Hof 's-Hertogenbosch, 11-11-2025, nr. 200.344.452, 01
ECLI:NL:GHSHE:2025:3257
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
11-11-2025
- Zaaknummer
200.344.452_01
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:3257, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 11‑11‑2025; (Hoger beroep)
Herstelde arrest: ECLI:NL:GHARL:2023:267
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:3821
Na prejudiciële beslissing van: ECLI:NL:HR:2024:743
Uitspraak 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Effectenlease. Aegon Sprintplan. Gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een effectenleaseovereenkomst door tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken. Geen verjaring. Wetenschap Aegon.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.344.452/01
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. G.A.M. Sieben te Eindhoven,
tegen
Aegon Bank N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Aegon,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Haarlem,
als vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:743, waarbij is vernietigd het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:267, in het hoger beroep van het vonnis van 10 november 2020 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:3821, gewezen tussen [appellant] als eiser en Aegon als gedaagde.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8012165)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het verdere geding in hoger beroep na cassatie en verwijzing
2.1
Het verloop van de procedure na de verwijzing door de Hoge Raad blijkt uit:
- -
het oproepingsexploot van 19 juli 2024 met het arrest van de Hoge Raad;
- -
de door [appellant] genomen memorie na verwijzing met producties 1-13;
- -
de door Aegon genomen antwoordmemorie na cassatie en verwijzing.
2.2
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de stukken van de cassatie, het hoger beroep en van de eerste aanleg, met inachtneming van het volgende.
2.3
Voor zover door [appellant] nieuwe producties bij de memorie na verwijzing heeft overgelegd en nieuwe stellingen heeft ingenomen, heeft Aegon daar bezwaar tegen gemaakt. Het hof zal de nieuwe producties buiten beschouwing laten, nu daartegen bezwaar is gemaakt en [appellant] niet heeft toegelicht waarom deze producties niet op een eerder moment in de procedure door hem zijn ingediend terwijl deze producties toen al wel bekend waren (of moeten zijn geweest) bij [appellant] . Het hof zal eventuele nieuwe stellingen buiten beschouwing laten voor zover [appellant] daarmee de in hoger beroep voorgelegde rechtsstrijd uitbreidt of de in hoger beroep voorgelegde grondslag van de eis verandert, hetgeen na verwijzing niet meer is toegestaan.
3. Waar gaat deze zaak over?
In november 2000 heeft [appellant] een effectenleaseproduct genaamd Sprintplan afgesloten via [XX] Sparen (een tussenpersoon) met Aegon. [appellant] heeft maandelijks een bedrag voldaan gedurende vijf jaren. Er is geen restschuld ontstaan. De vraag is of [appellant] indertijd een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en of Aegon op de hoogte was of behoorde te zijn dat [XX] Sparen zonder vergunning heeft geadviseerd, hetgeen niet toegestaan was. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
4. De beoordeling
4.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
4.1.1.
[appellant] heeft in november 2000 een of meerdere gesprekken gevoerd met een medewerker van [XX] Sparen (hierna: [XX] ). Daarbij is gesproken over het afsluiten van een aandelenleaseproduct. [XX] heeft op 21 november 2000 een opdrachtbevestiging gestuurd aan [appellant] , waarin [XX] schrijft:
“Geachte [appellant] ,
Onze hartelijke dank dat wij voor u het SprintPlan mogen verzorgen.
Het aanvraagformulier wordt deze week verzonden naar Spaarbeleg. Uw Sprintplan zal ingaan op 1 januari 2001 met een inleg van f 350,- per maand. (…)”.
4.1.2.
Op 18 november 2000 is namens [appellant] een inschrijfformulier ingevuld, waarbij “ [XX] Sparen” als adviseur staat vermeld. Het inschrijfformulier is toegestuurd aan Spaarbeleg (een handelsnaam van Aegon) en is op 24 november 2000 ontvangen door Spaarbeleg. Op het inschrijfformulier is voorts vermeld:
“Voor de meest actuele rente en voor het kosteloos aanvragen van een prospectus van het Garantiefonds, kunt u contact opnemen met uw adviseur.”.
[XX] beschikte niet over een vergunning als effectenbemiddelaar in de zin van de Wet Toezicht Effectenverkeer (Wte).
4.1.3.
