Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.2
8.2 Grondslag voor aansprakelijkheid
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494613:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W.H. Heemskerk bijvoorbeeld meent in zijn noot onder HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 485 dat de Hoge Raad hier een zuivere risicoaansprakelijkheid buiten onrechtmatige daad aanneemt op grond van de art. 732 lid 3 en 739 Rv (oud). Idem: Van Schaick 1987, p. 82-83. Anders: Van Rossum 1990, p. 69 t/m 72, welke meent dat de Hoge Raad slechts heeft bedoeld te zeggen dat het gaat om een inbreuk op een subjectief- of eigendomsrecht en er dus geen sprake is van strijd met een zorgvuldigheidsnorm. Zij blijft met deze interpretatie binnen het leerstuk van de onrechtmatige daad.
Van Dam 2000, p. 240 e.v.
Schut 1997, p. 20-21 en 36-37.
De Wijkerslooth 1993, p. 316-324.
Van der Kwaak 2000, p. 11-16.
HR 13 januari 1995, LJN ZC1608, NJ 1997, 366, m.nt. C.J.H. Brunner (Ontvanger/Bos), later herhaald in HR 5 december 2003, LJN AL7059, met zeer uitgebreide conclusie van J.L.R.A. Huydecoper en m.nt. A. van Hees in «JBPr» 2004, 14 (Kranenburg/Kranenburg c.s.) en HR 8 februari 2008, LJN BB6196, NJ 2008, 92 (Bruns c.s./Golden Anchor c.s.).
Het ging hier om de situatie waarin een conservatoir beslag niet van waarde werd verklaard, hetgeen vergelijkbaar is met de situatie waarin naar huidig recht de vordering van de beslaglegger die aan het leggen van conservatoir beslag ten grondslag lag, in de bodemprocedure geheel wordt afgewezen.
De terminologie die betrekking heeft op aansprakelijkheid en schuld is niet eenduidig. Ik gebruik hier de definities zoals gebruikt door Van Rossum 1990, p. 23-24 en 69-72:1. een onrechtmatige daad: een doen of nalaten dat aan de beslaglegger kan worden verweten: er moet worden voldaan aan de vereisten van verwijtbaarheid en schuld;2. risicoaansprakelijkheid (zonder schuld): een onrechtmatige daad die voor risico van de beslaglegger komt. Het schuldvereiste is door de risicogedachte vervangen, het vereiste van onrechtmatigheid blijft bestaan;3. zuivere risicoaansprakelijkheid: schuld noch onrechtmatigheid aan de zijde van de beslaglegger is aanwezig, toch is er sprake van schadeplicht.
Hartlief 2009, p. 422, meent dat het hier niet gaat om een ‘echte’ risicoaansprakelijkheid, omdat de door de Hoge Raad geformuleerde aansprakelijkheid in zijn kern betrekking heeft op inbreuk op een recht en daarmee gesitueerd is binnen het leerstuk van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).
Wanneer wordt teruggegaan naar de bedoeling van de wetgever in 1869, aldus Jansen (Burgerlijke Rechtsvordering III) losbladige Kluwer (1986), titel 4, art. 732 Rv, aant. 5, die verwijst naar Van Rossem-Cleveringa, die zich vervolgens weer baseren op de geschiedenis van de wet van 7 april 1869, die overigens nimmer in werking is getreden, kreeg toentertijd de invulling van het derde lid van art. 732 Rv (oud) vermoedelijk vorm langs de maatstaf van de algemene normen van onrechtmatige daad.
HR 15 april 1965, LJN AC4076, NJ 1965, 331, m.nt. Veegens (Snel/Ter Steege).
Asser/Mijnssen/Van Velten & Bartels 5* Kluwer Deventer 2008, p. 50-51 (nr. 34), alsook Gieske 2012 (T&C Burgerlijke Rechtsvordering), art. 705, aant. 3c, Hugenholtz/Heemskerk 2009, p. 283-284 (nr. 246), Jansen (Onrechtmatige Daad I) losbladige Kluwer, art. 162 lid 3, aant. 43, Rueb 2011, p. 445-456. Zie ook: Klaassen 2009, p. 346.
In de doctrine is langere tijd onderwerp van discussie geweest of de grondslag voor aansprakelijk in de situatie van onrechtmatig beslag al dan niet moest worden gevonden in het leerstuk van de onrechtmatige daad.1 Met de invoering van het nieuw BW in 1992 en de daaraan verbonden wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is duidelijkheid op dit onderdeel gekomen: de artikelen 732 lid 3 en 739 Rv (oud), waarin schadevergoeding bij (opheffing van) beslag was opgenomen, zijn vervallen, waarmee de grondslag sedertdien moet worden gezocht in artikel 6:162 BW. Dit neemt niet weg dat bijvoorbeeld Van Dam,2 Schut3 en De Wijkerslooth4 een rechtssystematisch probleem zagen in het achteraf bestempelen van een handeling (zoals een beslag waarvoor door de voorzieningenrechter verlof is verleend) als onrechtmatig. Van der Kwaak meent dat het leggen van beslag in beginsel inbreuk makend is en een onrechtmatige daad oplevert. Een rechtvaardigingsgrond hiervoor is te vinden in de bevoegdheid tot beslaglegging, die weer afhankelijk is van een subjectief recht (de onderliggende vordering ter verzekering waarvan beslag werd gelegd).5 De Hoge Raad maakte aan de discussie over de grondslag voor onrechtmatigheid een einde in het arrest Ontvanger/Bos:
‘Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degeen op wiens het beslag inbreuk heeft gemaakt.’6
Voordat de Hoge Raad in 1965 in het al eerder aangehaalde arrest Snel/Ter Steege bepaalde dat bij een ongegrond beslag7 moet worden uitgegaan van een risicoaansprakelijkheid (zonder schuld)8 aan de zijde van de beslaglegger,9 moest de beslagene nog aantonen dat sprake was van verwijtbaarheid én schuld aan de zijde van de beslaglegger.10
Het arrest Snel/Ter Steege11 betekende een versoepeling van de bewijspositie voor de door het beslag gedupeerde beslagene omdat met de onrechtmatigheid van beslag de aansprakelijkheid van de beslaglegger vaststaat. Het enkele feit dat de vordering die aan het beslag ten grondslag is gelegd ongegrond is bevonden, is voldoende voor het vestigen van de aansprakelijkheid van de beslaglegger. Heden ten dage wordt in de diverse juridische naslagwerken bij onterecht beslag steeds uitgegaan van een risicoaansprakelijkheid zonder schuld, op grond van onrechtmatige daad aan de zijde van de beslaglegger.12