A. van Varsseveld, ‘Noodweer: de Hoge Raad geeft een overzicht’, DD 2016/34, p. 358 en 359.
HR, 14-04-2026, nr. 24/00002
ECLI:NL:HR:2026:600
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
24/00002
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:600, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑04‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:141
ECLI:NL:PHR:2026:141, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:600
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Voortgezette handeling van zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr) door met scherp en puntig voorwerp in oog van ander te steken en die ander meermalen met dat voorwerp in zijn rug en nek te snijden. 1. Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. Kon hof het beroep op noodweer(exces) verwerpen, nu handelingen van verdachte tijdens tweede confrontatie als verdedigend zijn aan te merken? 2. Ontbrekende pleitnota in hoger beroep? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00002
Datum 14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2023, nummer 23-002548-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Rafik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 209 uren beloopt, subsidiair 104 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.
Conclusie 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voortgezette handeling van zware mishandeling en mishandeling (art. 56, 302 en 300 Sr). Falende middelen over de verwerping van het noodweer(exces)verweer (1) en het ontbreken van de pleitnotities voor de terechtzitting in hoger beroep bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken (2). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81.1 RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00002
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 december 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002548-22) wegens "de voortgezette handeling van zware mishandeling en mishandeling", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 220 uren, te vervangen door 110 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M. Rafik, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat de verwerping door het hof van het beroep op noodweer(exces) onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“primair
zij, op 26 december 2019 te [plaats] , aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten visusverlies (blindheid) van het linkeroog heeft toegebracht door met een scherp en/of puntig voorwerp in het oog te steken;
subsidiair
zij, op 26 december 2019 te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals met een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en nek te snijden.”
2.3
Die bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen, waarnaar ik hier verwijs.
2.4
Het hof heeft het beroep op noodweer(exces) in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
“Noodweer(exces)-verweer
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt zodat zij ten aanzien van het primair tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en/of van het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Naar de mening van de raadsman dient de ruzie te worden opgesplitst in meerdere momenten en moet uit de verklaring van [getuige 1] - dat zij vanaf haar auto heeft gezien dat de verdachte na het vertrek van [getuige 1] in het raam van de woning van [slachtoffer] stond te roken - worden afgeleid dat de ruzie tussen [slachtoffer] en de verdachte was gestopt. Kort daarna is de ruzie weer begonnen, is de aangever [slachtoffer] met een mes op de verdachte afgekomen en heeft hij haar naar de grond gewerkt. Op dat moment was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf waartegen zij zich mocht verdedigen en heeft de verdachte de aangever met een mes gestoken of gesneden om van hem af te komen. Dat was in de gegeven omstandigheden proportioneel en subsidiair. De verdachte kan zich niet herinneren dat zij een messenslijper/priem heeft gebruikt, aldus de raadsman.
Subsidiair - indien het hof meent dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden - is sprake van noodweerexces. Volgens de psychiater van het NIFP (het hof begrijpt: de psycholoog [deskundige] ) lijdt de verdachte aan PTSS en zwakbegaafdheid, was dit ook zo ten tijde van het tenlastegelegde en zijn haar gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde deels hierdoor beïnvloed. De verdachte is in het verleden mishandeld en verkracht en de aanval van de aangever was de trigger voor het opspelen van haar PTSS, waardoor de verdachte uit noodweerexces heeft gehandeld.
Overwegingen van het hof
Het hof acht niet aannemelijk dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat de aangever [slachtoffer] (ernstige) verwondingen heeft opgelopen na een uit de hand gelopen ruzie met de verdachte. Het enkele feit dat de verdachte licht letsel zou hebben opgelopen en dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] bij de rechter-commissaris hebben verklaard een vrouw te hebben horen roepen dat zij weg wilde maar (eerst) haar telefoon wilde en dat de aangever haar los moest laten, maakt de stelling van de raadsman dat sprake zou zijn geweest van een noodweer-situatie nog niet aannemelijk, meer in het bijzonder niet tegenover de verklaring van de [getuige 1] . [getuige 1] is degene die daadwerkelijk bij het grootste deel van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] aanwezig is geweest, reden waarom het hof zich met name ook op haar verklaring baseert.
Feitelijke gang van zaken
Uit de verklaringen van de aangever en de [getuige 1] bij de rechter-commissaris blijkt dat de aangever de verdachte meermalen heeft gezegd dat zij zijn woning moest verlaten maar dat de verdachte hier geen gehoor aan heeft gegeven. Ook heeft de aangever, blijkens de verklaring van [getuige 1] , op enig moment de tas van de verdachte bij (het hof begrijpt: buiten) de voordeur gegooid en heeft hij geprobeerd de verdachte buiten te sluiten door de deur dicht te duwen. De verdachte duwde echter terug en het is haar gelukt om de deur open te duwen en weer naar binnen te komen. Doordat de verdachte (naar het hof begrijpt) de deur openduwde viel de aangever naar achteren tegen een oventje aan. Vervolgens is [getuige 1] volgens haar eigen verklaring tussen hen in gesprongen en heeft zij tegen de verdachte gezegd dat zij weg moest gaan. Volgens [getuige 1] haalden de aangever en de verdachte naar elkaar uit en spuugden zij over [getuige 1] heen. De verdachte trapte om [getuige 1] heen tegen de aangever aan; dat was in zijn zij of buik. Volgens [getuige 1] was het vervolgens rustig en gebeurde daarna weer iets en gingen zij weer vechten. [getuige 1] heeft verklaard dat de aangever de verdachte op enig moment in een houdgreep bij haar nek had en dat zij richting de deur gingen. De aangever liet vervolgens de verdachte los en hij duwde haar in de richting van de deur. Op dat moment kwam de verdachte weer terug en zag [getuige 1] dat de verdachte iets uit haar tas pakte dat zij als een slijper voor een mes beschrijft. Toen is [getuige 1] weggegaan en hoorde zij de aangever die nog boven stond roepen ‘neem me mee’. [getuige 1] heeft niet gezien dat de aangever gewond raakte en heeft de verdachte vanaf buiten nog bij het raam een sigaretje zien roken waarna zij zag dat de verdachte en [slachtoffer] weer aan het vechten waren en even later dat de verdachte, helemaal bebloed, langs haar auto rende. Het hof gaat ervan uit dat het steekincident na het roken van het sigaretje heeft plaatsgevonden.