Aegon heeft een welkomstpakket aan [appellant] toegezonden. Van dit welkomstpakket maakte een brochure met de titel Sprintplan deel uit. In de brochure staat vermeld:
“U kunt ook contact opnemen met een van de vele adviseurs waarmee Spaarbeleg samenwerkt. Zij geven u vrijblijvend en deskundig advies.”.
4.1.4.
[appellant] heeft vervolgens op of omstreeks 24 november 2000 het aandelenleaseproduct “Sprintplan Overeenkomst” gesloten met Spaarbeleg. De overeenkomst had een looptijd van 2 januari 2001 tot 2 januari 2006. [appellant] diende elke maand een bedrag van € 158,82 te betalen voor een totaalbedrag van
€ 9.529,20. [appellant] heeft deze bedragen ook voldaan. Er is geen restschuld ontstaan.
4.1.5.
Op 8 juli 2005 heeft [appellant] aan Aegon het volgende geschreven:
“Geachte heer/mevrouw,
Graag wil ik een protest aantekenen tegen mijn SprintPlan-overeenkomst. Toen ik geinformeerd ben, alvorens ik in zee ging met deze overeenkomst is mij verteld dat het met garantie van inleg was, dus dat ik alles wat ik betaalde -al zou het geen rendement opbrengen- weer terug zou krijgen.
Nu blijkt dat ik verkeerd ingelicht ben en dat hiermee bedoeld is dat ik geen restschuld zal over houden.
Tevens ben ik lid geworden van de Vereniging Consument & Geldzaken en ik sluit mij aan bij hun behartiging van mijn belangen met betrekking tot mijn Sprintplan-overeenkomst bij de rechtsprocedure die deze vereniging tegen Spaarbeleg (Aegon Bank N.V.) in werking heeft gezet.
Alle gedane en nog te verrichten betalingen doe ik onder protest, of hebben inmiddels onder protest plaatsgevonden.
Ik behoud mij alle rechten voor met betrekking tot alle rechtshandelingen verricht door Spaarbeleg/ Aegon Bank N.V. en door een door Spaarbeleg aangestelde tussenpersoon (bemiddelaar) terzake van mijn SprintPlan-overeenkomst.
Deze brief dient tevens beschouwd te worden als een stuiting met het oog op een eventuele verjaring van mijn rechtsvordering.”.
4.1.6.
Op 6 oktober 2016 heeft [appellant] nogmaals Aegon aangeschreven waarin hij aanspraak maakt op schadevergoeding. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
“Ondergetekende is met uw instelling een zg. Sprintplan-overeenkomst aangegaan. (…) Het Sprintplan is destijds aan mij geadviseerd door:
[XX] Sparen ( [persoon A] )
(…)
Blijkens onderzoek van de Vereniging Consument & Geldzaken beschikte deze tussenpersoon destijds niet over de vereiste vergunning uit hoofde van de Wet Toezicht Effectenverkeer (Wte) om een Sprintplan aan mij te mogen adviseren.
Bij het aangaan van dit Sprintplan hebben Aegon (Spaarbeleg) en de door Aegon (Spaarbeleg) aangestelde tussenpersoon gehandeld in strijd met de op Aegon (Spaarbeleg) rustende zorgplicht door mij niet of althans volstrekt onvolledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s van dit Sprintplan. Meer in het bijzonder dat ik na ommekomst van de overeenkomst mijn hele inleg kon kwijtraken. Daarmee heeft Aegon (Spaarbeleg) gehandeld in strijd met haar zorgplicht door na te laten bij mij te informeren naar mijn inkomens- en vermogenspositie, beleggingservaring en beleggingsdoelstelling. Met het Sprintplan beoogde ik te sparen om dat geld te gebruiken om een nieuwe woning te bouwen. Beleggingservaring had ik in het geheel niet. Een oogmerk om te beleggen (gezien vorenstaand spaardoel) had ik evenmin. (…)”.
4.1.7.
Aegon heeft daarop gereageerd bij brief van 7 december 2016:
“Geachte heer [appellant] ,
U heeft ons een brief gestuurd over de uitspraak van de Hoge Raad op 2 september 2016. Deze uitspraak gaat over Dexia. Maar volgens u geldt deze uitspraak ook voor uw SprintPlan van Aegon. We hebben uw dossier daarom bekeken. In deze brief leest u er meer over.
