V-N 2019/51.30.9
Rechtbank kent ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toe
HR 18-10-2019, ECLI:NL:HR:2019:1604
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 oktober 2019
- Zaaknummer
19/02317
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal procesrecht / Proceskostenvergoeding
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2019:1604, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2019
- Wetingang
art. 8:73 Awb
Essentie
Hof Amsterdam oordeelt dat Rechtbank Noord-Holland ten onrechte geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen (art. 80a Wet RO).
Samenvatting
X is eigenaar van een woning in de gemeente Bergen. Hij komt in bezwaar en beroep tegen de WOZ-waarde van de woning en tegen de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing 2014 en 2015. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn af. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.