GHvJ, 28-07-2020, nr. SXM201600345, nr. SXM2017H00061
ECLI:NL:OGHACMB:2023:189
- Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
28-07-2020
- Zaaknummer
SXM201600345
SXM2017H00061
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGHACMB:2023:189, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 18‑10‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:OGHACMB:2020:191, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28‑07‑2020; (Hoger beroep)
Uitspraak 18‑10‑2023
Inhoudsindicatie
ruiling grond, eindvonnis.
Partij(en)
Burgerlijke zaken over 2023 Vonnis no.:
Registratienummers: SXM201600345 - SXM2017H00061
Uitspraak: 18 oktober 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap TESI N.V.
2. de naamloze vennootschap
CARIBBEAN BEACH RESORT DEVELOPMENT N.V.,
3. de naamloze vennootschap PORT DE PLAISANCE MEDICAL CENTER N.V.,
4. de naamloze vennootschap
PORT DE PLAISANCE HOTEL MANAGEMENT N.V.,
alle gevestigd in Sint Maarten,
hierna gezamenlijk te noemen: Tesi c.s.,
oorspronkelijk eiseressen, thans appellanten,
gemachtigde: voorheen mr. W.J. Nelissen, thans mr. M.O. Kortenoever,
met als gevoegde partij:
[naam],
wonende in Sint Maarten,
hierna te noemen: [naam],
gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,
tegen
de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,
zetelend in Sint Maarten,
hierna te noemen: het Land,
oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en A.A. Kraaijeveld.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het Hof verwijst naar zijn eerdere vonnissen van 28 juli 2020 en 2 september 2022.
1.2.
Op 28 oktober 2022 hebben Tesi c.s., [naam] en het Land elk een akte genomen.
1.3.
Op 10 maart 2023 hebben Tesi c.s., [naam] en het Land elk een antwoordakte genomen.
1.4.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
2.1
Het Hof gaat uit van de feiten die onder 3.1-3.13 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld. Weliswaar is grief 1 van Tesi c.s. tegen de feitenvaststelling gericht, maar Tesi c.s. hebben onvoldoende gespecificeerd en geconcretiseerd welke van de door het Gerecht vastgestelde feiten zij in hoger beroep betwisten. Voor zover het Gerecht onbetwiste stellingen van Tesi c.s. onvermeld heeft gelaten, betreft het stellingen die in hoger beroep niet tot een andere beslissing over de vorderingen leiden dan het Hof hierna zal geven. Het Hof verenigt zich ook met de wijze waarop het Gerecht onder 2 van het bestreden vonnis de zaak heeft omschreven.
2.2.
Zeer kort samengevat gaat het om het volgende. Bij besluit van 18 november 2015 heeft [naam] in zijn toenmalige hoedanigheid van (demissionair) minister van VROMI van Sint Maarten besloten bepaalde percelen grond in Sint Maarten in erfpacht uit te geven aan Tesi c.s., in het kader van een grondruil waarmee hij had ingestemd. Bij brief van 16 december 2015 heeft de opvolgend minister zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 18 november 2015 van zijn ambtsvoorganger [naam] nietig is. De (civielrechtelijke) uitgifte in erfpacht is niet tot stand gekomen bij gebrek aan medewerking van het Land.
2.3
Tesi c.s. hebben, verkort weergegeven, op grond van nakoming gevorderd dat het Land alsnog meewerkt aan de uitgifte in erfpacht. Het Gerecht heeft de vorderingen afgewezen op grond van zijn oordeel dat de opvolgend minister terecht de nietigheid van de grondruil heeft ingeroepen.
2.4
In het hoger beroep van Tesi c.s. heeft het Hof bij tussenvonnis van 28 juli 2020 [naam] toegelaten zich te voegen aan de zijde van Tesi c.s. Bij tussenvonnis van 2 september 2022 heeft het Hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over twee kwesties, in verband met het verweer van het Land dat [naam] niet bevoegd was de grondruil aan te gaan.
Kwestie I (ruiling)
2.5.
De LANDSVERORDENING op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten luidt, voor zover hier van belang:
HOOFDSTUK I
Uitgifte in erfpacht
Artikel 1
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur, hierna te noemen: de minister, is bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.
Artikel 2
De uitgifte van grond in erfpacht geschiedt:
a.
onder de algemene voorwaarden vervat in de artikelen 5 tot en met 25 en de bijzondere voorwaarden door de minister in elk afzonderlijk geval te stellen;
b.
tegen een canon, bedragende 8% per jaar van de door de minister vastgestelde grondwaarde;
c.
voor een tijdvak van niet langer dan 60 jaren;
d.
bij notariële akte.