De Hoge Raad heeft op 2 september 2016 uitspraak gedaan
Heeft een tussenpersoon een klant advies gegeven bij het afsluiten van een effectenleaseproduct van Dexia? En had deze tussenpersoon geen vergunning om dit advies te geven? En wist Dexia dat? Dan hadden zij die klant moeten weigeren. De Hoge Raad heeft daarom besloten dat deze klanten een compensatie krijgen. Daarvoor moeten deze klanten kunnen aantonen dat ze advies hebben gekregen van een tussenpersoon zonder vergunning. En dat Dexia daarvan wist. Mogelijk geldt deze uitspraak ook voor Aegon.
U moet ons wel een brief hebben gestuurd
U moet wel kunnen aantonen dat u advies kreeg van een tussenpersoon zonder vergunning en dat Aegon daarvan wist. En het is belangrijk dat u ons een brief heeft gestuurd dat u alle rechten wilt behouden. En dat u dat binnen vijf jaar deed na de einddatum van uw Sprintplan en steeds weer binnen vijf jaar daarna.
Uw aanspraak is verjaard
U heeft ons niet op tijd zo’n brief gestuurd. Daarom is uw aanspraak verjaard. Stuurde u wel eerder een brief waarin u alle rechten wilt behouden? Laat het ons dan weten. Dan bekijken we uw dossier opnieuw.
(…)”.
4.1.8.
Partijen hebben nadien nog gecorrespondeerd over vergoeding van de door [appellant] gestelde schade. Aegon heeft aansprakelijkheid afgewezen.
De procedure bij de kantonrechter
4.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [appellant] , kort samengevat, voor recht te verklaren dat Aegon in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en Aegon te veroordelen tot betaling van 100% van de maandelijkse rentebetalingen, totaal
€ 9.529,00, vermeerderd met wettelijke rente over de betalingen vanaf 1 januari 2001 tot op de dag van de uitvoering van het vonnis. Daarnaast is gevorderd om Aegon te veroordelen in de juridische kosten en de proceskosten van [appellant] .
4.2.2.
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen en heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
De procedure in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden
4.2.3.
In hoger beroep vordert [appellant] , verkort en zakelijk weergegeven, dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zijn vorderingen alsnog zullen worden toegewezen, met terugbetaling van al hetgeen [appellant] op basis van het beroepen vonnis aan Aegon heeft voldaan.
4.2.4.
Aegon heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
4.2.5.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De procedure bij de Hoge Raad
4.2.6.
De Hoge Raad heeft op 24 mei 2024 het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar dit hof tot verdere behandeling en beslissing, met veroordeling van Aegon in de proceskosten van de cassatieprocedure. In het arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof bij de beoordeling of sprake is geweest van een
gepersonaliseerde aanbeveling van [XX] aan [appellant] , is uitgegaan van een
te beperkte norm. Het hof had volgens het onderdeel ook moeten onderzoeken of [XX]
het effectenleaseproduct van Aegon aan [appellant] heeft voorgesteld als voor
hem geschikt. Als het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is het oordeel van
het hof onbegrijpelijk omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de
stellingen van [appellant] niet de conclusie rechtvaardigen dat [XX] hem een
persoonlijke aanbeveling heeft gedaan, aldus het onderdeel.
3.2
Van niet-toegestane advisering door een tussenpersoon is sprake als de tussenpersoon,
zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een
afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke
effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de
beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar
ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer
of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de
beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging
van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet (i)
heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer,
(ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het
uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen
effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze
omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat
de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een
aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. [noot 2: Zie o.a. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, rov. 3.2.2.]
3.3
[appellant] heeft aan zijn vorderingen mede ten grondslag gelegd dat [XX] hem heeft geadviseerd zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning. In dit
verband heeft [appellant] bij memorie van grieven onder meer gesteld dat [XX]
bij [appellant] heeft geïnformeerd naar diens financiële omstandigheden en financiële
doelen en dat [XX] aan [appellant] het Spaarbeleg SprintPlan heeft geadviseerd
voor het opbouwen van kapitaal voor de aanschaf van een woning. Ter gelegenheid van de
mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] nog aangevoerd dat dit product
volgens [XX] het beste voor hem was.
