HR, 12-08-2011, nr. 10/03625
BR4874, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-08-2011
- Magistraten
Mrs. J.W. van den Berge, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp
- Zaaknummer
10/03625
- LJN
BR4874
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BR4874, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑08‑2011; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0321, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0321, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑08‑2011
- Vindplaatsen
NTFR 2011/1880 met annotatie van Prof. dr. A.O. Lubbers
FutD 2011-1884
Uitspraak 12‑08‑2011
Inhoudsindicatie
KB-lux.
Mrs. J.W. van den Berge, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp
Partij(en)
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2010, nr. P10/00266, betreffende navorderingaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1992 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslag geen kwijtschelding heeft verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende zijn voorts over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Belanghebbende is bij het Hof in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraken op de door hem gemaakte bezwaren tegen de navorderingsaanslagen, de daarbij genomen kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij genomen beschikkingen inzake heffingsrente.
Nadien heeft de Inspecteur alsnog bij één geschrift uitspraken op de bezwaren gedaan, bij welke uitspraken de evenvermelde bestreden besluiten zijn gehandhaafd.
Het Hof heeft bij tussenuitspraak van 18 maart 2010 (nr. P04/03852) de Inspecteur opgedragen de vermogens te berekenen met inachtneming van hetgeen het Hof in die tussenuitspraak heeft geoordeeld. Bij de bestreden uitspraak heeft het Hof vervolgens de ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrente verminderd en de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden. Deze uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
4.1.
's Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de aan belanghebbende opgelegde bestuurlijke boeten en verhogingen (hierna samen: boeten) blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, V-N 2011/20.4 (hierna: het arrest van 15 april 2011).
4.2.
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.11.3 en 4.11.4 van het arrest van 15 april 2011.
4.3.
In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:
- (i)
in hoeverre de Inspecteur voor elk van de jaren 1992 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en
- (ii)
(voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) in hoeverre elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.
4.4.
Nu het beroep in cassatie leidt tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, moet het gegrond worden verklaard.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissing omtrent de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's‑Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 111, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1748 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2011.
Beroepschrift 12‑08‑2011
Edelhoogachtbare dames en heren,
Namens belanghebbende, [X] stellen wij beroep in cassatie in tegen in hoofde genoemde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam (bijlage). Een volmacht is niet bijgevoegd, ondergetekenden zijn advocaat.
1. Verzoek voeging
Door Gerechtshof Amsterdam is op 18 maart 2010 uitspraak gedaan in de zaak met kenmerk P04/03617. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld bij uw Raad en geregistreerd onder nummer F 10/01754. Gelet op de directe samenhang tussen het thans ingestelde cassatieberoep en het voornoemde cassatieberoep, verzoeken wij uw Raad om proceseconomische redenen deze beide zaken gezamenlijk te behandelen en/of te voegen.
2. Cassatiemiddel
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en / of verzuim van vormen die nietigheid met zich brengt, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het acht slaan op de door belanghebbende nieuw aangevoerde grieven betreffende de vast te stellen vermogens van belanghebbende in strijd is met de goede procesorde.
3. Toelichting cassatiemiddel
Het Hof overweegt onder 5.3. van de bestreden uitspraak:
‘Onder 5.6.3. van de Uitspraak heeft het Hof de uitgangspunten verwoord ter nadere berekening van de vast te stellen vermogens en vermeld dat belanghebbende geen grieven heeft aangevoerd tegen de berekeningswijze van de inspecteur. Onder deze omstandigheden 15 het in strijd met de goede procesorde om alsnog rekening te houden met nieuw aangevoerde grieven die een nader feitenonderzoek zouden vergen met betrekking tot het al dan niet toerekenen van de tegoeden aan belanghebbende en deze feiten en omstandigheden voor de Uitspraak al bekend waren (zie onderdeel 3.3.,tweede volzin, van de Uitspraak).’
Het Hof is van oordeel dat het acht slaan op de door belanghebbende aangevoerde grieven in strijd zou zijn met de goede procesorde, omdat dit een nader feitenonderzoek zou vergen. Dit oordeel is in strijd met het recht en onvoldoende gemotiveerd.
In de eerste plaats miskent het Hof met dit oordeel dat het belanghebbende blijkens vaste jurisprudentie van uw Raad in beginsel vrij staat tot en met de mondelinge behandeling zijn standpunt te wijzigen en nieuwe grieven aan te voeren. In de uitspraak van 18 maart 2010 heeft het Hof gelet op overweging 7.2. iedere beslissing ten aanzien van de vermogensbelasting aangehouden en was het onderzoek ten aanzien van de vermogensbelasting derhalve nog niet gesloten. Het onderzoek is pas gesloten aan het eind van de zitting van het Hof van 4 juni 2010. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat belanghebbende nieuwe grieven kon aanvoeren tot en met de zitting van 4 juni 2010. Het enkele feit dat belanghebbende de grieven eerder had kunnen aanvoeren, is blijkens vaste jurisprudentie geen reden om een schending van de goede procesorde aan te nemen.
Ten tweede miskent het Hof dat het in zijn uitspraak een afweging had moeten maken tussen het algemeen belang van een doelmatige procesgang en de belangen van procespartijen. Het moeten houden van een nader feitenonderzoek is primair een belang van het Hof zelf.