(…)
HOOFDSTUK III
Vervreemding
Artikel 27
1.Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel wordt bij landsverordening besloten tot het vervreemden van gebouwde en ongebouwde eigendommen van Sint Maarten, voor zover de minister daartoe niet is gemachtigd.
2.De minister is bevoegd tot verkoop van gronden voor zover het percelen betreft, die geen zelfstandig bouwperceel vormen en een oppervlakte van 500 m² niet te boven gaan, noch ook met andere door landsorganen verkochte percelen een zelfstandig bouwperceel vormen of een oppervlakte van 500 m² te boven gaan.
3.Vervreemding van gronden door middel van ruiling kan geschieden bij besluit van de minister, indien de waardeverhouding van de te ruilen gronden als gelijkwaardig kan worden aangemerkt en de leggerwaarde van de te vervreemden gronden niet meer dan NAf 3.000,- bedraagt.
2.6.
Ruil of ruiling (dit is de term uit het oud BW) is een wederkerige overeenkomst. Artikel 6:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt:
Artikel 261
1. Een overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt.
2. De bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet verzet.
2.7.
In het onderhavige geval verplichtte het Land zich tot vestiging van erfpacht ten behoeve van Tesi op een aan het Land in eigendom behorend stuk grond en verplichtte Tesi zich daartegenover eigendom van een stuk grond, dat haar toebehoorde, over te dragen aan het Land.
2.8.
De prestaties waartoe de partijen zich over en weer jegens elkaar verbinden, zijn van elkaar afhankelijk gesteld. Tesi c.s. en [naam] beschouwen in hun akten en antwoordakten de verplichting van het Land tot erfpachtuitgifte ten onrechte geïsoleerd. Er was geen sprake van een reguliere erfpachtuitgifte als bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten (‘de minister, is bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van dit hoofdstuk’), maar van erfpachtuitgifte ter nakoming van een ruiling als bedoeld in artikel 27 lid 3 van deze landsverordening.
2.9.
Het begrip ‘ruiling’ in artikel 27 lid 3 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten heeft dezelfde betekenis als ‘ruil’ in het huidige artikel 7:49 BW. De artikelen 7:49 en 7:50 BW luiden:
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt.
2.10.
Voorts bepaalt de koopbepaling artikel 7:47 BW:
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht betrekking hebben. In dat geval zijn de vorige afdelingen van toepassing, voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht.
2.11.
De toepasselijkheidsverklaring in artikel 7:47 BW ziet volgens de tekst slechts op de voorafgaande artikelen van Titel 7.1 BW, en daarmee niet op Afdeling 7.1.12 BW (Ruil). Op een ruilovereenkomst waarbij een vermogensrecht (zoals een erfpachtsrecht) is betrokken zijn de koopbepalingen evenzeer – nu via een dubbele analogie – toepasselijk, voor zover dat althans in overeenstemming is met de aard van het in ruil gegeven recht. De in artikel 7:47 BW vervatte begrenzing brengt strikt genomen mee dat bij een dergelijke ruilovereenkomst twee typen analogie aan de orde zijn: een wettelijke voor het ruilaspect (artikel 7:50 BW), gecombineerd met een rechterlijke voor het niet-zaak-aspect.
2.12. ‘
‘Vervreemding’ en ‘vervreemden’ in het opschrift van Hoofdstuk III en in artikel 27 leden 1 en 3 van de Landsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan Sint Maarten omvatten, behalve de overdracht van een goed, onder meer de vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed (vergelijk artikel 3:98 BW). ‘Vervreemding van grond door middel van ruiling’ als bedoeld in artikel 27 lid 3 kan dus geschieden door de vestiging van erfpacht (zijnde een vermogensrecht). Ook in dat geval is Hoofdstuk III van toepassing (en niet alleen artikel 1 uit Hoofdstuk I)
2.13.
Het staat echter vast dat de leggerwaarde van de te vervreemden gronden meer dan NAf 3.000,- bedraagt zodat in dit geval artikel 27 lid 3 toepassing mist. Dit betekent dat ingevolge artikel 27 lid 1 voor de ruil een landsverordening is vereist. [naam] was niet tot ruil bevoegd, ook niet indien hij de instemming van overige ministers of de ministerraad had (wat het Land betwist). Het hierop gerichte verweer van het Land slaagt. Gelet hierop zijn de vorderingen van Tesi c.s. terecht afgewezen.