Conclusie
In zijn algemeenheid kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard als de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdedigend”, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, en HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010: BK4788, NJ 2010/339).
Uit de verklaringen van de aangever en van [getuige 1] - die de verklaring van de aangever op deze punten ondersteunt - blijkt dat de aangever de verdachte uit zijn woning wilde hebben en dit ook meerdere malen tegen haar heeft gezegd, maar dat de verdachte niet weg wilde gaan en ook weer de woning binnen ging als de aangever haar daar uitzette. Dat de aangever de verdachte uit zijn huis wilde hebben en dit ook tegen haar gezegd heeft, vindt ook bevestiging in de verklaring die [getuige 3] bij de politie heeft afgelegd, waarin hij zegt dat hij [slachtoffer] heeft horen roepen: ga weg, ga mijn huis uit. Hieruit volgt dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als verdedigend, nu zij steeds de confrontatie heeft gezocht en dat brengt mee dat haar geen beroep op noodweer toekomt. Het hof acht overigens ook niet aannemelijk dat de aangever, nadat [getuige 1] weg was gegaan, met een mes op de verdachte af is gegaan en bovenop de verdachte terecht is gekomen. Hij wilde haar immers uit de woning weg hebben. Nu geen sprake is van een noodweersituatie kan de verdachte zich ook niet op noodweerexces beroepen. Het verweer van de raadsman wordt in al zijn onderdelen verworpen.”
2.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof zich niet heeft uitgelaten over het verweer dat de confrontatie tussen de verdachte en de aangever in meerdere momenten dient te worden opgesplitst en dat de noodweersituatie voor de verdachte ontstond nadat de eerste confrontatie was geëindigd en een nieuwe confrontatie was gestart, waarbij de aangever de verdachte zou hebben aangevallen. Naar voren wordt gebracht dat de omstandigheid dat de gedragingen van de verdachte tijdens de eerste confrontatie als aanvallend te beschouwen zijn er niet aan de weg staat dat haar handelingen tijdens de tweede confrontatie wel als verdedigend zijn aan te merken, en haar daarvoor een beroep op noodweer toekomt.
2.6
Het hof heeft echter in zijn overwegingen wel degelijk onderkend dat de aanvaring tussen de verdachte en de aangever uit twee verschillende momenten heeft bestaan. Het hof is namelijk op basis van de verklaring van [getuige 1] ook uitgegaan van een confrontatie voordat en een confrontatie nadat [getuige 1] , die de woning van de aangever even daarvoor had verlaten, verdachte vanaf buiten bij het raam een sigaret heeft zien roken. Daarbij heeft het hof overwogen dat “het steekincident” na het roken van de sigaret moet hebben plaatsgevonden, op welk moment volgens de verdediging ook de noodweersituatie voor de verdachte is ontstaan. Het hof heeft het noodweer(exces)verweer niettemin verworpen op twee gronden. De eerste is dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als verdedigend, maar als gericht op een confrontatie. Ten tweede (“overigens”) heeft het hof niet aannemelijk geacht dat de aangever, nadat [getuige 1] de woning had verlaten, de verdachte heeft aangevallen met een mes. Een en ander heeft het hof tot de conclusie geleid dat een noodweersituatie niet aan de orde was.
2.7
Deze gronden kunnen ieder voor zich de verwerping van het beroep op noodweer dragen. Zo overweegt de Hoge Raad in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, over de eerste grond dat “[e]en beroep op noodweer [niet] kan (…) worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.” Ontbreekt een dergelijke ‘verdedigingswil’, dan is het niet meer nodig om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer is voldaan.1.Wat de tweede grond betreft, volgt zonder meer uit art. 41 Sr dat zonder een “wederrechtelijke aanranding” geen sprake kan zijn van noodweer.
2.8
Het middel keert zich tegen de eerste grond voor verwerping en zou naar mijn idee nader onderzoek vergen. Daar zal ik echter van afzien omdat daarbij geen belang bestaat. Ook als het middel zou slagen, laat dit de tweede grond immers onverlet, die, zoals gezegd, de verwerping van het verweer strekkende tot noodweer(exces) zelfstandig kan dragen. Een stellige en duidelijke klacht tegen deze tweede door het hof gehanteerde verwerpingsgrond, lees ik in het middel niet.
2.9
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de pleitnota voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2023 zich niet tussen stukken bevindt die aan de Hoge Raad zijn gezonden, als gevolg waarvan het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig is.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2023 houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
“(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging aan de hand van zijn pleitnotities. Deze pleitnotities worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. (…)”
3.3
De in het proces-verbaal genoemde pleitnotities ontbreken inderdaad bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Niet is evenwel gebleken dat de raadsman van de verdachte overeenkomstig artikel 4.3.6.3. van het Procesreglement tijdig aan de rolraadsheer heeft verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de pleitnotities. Reeds om die reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.2.
3.4
Het tweede middel faalt.
4. Afronding
4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 28 december 2023. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf moet leiden.3.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑02‑2026
Vgl. HR 27 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4245.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.