3.4
Uit wat hiervoor in 3.2 is overwogen volgt dat van het doen van een gepersonaliseerde
aanbeveling sprake kan zijn als een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor
de desbetreffende afnemer. Daarvoor is niet nodig dat de hiervoor in 3.2 onder (i)-(iii)
bedoelde omstandigheden zijn vastgesteld. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof
heeft beoordeeld of [XX] het effectenleaseproduct SprintPlan heeft voorgesteld als
geschikt voor [appellant] . Als het hof ervan is uitgegaan dat het ook bij die beoordeling
moest toetsen aan de hiervoor in 3.2 onder (i)-(iii) bedoelde omstandigheden, berust het
arrest op een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting,
is zijn oordeel in het licht van de stellingen van [appellant] onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 1 slaagt dus.”
De procedure bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
4.2.7.
Mede gelet op de memorie van verwijzing spitst dit hoger beroep zich toe op de vorderingen van [appellant] , verkort samengevat, voor recht te verklaren dat Aegon in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en Aegon te veroordelen tot betaling van de maandelijkse rentebetalingen, een bedrag van € 9.529,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2001 tot op de dag van de uitvoering van het vonnis, met veroordeling van Aegon in de juridische kosten en de proceskosten van [appellant] .
De omvang van het geding na verwijzing
4.3.
In het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023 heeft het hof geoordeeld dat [appellant] geen beroep toekomt op een verdeling van de geleden schade op basis van het hofmodel en niet hoeft te worden onderzocht of Aegon haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden (rechtsoverwegingen 3.16-3.17). Voorts heeft het hof geoordeeld dat ook als aangenomen wordt dat [XX] als orderremisier is opgetreden, er geen verplichting bestaat tot schadevergoeding van de door [appellant] geleden schade (rechtsoverwegingen 3.18-3.19). Tegen deze oordelen zijn door [appellant] geen cassatieklachten gericht zodat de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden in zoverre onherroepelijk is geworden. Voor zover door [appellant] in de memorie na verwijzing nog opmerkingen zijn gemaakt over [XX] als orderremisier (bijvoorbeeld nr. 45 memorie na verwijzing) kunnen deze in de procedure na verwijzing niet meer aan de orde komen. In het geding na verwijzing kan evenmin meer aan de orde komen of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [appellant] , aangezien het hof Arnhem-Leeuwarden dit standpunt heeft verworpen en hiertegen geen cassatieklacht is gericht.
Geen vergunningplicht
4.4.
Aegon voert aan dat het aanbrengen van cliënten bij Aegon ter zake van het Sprintplan-product niet voldoet aan de definitie van ‘effectenbemiddelaar’ als bedoeld in artikel 1 sub (b) onder (1) Wte. Volgens Aegon heeft zij in haar conclusie van antwoord (hoofdstuk 9) en in de memorie van antwoord (nr. 4.24) aangevoerd dat de overeenkomst geen transactie in effecten behelst en was het aanbrengen van cliënten bij Aegon ter zake van het Sprintplan-product niet vergunningplichtig.
4.5.
Het hof passeert dit verweer. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of sprake is van niet-toegestane advisering door de tussenpersoon. Daarvan is sprake als de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product heeft gedaan. Ook in de visie van Aegon zelf is sprake van een effectenleaseproduct (conclusie van antwoord nr. 1.2). Aegon heeft zich bovendien aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, waarin onder meer is geoordeeld dat ter zake van het Sprintplan-product sprake is van beleggen met geleend geld (conclusie van dupliek nr. 2.2). Vast staat dat [XX] destijds niet beschikte over een vergunning als effectenbemiddelaar in de zin van de Wte.
Verjaring
4.6
Aegon stelt zich op het standpunt dat de vordering van [appellant] is verjaard. Volgens Aegon sluit de vordering van [appellant] niet aan op enige collectieve actie die heeft geresulteerd in een toewijzende uitspraak. Er zijn drie collectieve rechtszaken geweest. In twee van de drie collectieve procedures zijn de vergunningplicht van een adviserende tussenpersoon ingevolge de Wte en de weigeringsplicht van de aanbieder ingevolge de NR 1999 niet aan de orde geweest. De op schending van artikel 41 NR 1999 gestoelde vordering van [appellant] sluit dus niet aan op enige vordering die in de bedoelde twee procedures is toegewezen. De vergunningplicht en de weigeringsplicht zijn wel onderwerp geweest van de derde procedure. Maar de dagvaarding in die procedure dateerde van 7 juli 2016, terwijl de door [appellant] gepretendeerde vordering reeds op 9 juli 2010 was verjaard, namelijk vijf jaar na zijn brief van 8 juli 2005, aldus nog steeds Aegon.