Kwestie II (ruiling en de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten)
2.14.
Deze kwestie hoeft vanwege het voorgaande niet te worden behandeld.
Afscheidsbeleid
2.15.
De vraag of sprake was van ‘afscheidsbeleid’ in de zin van GHvJ 1 maart 2002, NJ 2002/376, hoeft evenmin te worden behandeld (zie vonnis van 2 september 2022, rov. 2.1).
Uitkomst
2.16.
Het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Tesi c.s. en [naam] dienen de kosten van het hoger beroep te dragen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
- bevestigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt Tesi c.s. en [naam] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op NAf 14.000,- aan gemachtigdensalaris in de hoofdzaak en NAf 7.000,- aan gemachtigdensalaris in het incident, en NAf 337,50 aan verschotten, alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente indien niet voldaan binnen veertien dagen na dit vonnis;
- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, C.J.H.G. Bronzwaer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 28‑07‑2020
Inhoudsindicatie
incident tussenkomst – voeging – afscheidsbeleid – belang – naam en integriteit minister
Partij(en)
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Vonnis in het incident ex artikel 214 Rv in de zaak:
[Eiser tot tussenkomst],
wonende in Sint Maarten,
eiser tot tussenkomst,
hierna: [Eiser],
gemachtigde: mr. P. Brandon,
die wenst tussen te komen in de zaak van:
de naamloze vennootschap TESI N.V.
de naamloze vennootschap CARIBBEAN BEACH RESORT DEVELOPMENT N.V.,
de naamloze vennootschap PORT DE PLAISANCE MEDICAL CENTER N.V.,
de naamloze vennootschap PORT DE PLAISANCE HOTEL MANAGEMENT N.V.,
allen gevestigd in Sint Maarten,
hierna gezamenlijk te noemen: Tesi c.s.,
oorspronkelijk eisers, thans appellanten,
gemachtigde: mr W.J. Nelissen,
tegen
de openbare rechtspersoon Het LAND SINT MAARTEN,
zetelend in Sint Maarten,
hierna te noemen: het Land,
oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en A.A. Kraaijeveld.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Bij akte van appel van 11 juli 2017 zijn Tesi c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 31 mei 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder het Gerecht).
1.2.
Bij op 22 augustus 2017 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben Tesi c.s. vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:A. De overeenkomst tot grondruil tussen partijen onverkort zal doen nakomen door aan Tesi het recht van erfpacht op de grond omschreven in de memorie van grieven te verlenen onder de in het uitgiftebesluit en de conceptakte overeengekomen voorwaarden en bepalingen.B. Het Land zal gebieden om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de notariële akte van erfpachtverlening te passeren. Indien het Land haar medewerking niet onmiddellijk verleent dit vonnis in plaats zal treden van de door het Land te verlenen medewerking en de Princess Group zal machtigen een afschrift van het vonnis te doen inschrijven in de openbare registers.C. Het Land zal veroordelen om het hierboven gevorderde onder A na te komen op straffe van een aan de Princess Group te verbeuren dwangsom van US$ 10.000,- per dag ingaande op de dag van betekening van dit vonnis aan het Land, in het geval het Land in gebreke zal blijven met de naleving.
D. Het Land zal veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.
1.3.
Bij memorie van antwoord heeft het Land de grieven bestreden, De conclusie van het Land strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, althans Tesi c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans de vorderingen zal afwijzen en het gelegde beslag van appellanten van 27 januari 2016 op het perceel op zal heffen onder veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad van Tesi c.s. in de kosten van de procedure. Met de bepaling dat daarover binnen veertien dagen termijnrente verschuldigd zal zijn.
1.4.
Op voor het Hof onbekende datum heeft [Eiser] een verzoek tot tussenkomst gedaan en geconcludeerd dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal vernietigen, met in achtneming van deze conclusie van tussenkomst.
1.5.
Op 17 mei 2019 heeft het Land een memorie van antwoord in het incident tot tussenkomst ingediend.
1.6.
Op 26 juni 2020 hebben Tesi c.s. een antwoord in het incident ingediend.
1.7.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
2.1.
In het door Tesi c.s. in hoger beroep bestreden vonnis heeft het Gerecht ten aanzien van een door de minister van VROMI toegezegde grondruil en besluit tot erfpachtuitgifte geoordeeld dat sprake is van ‘afscheidsbeleid’ (bedoeld in het vonnis van het Hof van 1 maart 2002, NJ 2002/376, Court-Yard/Eilandgebied Sint Maarten).
