De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/7.4:7.4 De opbouw van het betoog
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/7.4
7.4 De opbouw van het betoog
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369023:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voornoemde evidentie heeft gevolgen voor de opbouw van het betoog: waar men wellicht zou verwachten dat het is opgebouwd uit drie delen — identificatie doel verjaring, identificatie offer verjaring, afweging — zijn er slechts twee; eerst de identificatie van het doel van verjaring en vervolgens het offer dat de verjaring vergt, direct gecombineerd met beantwoording van de vraag naar de rechtvaardiging van verjaring.
Met die gedachten over doel rechtvaardiging van verjaring is uiteraard nog niet gezegd hoe het positieve verjaringsrecht wat mij betreft zou moeten luiden. Ik zal proberen mijn opvatting te verwoorden door het geldend Nederlands recht tot uitgangspunt te nemen en in de becommentariëring daarvan, dus in deel twee van dit boek, tot uiting te brengen hoe wat mij betreft de Nederlandse verjaringsregeling er uit zou moten zien. Die opbouw leek mij verantwoord, omdat mijn mening over het doel en de rechtvaardiging van verjaring in het geldend recht eigenlijk heel redelijk tot uitdrukking komt. De twee dragende concepten van dat recht, de subjectieve en de objectieve termijn, vormen mits juist geïnterpreteerd een vrij adequate vertaling van wat ik hierna zal schrijven over de rechtvaardiging van verjaring. Er is dus geen reden om met een schone lei te willen beginnen; het geldend recht geeft een voldoende structuur om mijn betoog te voeren.
Eerst nu het doel van de verjaring.