Het Hof heeft zich ten onrechte niet uitgelaten over de vraag in hoeverre het nadere feitenonderzoek een doelmatige procesgang zou schaden, noch heeft het zich uitgelaten over in hoeverre de inspecteur geschaad zou zijn in zijn procesbelang indien het Hof acht zou slaan op de grieven van belanghebbende. Aldus is het oordeel van het Hof niet naar de eisen der wet met voldoende redenen omkleed.
Ten derde miskent het Hof dat hetgeen belanghebbende nader heeft aangevoerd met betrekking tot de berekeningen van de inspecteur, binnen de kaders van de door het Hof aan de inspecteur verstrekte opdracht valt. Belanghebbende is uitgegaan van de door het Hof vastgestelde tegoeden bij Kredietbank Luxemburg en heeft zich op het standpunt gesteld dat deze saldi vanaf 1998 moesten worden gehalveerd omdat belanghebbende vanaf dat moment ongehuwd was. Dit strookt met de door het Hof in zijn uitspraak van 18 maart 2010 geformuleerde uitgangspunten. Het Hof heeft aangenomen dat belanghebbende en zijn partner beide rekeninghouder waren bij Kredietbank Luxemburg, zo volgt uit de rechtsoverwegingen 5.1. tot en met 5.2. van de uitspraak van het Hof van 18 maart 2010. Onder 3.3. overweegt het Hof dat belanghebbende tot 1998 (dus tot en met 1997) gehuwd was. De inspecteur was bekend met het feit dat belanghebbende vanaf dat moment ongehuwd waren, hij heeft immers de tariefgroep voor ongehuwden toegepast.
Zowel civielrechtelijk als fiscaalrechtelijk moeten de saldi bij ongehuwden voor 50% aan beiden worden toegerekend. Dit vloeit voort uit de wet en is geen feit dat in het kader van de omkering van de bewijslast overtuigend zou moeten worden aangetoond door belanghebbende. Zelfs al had belanghebbende hieromtrent niets aangevoerd, dan had het Hof deze verdeling ambtshalve moeten toepassen, gelet op artikel 8:69 lid 2 Awb.
De inspecteur heeft zich ter zitting uitgelaten over de toerekening van de saldi aan beide vermeende rekeninghouders en heeft zich akkoord verklaard met de berekeningen van belanghebbende. Onder deze omstandigheden kan de inspecteur niet geschaad worden geacht in zijn verdedigingsbelang en had het Hof acht moeten slaan op de grieven van belanghebbende.
4. Conclusie cassatiemiddel
Het Hof heeft ten onrechte geen acht geslagen op de grieven van belanghebbende betreffende de door de inspecteur gemaakte berekeningen van de vermogens van belanghebbende.
5. Eindconclusies
De uitspraak van het Hof van 1 juli 2010 dient te worden vernietigd. Naar het oordeel van belanghebbende kan uw Raad de zaak zelf afdoen. Indien uw Raad tot de conclusie komt dat aangenomen moet worden dat belanghebbende gedurende de bestreden jaren over rekeningen bij Kredietbank Luxemburg beschikte en geen sprake is van onredelijke schattingen, dan dienen de door belanghebbende berekende vermogens zoals deze zijn opgenomen in zijn pleitnotitie van 4 juni 2010 gevolgd te worden, aangezien de inspecteur zich hiermee akkoord heeft verklaard (in gulden en euro):
Jaar | Vermogen volgens inspecteur | Correctie saldo KB-Lux | Vast te stellen vermogen | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
1992 | NLG | 403.000 | - | NLG | 403.000 | |
1993 | NLG | 390.000 | - | NLG | 390.000 | |
1994 | NLG | 413.000 | - | NLG | 413.000 | |
1995 | NLG | 397.000 | - | NLG | 397.000 | |
1996 | NLG | 403.000 | - | NLG | 403.000 | |
1997 | NLG | 401 000 | - | NLG | 401.000 | |
1998 | NLG | 494.000 | NLG | 322.140 | NLG | 171.860 |
1999 | NLG | 554.000 | NLG | 357.760 | NLG | 196.240 |
2000 | NLG | 453.000 | NLG | 316.680 | NLG | 136.320 |
Jaar | Vermogen volgens inspecteur | Correctie saldo KB-Lux | Vast te stellen vermogen | |||
|---|---|---|---|---|---|---|
1992 | EUR | 182.873 | - | EUR | 182.873 | |
1993 | EUR | 176.974 | - | EUR | 176.974 | |
1994 | EUR | 187.411 | - | EUR | 187.411 | |
1995 | EUR | 180.151 | - | EUR | 180.151 | |
1996 | EUR | 182.873 | - | EUR | 182.873 | |
1997 | EUR | 181.966 | - | EUR | 181.966 | |
1998 | EUR | 224.167 | EUR | 146.181 | EUR | 77.987 |
1999 | EUR | 251.394 | EUR | 162.344 | EUR | 89.050 |
2000 | EUR | 205.562 | EUR | 143.703 | EUR | 61.859 |
Hierop dienen vervolgens nog de belastingvrije sommen in mindering te worden gebracht.
Dit impliceert eveneens dat indien en voor zover de vastgestelde vergrijpboeten door uw Raad in stand worden gelaten, deze aanpassing behoeven.
Tot slot verzoeken wij uw Raad de Minister van Financiën te veroordelen in het vergoeden van het griffierecht en de kosten van het hoger beroep en dit beroep in cassatie.