2.2.
Het Gerecht overwoog:
5.5.
Het Gerecht overweegt als volgt. Uit de vaststaande feiten volgt dat de brief d.d. 18 november 2015 van Minister Connor is geschreven nadat hij kennis had van het negatieve ambtelijke advies d.d. 14 augustus 2015. Ook zal Minister Connor kennis hebben genomen van de aangenomen motie d.d. 28 oktober 2015 waarin het Kabinet wordt opgeroepen de grondruil niet door te zetten, althans mag het Gerecht ervan uitgaan dat een Minister goed weet welke moties op zijn beleidsterrein de Staten hebben aangenomen. Desalniettemin heeft Minister Connor de brief d.d. 18 november 2015 aan [de 1234 Group] doen uitgaan. Hiermee is naar het oordeel van het Gerecht gegeven dat sprake van afscheidsbeleid in de zin van de Court-Yard/Eilandgebied Sint Maarten-jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof. De motie van de meerderheid van de Staten maakt duidelijk dat het maar zeer de vraag was of een toekomstige Minister van VROMI zou instemmen met de grondruil. Dat behoort voor een demissionair Minister, in ordentelijke staatsrechtelijke verhoudingen, reden genoeg te zijn om zich te onthouden van het schrijven van de brief d.d. 18 november 2015 waarin hij tracht het Land definitief te binden aan een grondruil. Het Gerecht begrijpt niet hoe Minister Connor in deze brief kan schrijven “On behalf of the people of St Maarten”. De Staten zijn immers democratisch verkozen door het Sint Maartense volk en de Statenleden waren in meerderheid tegen de grondruil.
5.6.
Aan dit oordeel doet niet af dat dwingendrechtelijke bepalingen niet zouden zijn geschonden zoals [de 1234 Group] aanvoert. Het schenden van voormelde staatsrechtelijke normen, met name de instructie van de meerderheid van de Staten aan het demissionaire Kabinet, acht het Gerecht van zwaarwegender belang dan dit argument. Met het Land is het Gerecht van oordeel dat het hier gaat om schaarse openbare goederen waarover de politieke besluitvorming openbaar en transparant dient te zijn. Evenmin acht het Gerecht van belang dat de grondruil in het (met name) financiële belang van Sint Maarten is, zoals [de 1234 Group] stelt. Terecht stelt het Land dat vraagtekens kunnen worden gesteld bij de financiële gegoedheid van [de 1234 Group] waar zij (onbetwist) vele jaren lang niet heeft voldaan aan haar verplichting de erfpachtscanon aan het Land te betalen voor percelen die zij reeds in erfpacht had in het Kim Sha Beach-gebied. Het Gerecht is het eens met het Land dat het niet uitsluitend moet kijken naar zijn financiële belang maar ook naar andere (lands)belangen. Tot slot is het Gerecht van oordeel dat het niet relevant is of [de 1234 Group] al dan niet wist of de Minister in strijd handelde met het ambtelijke advies en de motie die door de Staten was aangenomen. Er is sprake van een zo fundamentele inbreuk op de beginselen van rechtsorde en deugdelijk bestuur dat de nieuwe Minister terecht de nietigheid van de grondruil heeft ingeroepen.
2.3. [
[Eiser], de desbetreffende minister van VROMI, acht deze overwegingen onjuist. Volgens hem was geen sprake van ‘afscheidsbeleid’ en zijn de overwegingen een ongerechtvaardigde aanval op zijn naam en integriteit.
2.4. [
[Eiser] vordert in het geding tussen Tesi c.s. en het Land te mogen tussenkomen. Artikel 214 Rv (ingevolge artikel 280 Rv ook in hoger beroep van toepassing) luidt:
Een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, is bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.
2.5.
In HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, FIAR/Thuiskopie, r.o. 4.1.2, is als maatstaf voor toelating als tussenkomende partij geformuleerd of de partij die tussenkomst vordert, voldoende belang heeft om zich met een vordering te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die van de uitspraak daarin kan ondervinden. Dat belang kan volgens het arrest erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak heeft, benadeling of verlies van een recht dreigt dan wel de positie van de tussenkomende partij anderszins kan worden benadeeld. Aannemelijk is, gelet op de verduidelijking die in HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295, Alstom/ABB, rov. 3.2 (zie ook HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1788, NJ 2019/450, Zorginstituut/Staat en Biogen, rov. 2.3) is gegeven voor voeging, ook voor tussenkomst geldt dat onder nadelige gevolgen in dit verband zijn te verstaan: de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in de procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de tussenkomst vordert.