4.7.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in rechtsoverweging 3.8 ten aanzien van de verjaring het volgende overwogen: “Bij de kantonrechter heeft Aegon gesteld dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard. In hoger beroep heeft Aegon geen beroep gedaan op verjaring en heeft het debat tussen partijen zich toegespitst op de vraag of sprake is geweest van wetenschap van verboden advisering. Het hof zal daarom eerst beoordelen of [appellant] een gepersonaliseerd beleggingsadvies van [XX] heeft gekregen en of Aegon dat wist.”.
Voor zover het hof uit deze overweging van het hof Arnhem-Leeuwarden dient te begrijpen dat Aegon haar beroep op verjaring prijs heeft gegeven, kan het beroep op verjaring van Aegon in deze procedure na verwijzing niet meer aan de orde komen. Voor zover het hof Arnhem-Leeuwarden het beroep op verjaring in het midden heeft gelaten, overweegt het hof als volgt.
4.8.
In 2003 zijn twee collectieve acties gestart over het Sprintplan. De eerste procedure is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822. In deze zaak is voor recht verklaard dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld jegens de personen die met Aegon een Sprintplan-overeenkomst hebben gesloten en dientengevolge schade hebben geleden of nog zullen lijden. De tweede procedure, die is gestart door Vereniging Consument & Geldzaken (hierna: VCG), is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:157. In deze zaak is eveneens voor recht verklaard dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld jegens de personen die met Aegon een Sprintplanovereenkomst hebben gesloten en dientengevolge schade hebben geleden of nog zullen lijden. [appellant] is in 2005 lid geworden van de VCG. Zoals het hof Arnhem-Leeuwarden in rechtsoverweging 3.10 heeft overwogen is in de rechtspraak van de Hoge Raad geoordeeld dat er reden is voor afwijking van het hofmodel in de situatie dat een tussenpersoon voorafgaand aan het aangaan van een effectenleaseovereenkomst en zonder vergunning een (beleggings)advies aan de afnemer heeft verstrekt en de effecteninstelling hiervan wist dan wel behoorde te weten. Deze afwijking vindt haar grondslag in een beroep op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, lid 1, slotzin, BW wegens schending van artikel 41 NR 1999, dan wel het materieel daarmee overeenstemmende artikel 25 NR 1999. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de thans ingestelde vorderingen van [appellant] aansluiten op de door VCG in 2003 ingestelde collectieve actie (vgl. HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935). De verjaring van de vordering van [appellant] is daarom gestuit door de collectieve procedure van VCG tegen Aegon.
4.9.
In de antwoordmemorie na verwijzing lijkt Aegon niet meer het standpunt in te nemen dat [appellant] binnen zes maanden na de uitspraak van de Hoge Raad van 29 januari 2016 een nieuwe eis aanhangig had moeten maken, dus vóór 29 juli 2016. Voor zover Aegon dat standpunt wel zou handhaven, kan deze lezing niet als juist worden aanvaard. In dit geval moet worden aangenomen dat, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3:319 lid 1 BW, vanaf de dag na het in kracht van gewijsde gaan van de toewijzende uitspraak in de collectieve actie een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen voor de vorderingen van een individueel belanghebbende die op de collectieve actie aansluiten, zoals de vorderingen van [appellant] , die gelijk is aan de oorspronkelijke verjaringstermijn (vgl. HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1311). [appellant] heeft dan ook met de brief van 6 oktober 2016 zijn vordering tijdig gestuit. Vervolgens heeft [appellant] in 2019 een dagvaarding tegen Aegon uitgebracht, die tot de onderhavige procedure heeft geleid.
Gepersonaliseerde aanbeveling geschikt voor de afnemer
4.10.
[appellant] heeft aan zijn vorderingen mede ten grondslag gelegd dat [XX] hem heeft geadviseerd zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning. In dit verband heeft [appellant] bij memorie van grieven onder meer gesteld dat [XX] bij [appellant] heeft geïnformeerd naar diens financiële omstandigheden en financiële doelen en dat [XX] aan [appellant] het Spaarbeleg SprintPlan heeft geadviseerd voor het opbouwen van kapitaal voor de aanschaf van een woning. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden heeft [appellant] nog aangevoerd dat dit product volgens [XX] het beste voor hem was.
4.11.
