Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.5.2.1
2.5.2.1 Wet op de vermogensbelasting 1892
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460883:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 2, p. 4.
Artikel 34 luidt: “De aanslag bij de uitspraak van den Raad vastgesteld of gehandhaafd, wordt, indien de aangeslagen geen aangifte heeft gedaan, met vijftien ten honderd verhoogd. De verhooging bedraagt ten minste tien gulden.”
Zie artikel 29 Wet VB 1892.
Zie onderdeel 2.1.
Hoewel de regering in de artikelsgewijze toelichting op artikel 29 Wet VB 1892 aangeeft, dat de voormelde regeling niets ‘prejudicieert omtrent voorstellen van de Staatscommissie tot regeling van de administratieve rechtspraak’ (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 3, p. 12).
Zie artikelsgewijze toelichting op artikel 34 (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 3, p. 12).
Anders kan ik het gebruik van de bewoordingen ‘straf’ en ‘kosten’ in één zin niet verklaren.
Zie het Voorloopig Verslag (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 4, p. 29).
Zie het Voorloopig Verslag (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 4, p. 29).
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 7, p. 52).
Zie het voorgestelde artikel 42bis (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 44).
Het initiële wetsvoorstel1 bevatte in artikel 34 een verhoging ten aanzien van het niet indienen van de aangifte.2 Deze verhoging bedroeg vijftien procent van het bedrag van de aanslag indien geen aangifte was gedaan met een minimum van tien gulden. Opmerkelijk is dat deze verhoging door de Raad van Beroep kon worden opgelegd, nadat belanghebbende in bezwaar is gegaan tegen de beslissing van de inspecteur. Het is dus niet de inspecteur zelf die de boete oplegt bij het opleggen van de aanslag, maar de Raad van Beroep bij het doen van uitspraak. Deze Raden van Beroep, die in elke provincie werden ingesteld, bestonden uit drie leden: één werd benoemd door de Gedeputeerde Staten van de betreffende provincie, één door de lokale rechtbank en één door de Minister van Financiën.3 Naar mijn mening zijn de Raden van Beroep niet te bestempelen als bestuursorganen in de zin van de werkdefinitie van de bestuurlijke boete.4 Immers houden deze Raden van Beroep zich bezig met een vorm van rechtspraak5, wat onder meer blijkt uit de deelname van de rechterlijke macht. De verhoging van artikel 34 van de Wet op de vermogensbelasting 1892 (hierna: Wet VB 1892) is mijns inziens dus in ieder geval niet als een bestuurlijke boete te typeren.
Maar is de verhoging van artikel 34 Wet VB 1892 dan überhaupt wel een boete, te weten een punitieve sanctie? De regering laat in de memorie van toelichting weten dat degene die geen aangifte doet niet op een lijn gesteld mag worden met degenen die wel aangiften doen. Vervolgens wordt artikel 34 Wet VB 1892 als volgt toegelicht:
“De zachtste straf is voor zeker wel, dat een deel der kosten van de regeling der belasting voor zijne rekening kome.”6
De regering zag mijns inziens de verhoging van artikel 34 Wet VB 1892 derhalve als een kostenvergoeding voor de ambtshalve regeling van de aanslag, althans voor zover deze kosten werden gemaakt in de beroepsfase. De kosten die de inspecteur maakte tijdens de primaire aanslagregeling vielen niet onder het bereik van artikel 34 Wet VB 1892 (‘een deel van de kosten…’). Dat de regering niet beoogde leed toe te voegen, volgt naar mijn mening ook uit de bewoordingen ‘zachtste straf’, waarbij ik wil opmerken dat de regering het woord ‘straf’ hier vermoedelijk in overdrachtelijke zin heeft willen gebruiken.7
Dat de kostenvergoeding wel degelijk door de aangeslagene als punitief kon worden ervaren is een ander verhaal. Immers werden niet de werkelijke kosten in rekening gebracht, maar bedroeg de verhoging een vast percentage (vijftien procent) van het bedrag van de uiteindelijke aanslag. Dit kon bijvoorbeeld tot aanzienlijke verhogingen leiden die de werkelijke kosten van de beroepsgang in ruime mate overstegen. Anderzijds kon de verhoging bij lage aanslagbedragen dermate gering zijn, namelijk het minimum van tien gulden, dat van een vergoeding van de kosten in de verste verte geen sprake kon zijn. Ik denk dan ook dat de verhoging van artikel 34 Wet VB 1892 moet worden opgevat als een algemene, wettelijke kostenopslag voor diegenen die het waagden geen aangifte te doen en tóch in beroep gingen tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag.
Van kostenopslag naar straf?
Artikel 34 Wet VB 1892 heeft in de loop van de parlementaire geschiedenis enkele veranderingen ondergaan, waarmee naar mijn mening ook het karakter van de bepaling is gewijzigd. De Tweede Kamer vond dat de betreffende bepaling te weinig zag op het primaire doel: het verzekeren van het verkrijgen van juiste aangiften.8 Daar waar de regering in eerste instantie een kostenvergoeding voor ogen had, daar had de Tweede Kamer een meer uitgebreide boetebepaling in gedachten die als prikkel voor het indienen van juiste aangiften zou moeten dienen. Deze kritiek heefter uiteindelijk toe geleid dat artikel 34 Wet VB 1892 niet slechts het niet doen van aangifte beboetbaar stelde, maar ook het tot een te laag bedrag aangifte doen. Tevens werd het boetepercentage verhoogd van vijftien naar vijfentwintig procent.
Opmerkelijk is nog dat de Tweede Kamer er vanuit ging dat de boete van artikel 34, zoals die in eerste instantie door de regering was voorgesteld, niet zou worden opgelegd in gevallen waarin de Raad van Beroep de aanslag naar beneden bijstelde:
“Men stelt zich dan – zoo althans schijnt art. 34 naar de toelichting te moeten worden opgevat – aan geene andere straf bloot dan dat de aanslag met 15 pct. verhoogd wordt, indien de reclame wordt afgewezen, hetgeen natuurlijk niet geschieden zal wanneer de aanslag werkelijk te hoog was.”9
De regering repliceerde als volgt:
“Eindelijk is de percentsgewijze verhooging van 15 op 25 percent gebracht, welke verhooging (dienaangaande moge geen twijfel bestaan) in ieder geval zal plaatsvinden, hoedanig de uitspraak van den Raad ook zij.”10
Dus ook al werd de belanghebbende door de Raad van Beroep in het gelijk gesteld en werd de aanslag verminderd, dan nog zou een boete van vijfentwintig procent verschuldigd zijn, weliswaar over het lagere bedrag. Volgens de regering moest en zou de boete gekoppeld blijven aan de kosten van de rechtsgang en niet aan de omvang van het mogelijke belastingnadeel.
Kwijtscheldingsbepaling
De Wet op de Vermogensbelasting 1892 bevat eenzelfde soort kwijtscheldingsbepaling als artikel 60 SW 1859 (zie onderdeel 2.4.3). Bedoeld artikel 45 Wet VB 1892 werd bij amendement van de Commissie van Rapporteurs11 in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen.