Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/4.7
4.7 Slotbeschouwingen
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706264:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De pandhouder behoudt in die situatie in beginsel een aanspraak op de vennootschap tot betaling van de opbrengst, tenzij hij de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat (art. 6:32 BW). De kwestie of sprake was toestemming voor inning in de zin van art. 3:246 lid 4 BW van de pandhouder aan de pandgever is geen vorm voorgeschreven (art. 3:37 BW). Of de toestemming besloten lag in verklaringen en gedraging van de pandhouder, is een kwestie van uitleg. Zie o.a. Gerechtshof Den Haag 2 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1002 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2955. De vennootschap die nogmaals moet betelen verkrijgt een vordering op de pandgever aan wie zij onterecht betaalde (art. 6:33 en 6:203 BW). Tijdens het faillissement van de pandgever kan deze aanspraak van geringe waarde blijken.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 21 155, nr. 17, waarover Ter Huurne 1994, p. 161.
Melis/Waaijer 2019/7.4.
Asser/Sieburgh 6-II 2021/267. Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 551.
- Aandelenverpanding vergt (te) veel kennis van betrokkenen
182. In de literatuur wordt melding gemaakt van de praktijk om tegelijk met de aandelen bij voorbaat ook alle daarmee samenhangende rechten te verpanden. Uit mijn analyse volgt dat dit onnodig is. Aandelenverpanding brengt al van rechtswege een pandrecht op de opbrengsten van het aandeel mee. Niettemin vind ik het treffen van zo’n regeling begrijpelijk. Men neemt zo het zekere voor het onzekere. Voor rechtszoekenden is het namelijk bepaald niet eenvoudig om vast te stellen wat de gevolgen zijn van aandelenverpanding voor de voordelen die aandelen van tijd tot tijd opbrengen. Dat geldt al helemaal wanneer er sprake is van een samenloop van aanspraken en een onderlinge rang moet worden vastgesteld. Vooral de pandgever en de vennootschap kunnen door miskenning van de rechtsgevolgen nadeel ondervinden. Doorgronden zij niet tijdig wie er op een bepaald moment inningsbevoegd is, dan bestaat de kans dat de pandgever de opbrengsten onbevoegd int en de vennootschap deze onverschuldigd aan hem betaalt, met alle gevolgen van dien.1 De leemte die de wetgever op dit punt heeft gelaten, zorgt ervoor dat het eigenlijk aankomt op de oplettendheid en risico-inschatting van partijen. De verpanding van aandelen vergt zo mijns inziens onredelijk veel juridische kennis van de betrokkenen.
- Notarissen moeten (extra) goed voorlichten over de gevolgen van verpanding voor financiële voordelen
183. Gelet op de onduidelijkheid rondom de gevolgen van aandelenverpanding is er een belangrijke rol weggelegd voor de notaris die door partijen wordt verzocht om de aandelenverpanding te verzorgen. Sinds 1992 is zijn tussenkomst vereist bij de levering en bezwaring van aandelen. De wetgever heeft dat nodig geacht met het oog op de rechtszekerheid.2 Ik vind dat een notaris in het kader van zijn rechtsbeschermende taak de partijen bij de pandakte zou moeten wijzen op de gevolgen van aandelenverpanding voor de inningsbevoegdheid van financiële voordelen. Dit volgt uit de opdracht die een notaris heeft om rechtsbescherming te bieden ten aanzien van de inhoud van de notariële akte van aandelenverpanding, en dus ook ten aanzien van de rechtsgevolgen van de voorgenomen rechtshandeling. Onder omstandigheden rust op een notaris zelfs een waarschuwingsplicht (art. 43 lid 1 Wna).3 De deskundigheid van een notaris ter zake van aandelenverpanding en de onzekerheid wat betreft de gevolgen van aandelenverpanding voor de financiële voordelen die een aandeel opbrengt, wijzen in de richting van een waarschuwing. Dit zou partijen kunnen aansporen om in de pandakte een regeling te treffen die de door hun beoogde onderlinge verhouding verduidelijkt. Door partijen daarop te wijzen, behoedt een notaris de pandgever voor onbevoegde inning, de pandhouder voor rechten van derden die sterker zijn, en de vennootschap voor niet-bevrijdende betaling. Is de vennootschap een van de partijen bij de pandakte, dan raakt zij op deze manier tijdig op de hoogte van de consequenties. Is zij daarbij geen partij dan zouden de gevolgen in ieder geval moeten blijken uit het afschrift van deze akte die in het geval van openbare verpanding aan de vennootschap wordt betekend, of die zij ontvangt na de erkenning van de verpanding (art. 2:86/196a lid 1 BW). Wordt de notaris verzocht om een uittreksel te verstrekken ter betekening aan de vennootschap, dan doet hij er goed aan de passage met betrekking tot de inningsbevoegdheid daaruit voldoende te laten blijken.
- De aanspraak van een pandhouder tot financiële rechten is andersoortig dan die tot zeggenschapsrechten
184. De positie van een pandhouder ten opzichte van financiële rechten is anders dan die tot (de meeste) zeggenschapsrechten. Wat de zeggenschapsrechten betreft, bleek dat een pandhouder doorgaans een eigen positie verkrijgt (§3.3-3.5). Hij kan door aandelenverpanding bijvoorbeeld stemgerechtigd worden, terwijl hij door aandelenverpanding nooit winstgerechtigd wordt. Een pandgever blijft rechthebbende tot de opbrengsten van het aandeel. De positie die een pandhouder verkrijgt, is daarvan afgeleid (vgl. art. 3:8 BW). Opschorting werkt daarom in beginsel wél door wat betreft de financiële rechten, maar niet wat betreft de eigen zeggenschapsrechten van een pandhouder.
- Pandrecht op aandelen geeft een ‘comfortabele’ aanspraak op de financiële voordelen
185. Van het pandrecht op aandelen wordt wel geschreven dat deze een oncomfortabele zekerheid biedt. Meestal verwijst men daarbij naar de onzekere onderpandwaarde die niet-beursgenoteerde aandelen hebben. Mijns inziens valt het gebrek aan comfort wel mee als men kijkt naar de aanspraak die de pandhouder verkrijgt tot de financiële voordelen. Deze biedt hem extra zekerheid en helpt bijvoorbeeld verhinderen dat onderpandwaarde ‘weglekt’ door uitkeringen (§4.3.4). Wel is het zo dat zijn bevoegdheid tot inning kan worden beperkt door omstandigheden die niet hem, maar de pandgever betreffen. Zou de pandgever niet aan zijn verplichtingen jegens de vennootschap voldoen en zou dat opschorting tot gevolg hebben, dan werkt deze opschorting door in de zekerheidspositie van de pandhouder (§4.6.1). Wat dit betreft, verschilt zijn ‘comfortniveau’ echter niet van dat van een pandrecht op vorderingen. Ook daar geldt immers dat een pandhouder nadeel kan ondervinden van de bevoegde opschorting van de debiteur van de vordering waarop hij een pandrecht heeft (art. 6:53 BW).4