Het hof stelt voorop dat het juridisch kader in deze zaak wordt gevormd door de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, en de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880. Deze beslissingen zijn gegeven nadat de memorie van grieven in de onderhavige zaak al was genomen. Dat betekent dat het hof de ingenomen stellingen van [appellant] dient te beoordelen in het licht van dit juridische kader. In de hiervoor vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 9 juni 2023 overwoog de Hoge Raad als volgt:
“3.2.1 Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat de aanbieder in strijd met art. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (oud) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende art. 25 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl de aanbieder wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten. [noot 3: HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (B/Dexia), rov. 5.6.3, 5.7 en 6.2.3; HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935 (T/Dexia), rov. 3.4.4-3.4.5; HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (Dexia/Y), rov. 2.10.21 en 2.8.4-2.8.5.]
3.2.2
Van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon is sprake indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. [noot 4: HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (Dexia/Y), rov. 2.10.13 en 2.10.16.]
3.2.3
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en de aanbieder dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat (i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen, (ii) de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering, (iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon, (iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, (v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad. [noot 5: HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (Dexia/Y), rov. 2.10.15 en 2.10.19.]
4.12.
Voor zover door Aegon in de antwoordmemorie na verwijzing is aangevoerd dat het procesrechtelijk oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in rechtsoverweging 3.15 niet wordt geraakt door het arrest van de Hoge Raad, deelt het hof die opvatting van Aegon niet. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het hof heeft beoordeeld of [XX] het effectenleaseproduct Sprintplan heeft voorgesteld als geschikt voor [appellant] . Dat zal het hof dan ook beoordelen. Anders dan Aegon betoogt, is het hof van oordeel dat hetgeen [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof Arnhem-Leeuwarden naar voren heeft gebracht “Dit product was het beste voor mij, volgens [XX] .”, past binnen de reeds bij de memorie van grieven naar voren gebrachte stellingen van [appellant] dat hij is geadviseerd door [XX] . Dat de stellingen van [appellant] onverenigbaar zijn met de stellingen die hij in eerste aanleg heeft ingenomen, waarbij Aegon verwijst naar de brief van [appellant] van 6 oktober 2016 (rechtsoverweging 4.1.6), volgt het hof niet. In de brief van 6 oktober 2016 begint [appellant] immers met “Blijkens onderzoek (…) beschikte deze tussenpersoon [hof: [XX] ] destijds niet over de vereiste vergunning uit hoofde van de Wet Toezicht Effectenverkeer (Wte) een Sprintplan aan mij te mogen adviseren.” terwijl [appellant] in de dagvaarding heeft aangevoerd dat [XX] [appellant] heeft geadviseerd om Sprintplan te kopen. Het hof oordeelt dat [appellant] met hetgeen door [appellant] naar voren is gebracht (vgl. rechtsoverweging 4.10) voldoende onderbouwd heeft gesteld dat [XX] het effectenleaseproduct SprintPlan heeft voorgesteld als geschikt voor [appellant] en aldus een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan. Dit is door Aegon onvoldoende gemotiveerd betwist. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor 4.11 weergegeven arrest onder 3.2.3 heeft overwogen, is, nu het hof tot het oordeel komt dat sprake is geweest van niet-toegestaan advies, dan niet meer van belang bijvoorbeeld de omstandigheid of de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon (sub iii). Voor zover door Aegon in de antwoordmemorie na verwijzing opmerkingen zijn gemaakt over dergelijke omstandigheden behoeven deze geen bespreking.
Wetenschap Aegon
4.13.
Het hof stelt het volgende voorop. Aegon heeft als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellant] een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en Aegon hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn (vgl. HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (B/Dexia), rov. 5.6.1; HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (Dexia/Y), rov. 2.8.2.). Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Aegon met de advisering van [appellant] door [XX] is daarvoor dus niet vereist (vgl. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882).
4.14.
