Rb. Rotterdam, 20-09-2021, nr. ROT 20/2217
ECLI:NL:RBROT:2021:9002, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
20-09-2021
- Zaaknummer
ROT 20/2217
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2021:9002, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 20‑09‑2021; (Verzet)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:4868, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:RBROT:2020:9357, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 16‑10‑2020; (Vereenvoudigde behandeling)
Uitspraak 20‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Veelprocedeerder. Het verzet moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat opposant bij het doen van verzet misbruik maakt van recht. De bestuursrechter heeft inmiddels zeer dikwijls geoordeeld dat opposant misbruik maakt van recht bij zijn vele informatieverzoeken aan verweerster, waaronder identieke aanvragen als de onderhavige aanvraag (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:1655). Gelet hierop is thans wederom sprake van misbruik van recht bij de onderhavige herhaalde aanvraag. Nog daargelaten dat het niet mogelijk is beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen nadat op de aanvraag is beslist, getuigt het instellen van rechtsmiddelen – waaronder doen van verzet – in deze zaak evenzeer van misbruik van recht, zodat om die reden het verzet niet-ontvankelijk is (vgl. ECLI:NL:RBROT:2020:9821).
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2217
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van
[Naam], te [Plaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2020 in het geding tussen opposant en Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: verweerster) wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2020 heeft verweerster beslist op het verzoek van opposant van 18 januari 2020 om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet hergebruik van overheidsinformatie.
Opposant heeft op 22 april 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 18 januari 2020.
De rechtbank heeft op 16 oktober 2020 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Overwegingen
1. De verzetrechter doet het verzet af zonder nadere zitting. Ter motivering wijst de verzetrechter naar eerdere uitspraken waarbij opposant partij was (ECLI:NL:RBROT:2020:4163 en ECLI:NL:RBROT:2020:9821).
2. In de bovengenoemde uitspraak is het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant in verzuim was het verschuldigde griffierecht te voldoen (artikel 8:41, zesde lid, van de Awb). In deze uitspraak is overwogen dat het verzoek om ontheffing van de verplichting griffierecht te betalen is afgewezen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor een beroep op betalingsonmacht. Omdat opposant vervolgens niet binnen de aanvullende termijn het griffierecht heeft voldaan is geoordeeld dat het beroep in die zaak kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Het verzet moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat opposant bij het doen van verzet misbruik maakt van recht. De bestuursrechter heeft inmiddels zeer dikwijls geoordeeld dat opposant misbruik maakt van recht bij zijn vele informatieverzoeken aan verweerster, waaronder identieke aanvragen als de onderhavige aanvraag (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2019:1655). Gelet hierop is thans wederom sprake van misbruik van recht bij de onderhavige herhaalde aanvraag. Nog daargelaten dat het niet mogelijk is beroep wegens niet tijdig beslissen in te stellen nadat op de aanvraag is beslist, getuigt het instellen van rechtsmiddelen – waaronder doen van verzet – in deze zaak evenzeer van misbruik van recht, zodat om die reden het verzet niet-ontvankelijk is (vgl. ECLI:NL:RBROT:2020:9821).
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De verzetrechter overweegt in dit verband dat niet wordt toegekomen aan het verzoek van verweerster om opposant te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten in beroep omdat van dergelijke kosten niet is gebleken.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 september 2021.
De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak 16‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Veelprocedeerder. Misbruik van recht en daarom afwijzing BOBOG.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2217
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[Naam], te [Plaats], eiser,
en
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn informatieverzoek van 18 januari 2020.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
2.1
Eiser heeft in zijn beroepschrift verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek bij brief van 7 mei 2020 afgewezen. Bij brief van 10 mei 2020 heeft eiser nogmaals verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Dit verzoek is bij brief van 20 mei 2020 onder verwijzing naar de brief van 7 mei 2020 door de griffier afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek terecht is afgewezen.
2.2
Eiser is bij aangetekende brief van 8 mei 2020 aangemaand het bedrag alsnog binnen vier weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
3. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4. Naar het oordeel van de rechtbank kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid vanA.M.S.J. Baggerman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 oktober 2020.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.