maar de grondslag zelf van de grondrechten. In dit verband verwijzen deze toelichtingen met name naar de op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De menselijke waardigheid wordt in de preambule daarvan genoemd, met de vermelding dat ‘erkenning van de inherente waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld’. Volgens de toelichtingen bij het Handvest vloeit hieruit voort dat geen van de in dit Handvest vastgelegde rechten mag worden gebruikt om de waardigheid van anderen te schenden en dat de waardigheid van de mens tot het wezen van de in dit Handvest vastgelegde rechten behoort. Hieraan mag dus geen afbreuk worden gedaan, zelfs niet ingeval een recht wordt beperkt [arrest van 21 april 2026, Commissie/Hongarije (Waarden van de Unie), C-769/22, EU:C:2026:326, punt 486].
66
Uit het voorgaande volgt dat een verplichting tot eerbiediging van de goede zeden, voor zover deze een middel vormt om de waarde van de menselijke waardigheid te beschermen door te verbieden om inhoud die deze waarde aantast te verspreiden, zoals artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13 voorschrijft, een legitieme grond oplevert om de vrijheid van meningsuiting te beperken en, gelet op de daaruit voortvloeiende beperking van deze vrijheid, noodzakelijkerwijs een evenredige maatregel vormt in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest.
67
Een nationale regeling die de in punt 55 van dit arrest genoemde kenmerken vertoont en voldoet aan de eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid in de zin van de in de punten 57 tot en met 61 van dit arrest uiteengezette rechtspraak, schendt dus in zoverre het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting niet.
68
Gelet op een en ander dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13, gelezen in het licht van artikel 11 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat op grond van een nationale regeling die op basis van een algemeen rechtsbeginsel van die staat uitzendingen verbiedt die in strijd zijn met de goede zeden, een aanbieder van mediadiensten kan bestraffen voor het uitzenden van een video die de menselijke waardigheid aantast, mits de aanbieders van dergelijke diensten op basis van de bewoordingen van die nationale regeling, zo nodig met behulp van de door de nationale rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kunnen weten dat een dergelijk verbod ook betrekking heeft op uitzendingen die deze waarde aantasten.
Kosten
69
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018, gelezen in het licht van artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat op grond van een nationale regeling die op basis van een algemeen rechtsbeginsel van die staat uitzendingen verbiedt die in strijd zijn met de goede zeden, een aanbieder van mediadiensten kan bestraffen voor het uitzenden van een video die de menselijke waardigheid aantast, mits de aanbieders van dergelijke diensten op basis van de bewoordingen van die nationale regeling, zo nodig met behulp van de door de nationale rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kunnen weten dat een dergelijk verbod ook betrekking heeft op uitzendingen die deze waarde aantasten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑10‑2026