[appellant] heeft het volgende naar voren gebracht over de wetenschap van Aegon. Aegon was er van op de hoogte dat [XX] niet slechts optrad als cliëntenremisier, maar ook als beleggingsadviseur. [appellant] wijst erop dat [XX] zichzelf in 2000 aanprees op zijn website als “Dé financiële architecten voor u (…) met als specialisatie “beleggen op maat”. [XX] is een assurantietussenpersoon aan wie Aegon de advisering over allerlei financiële producten per definitie heeft uitbesteed. [XX] heeft zich in alle communicatie voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst, maar ook daarna, gepresenteerd als adviseur richting [appellant] , terwijl Aegon verwees naar [XX] in haar communicatie. [XX] kreeg geen aanbrengprovisie, maar streek pas contractprovisie op na de ingangsdatum van de overeenkomst. Voorts heeft [appellant] gewezen op de uitlatingen van [XX] in de vakpers, terwijl Aegon geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat Aegon richting [XX] (schriftelijk) heeft gecommuniceerd dat een cliëntenremisier de klant niet mag adviseren over effectentransacties. In de memorie na verwijzing voert [appellant] aan dat het op de weg van Aegon gelegen had om op dit punt controle uit te oefenen, te meer omdat [XX] ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang had bij de totstandkoming van de overeenkomst.
4.15.
Voor zover door Aegon in de antwoordmemorie na verwijzing is aangevoerd dat de stellingen van [appellant] tardief zijn, gaat het hof daaraan voorbij. Door [appellant] is weliswaar niet eerder aangevoerd dat het op de weg van Aegon had gelegen om controle uit te oefenen op [XX] of deze niet tevens verboden advies uitbracht, maar dit kan worden beschouwd als een uitwerking van de eerder ingenomen stelling dat Aegon op de hoogte behoorde te zijn dat [XX] tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning. De discussie tussen partijen heeft zich tot aan de beslissing van de Hoge Raad steeds (voornamelijk) toegespitst op de vraag of sprake is geweest van (een niet-toegestaan) advies door [XX] bij de totstandkoming van de overeenkomst. Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 4.12 geoordeeld dat [XX] het effectenleaseproduct SprintPlan heeft voorgesteld als geschikt voor [appellant] en aldus een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan. In deze procedure is dus komen vast te staan dat [appellant] bij het aangaan van de Sprintplan-overeenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning.
4.16.
Aegon heeft ter betwisting van de door [appellant] gestelde wetenschap van Aegon naar voren gebracht dat zij met alle betrokken tussenpersonen had afgesproken dat zij zich aan de wet zouden houden. Aegon was niet betrokken bij de communicatie tussen [XX] en [appellant] en kan dus niet weten wat er tussen de tussenpersoon en [appellant] is besproken; Aegon ontving enkel het inschrijfformulier. De wil van Aegon is altijd erop gericht geweest dat de partijen waarmee zij samenwerkt zich houden aan de wet of toepasselijke regelgeving. Er was geen aanleiding voor Aegon om te veronderstellen dat [XX] zijn vrijstelling zou overschrijden, aldus nog steeds Aegon.
4.17.
Het hof oordeelt als volgt. Het is de eigen keuze geweest van Aegon om samen te werken met de tussenpersoon [XX] en deze een Sprintplan-overeenkomst te laten aanbieden aan [appellant] . Aegon is bekend geweest, althans had bekend behoren te zijn met het feit dat deze tussenpersoon in 2000 ook als beleggingsadviseur optrad. Aegon heeft weliswaar betwist dat [XX] volgens zijn website zichzelf in 2000 aanprees als “dé financiële architect met als specialisatie “beleggen op maat”, maar Aegon heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat [XX] in 2000 ook optrad als beleggingsadviseur. Vast staat dat [XX] in die tijd niet beschikte over een vergunning als effectenbemiddelaar in de zin van de Wte (rechtsoverweging 4.1.2). Dat Aegon met al haar tussenpersonen had afgesproken dat zij zich aan de wet zouden houden en dus, zo begrijpt het hof, geen advies mochten geven, heeft Aegon niet met verklaringen of schriftelijke stukken onderbouwd. Dat Aegon deze afspraak ook met [XX] heeft gemaakt, wordt bovendien weersproken door de uitlatingen van [XX] in de vakpers, waarin de medewerker van [XX] verklaart “In die tijd [hof: eind jaren negentig en begin deze eeuw] werd een aanstelling geregeld op basis van je inschrijvingen die je had. Over een extra vergunning is mij niets bekend. Er werd niet over gesproken bij de aanstelling.” Dat de wil van Aegon er altijd op gericht is geweest om te werken met tussenpersonen die zich houden aan de wet of toepasselijke regelgeving en dat Aegon geen aanleiding had om te veronderstellen dat [XX] zijn vrijstelling zou overschrijden, is in dit verband onvoldoende. Aegon had als aanbieder van het effectenleaseproduct en als professionele effecteninstelling zich ervan moeten vergewissen en moeten waarborgen dat geen verboden diensten door de tussenpersoon werden verleend. Het had op de weg van Aegon gelegen, nu zij [XX] als tussenpersoon liet fungeren teneinde Sprintplan-overeenkomsten te verkopen, terwijl bij haar bovendien bekend had kunnen zijn dat [XX] ook als beleggingsadviseur optrad én [XX] een financieel belang had bij de totstandkoming van de overeenkomst in de vorm van contractprovisie, na te gaan of [XX] niet toegestaan advies aan [appellant] had gegeven. Door dat niet te doen, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Aegon en kan het Aegon worden toegerekend dat zij [appellant] als klant heeft geaccepteerd, terwijl dat niet mocht omdat de vergunning ontbrak. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat Aegon als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld nu voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellant] [XX] tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en Aegon hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Het contracteren in weerwil van een het wettelijk verbod moet Aegon bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. In dit geval eist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van Aegon geheel in stand blijft (vgl. HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, rechtsoverwegingen 3.4.4-3.4.5 en 3.6.4).