2.6.
Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot voeging of tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan, hetgeen onder meer mogelijk is indien toewijzing tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden.
2.7.
Van tussenkomst is sprake als de derde zich in een geding mengt teneinde een vordering in te stellen tegen een van beide of tegen beide partijen. Van voeging is sprake als een derde zich in een geding mengt teneinde een van beide partijen bij te staan bij haar vordering tegen de ander respectievelijk bij haar verweer tegen de vordering van de ander. Tussenkomst is dus voor (de oorspronkelijke) partijen meer belastend, wat reden kan zijn voor de toelating als tussenkomende partij strengere eisen dan voor de toelating als gevoegde partij te stellen.
2.8. [
[Eiser] vordert tussenkomst maar laat na een vordering in te stellen tegen een van beide of tegen beide partijen. Hoewel de tegen een van beide of beide in te stellen vorderingen als zodanig nog niet in een incidentele conclusie tot tussenkomst behoeft te worden opgenomen, mag van de partij die wil tussenkomen wel verwacht worden kenbaar te maken wat zij wenst te vorderen en van wie, nu een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst immers alleen mogelijk is indien duidelijk is wat de interveniënt wenst te bewerkstelligen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, FIAR/Thuiskopie, ro. 4.1.3). Uit de incidentele conclusie volgt niet welke vordering [Eiser] wil instellen en tegen wie. In zijn conclusie richt hij de nodige grieven tegen het oordeel van het Gerecht, waaraan hij de conclusie verbindt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, maar daaruit volgt nog niet welke vordering hij tegen een van beide of beide oorspronkelijke partijen wil instellen. Om deze reden moet de incidentele vordering tot tussenkomst worden afgewezen.
2.9.
Aangenomen dat [Eiser] bedoelt te vorderen zich te mogen voegen aan de zijde van Tesi c.s., zal het Hof dit toewijzen. Weliswaar gaat de hoofdzaak over de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tussen partijen inzake de overdracht van een erfpachtsrecht, terwijl het belang van [Eiser] bij voeging is de aantasting van integriteit en zijn goede naam, maar zowel Tesi c.s. als [Eiser[ willen dat het vonnis van het Gerecht van tafel gaat, met in de ogen van [Eiser] als feitelijk resultaat dat zijn naam wordt gezuiverd.
2.10.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering moet worden toegewezen.
2.11. [
[Eiser] krijgt de gelegenheid op de rolzitting van 4 september 2020 een memorie van antwoord in te dienen, onmiddellijk peremptoir.
2.12.
Een beslissing omtrent de kosten van het incident wordt gereserveerd tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
2.13.
Wat betreft de hoofdzaak, merkt het Hof nog het volgende op. Tesi c.s. willen op de desbetreffende percelen een resort bouwen (bestreden vonnis, onder 2). Tesi c.s. heeft daarom bij de hoofdzaak een groot direct geldelijk belang, bedoeld in artikel 20 lid 3Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken. De griffier van het Hof stelt zich op het standpunt dat het maximum van NAf 15.000,- aan griffierecht verschuldigd is. Tesi c.s. hebben NAf 900,- betaald, zodat NAf 14.100,- moet worden nabetaald.
2.14. [
[Eiser] direct geldelijk belang blijft van onbepaalde waarde. Op 14 juli 2020 heeft hij NAf 900,- betaald.
2.15.
De zaak gaat naar de rol van 4 september 2020 voor akte nabetaling griffierecht, met bewijs van nabetaling, zijdens Tesi c.s., onmiddellijk peremptoir.
2.16.
Daarna kunnen partijen schriftelijk pleiten.
BESLISSING
Het Hof:
- wijst in het incident de vordering tot voeging toe;
- geeft [Eiser] de gelegenheid een memorie van antwoord in te dienen op de rolzitting van het Hof in Sint Maarten van 4 september 2020 (P3);
- geeft Tesi c.s. de gelegenheid een akte uitlating nabetaling griffierecht te nemen op de rolzitting van het Hof in Sint Maarten van 4 september 2020 (P3);
- reserveert de beslissing over de kosten van het incident tot einduitspraak in de hoofdzaak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, Th. Veling en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.