De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.7.7:4.7.7 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.7.7
4.7.7 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387357:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het ledenverbod onderscheidt de stichting zich in organisatorische zin van de vereniging, maar ook van de overige in Boek 2 BW genoemde corporatieve rechtspersonen die aandeelhouders kennen. Het ledenverbod werd in de WS 1956 opgenomen teneinde te voorkomen dat de stichting zou worden “misbruikt” in gevallen waarin de vereniging de meer geëigende rechtsvorm was. Destijds was voor een vereniging, maar niet voor een stichting, Koninklijke erkenning (later: een Ministeriële verklaring van geen bezwaar) vereist voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid.
De inhoud van het ledenverbod is niet vastomlijnd. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of het ledenverbod wordt overschreden, maar hierover zijn nauwelijks uitspraken gewezen. De wetsgeschiedenis biedt enkele aanknopingspunten. Uitgangspunt van het ledenverbod is mijns inziens dat er geen orgaan mag zijn dat wat betreft samenstelling en zeggenschapsrechten op één lijn te stellen is met de algemene vergadering van een vereniging. Er bestaat echter discussie wanneer hiervan sprake is.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de juridische constructie van belang is, waarbij beslissend is welke bevoegdheden aan het orgaan zijn toegekend. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis dat het ledenverbod wordt overtreden als een stichting een orgaan heeft, anders dan het bestuur, dat beslissend kan ingrijpen in het wezen of de werkzaamheden van de stichting. Het doel en het doelgebonden vermogen bepalen naar mijn mening het wezen van de stichting. De vraag welke bevoegdheden dusdanig ingrijpend zijn dat strijd met het ledenverbod aan de orde is dient naar mijn mening mede in het licht van dit materiële kenmerk te worden bezien.
De bevoegdheid om het statutaire doel en daarmee de kernactiviteiten van de stichting te wijzigen kan spanning met het ledenverbod opleveren, met name indien de stichting vermogen heeft dat daardoor een andere bestemming krijgt. Spanning met het ledenverbod is voorts mogelijk aan de orde als een stichtingsorgaan het recht heeft het bestuur vergaande bindende instructies te geven waarmee het orgaan in feite het beleid van de stichting kan bepalen. Het recht om bestuursbesluiten goed te keuren (negative control) zal naar mijn mening geen spanning met het ledenverbod opleveren.
Blijkens de wetsgeschiedenis is niet alleen van belang of de bevoegdheden van het stichtingsorgaan overeenkomen met de bevoegdheden van een algemene vergadering maar ook of de positie van het orgaan overeenkomt met die van de algemene vergadering van een vereniging. Relevant is of het stichtingsorgaan qua samenstelling en taakopdracht te vergelijken is met een algemene vergadering. Een voorbeeld van een dergelijk orgaan is een deelnemersraad of raad van aangeslotenen. Deelnemers en aangeslotenen mogen bij de uitoefening van hun bevoegdheden, evenals leden, handelen naar eigen inzicht en hun eigen belang nastreven.
De raad van toezicht functioneert wezenlijk anders dan een algemene vergadering. Interne toezichthouders dienen zich immers bij de uitoefening van hun toezichthoudende taak te richten naar het belang van de stichting. Zolang de bevoegdheden van de raad van toezicht verband houden met zijn intern controlerende rol en zijn toezichthoudende taak zal spanning met het ledenverbod naar mijn mening niet aan de orde zijn.