Slotsom
4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. Nu wat verder nog is aangevoerd geen concrete feiten bevat die anders doen beslissen, zal het hof de uitspraak van de kantonrechter vernietigen. [appellant] heeft gevorderd te verklaren voor recht dat Aegon in strijd met art. 41 NR 1999 heeft gehandeld en gevorderd dat Aegon zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.529,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2001. Niet in geschil is dat [appellant] met ingang van 2 januari 2001 elke maand een (termijn)bedrag van € 158,82 heeft betaald aan Aegon, tot een totaalbedrag van € 9.529,20 (vgl. rechtsoverweging 4.1.4). Het hof zal gelet daarop dan ook bepalen dat Aegon verplicht is de wettelijke rente te vergoeden over ieder (termijn)bedrag van € 158,82 met ingang van de datum waarop dit (maandelijkse) bedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst van 2 januari 2001 tot 2 januari 2006 telkens door [appellant] aan Aegon is betaald tot de dag van algehele voldoening.
4.19.
Aegon geldt als de in het ongelijk gestelde partij in deze procedure en zij zal daarom in de kosten van eerste aanleg en in de kosten van hoger beroep (zowel de kosten gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als de kosten na verwijzing) worden veroordeeld. Deze kosten bedragen in eerste aanleg:
- dagvaardingskosten € 98,01
- griffierecht € 486,-
- kosten salaris advocaat € 720,- (2 punten x tarief € 360,-)
Totaal € 1.304,01
In hoger beroep bedragen de kosten voor de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
- dagvaardingskosten € 109,40
- griffierecht € 338,-
- kosten salaris advocaat € 2.228,- (2 punten x Tarief II)
Totaal € 2.675,40
De kosten na verwijzing bedragen:
- oproepingskosten € 139,42
- salaris advocaat € 1.214,- (1 punt x Tarief II)
- nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 1.531,42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen, zoals in de beslissing hierna zal worden vermeld. Het hof zal de door [appellant] gevorderde terugbetaling van alles wat ter uitvoering van het beroepen vonnis is betaald, toewijzen en ook de uitvoerbaarheid bij voorraad uitspreken, zoals gevorderd.
5. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 10 november 2020;
verklaart voor recht dat Aegon in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999;
veroordeelt Aegon tot betaling van een bedrag van € 9.529,-;
veroordeelt Aegon tot betaling van de wettelijke rente over ieder (termijn)bedrag van
€ 158,82 met ingang van de datum waarop dit (maandelijkse) bedrag gedurende de looptijd van de overeenkomst van 2 januari 2001 tot 2 januari 2006 telkens door [appellant] aan Aegon is betaald, tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Aegon tot (terug)betaling van al hetgeen [appellant] uit hoofde van het beroepen vonnis aan Aegon heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Aegon aan [appellant] te betalen de proceskosten van eerste aanleg begroot op € 1.304,01, en te betalen de proceskosten van het hoger beroep en de verwijzing (in totaal) tot op heden begroot op € 4.206,82 binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als Aegon niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening;
veroordeelt Aegon tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zijn voldaan;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, M.G.W.M. Stienissen en G.M. Menon en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.
griffier rolraadsheer