Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/13.4.1.6
13.4.1.6 De verhouding met derdelanden
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS302032:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de conclusie van A-G Geelhoed van 6 april 2006, zaak C-446/04 (FII group litigation), punt 121 die wijst op de bijzondere context van de intracommunautaire vrijheid van kapitaalverkeer die moet worden beschouwd als een constitutief element van de Economische en Monetaire Unie. Het feit dat het monetaire beleid, na de voltooiing van de Economische en Monetaire Unie, wordt bepaald door de Europese Centrale Bank veronderstelt een volstrekte eenheid van geld- en kapitaalverkeer. Deze context bestaat niet in het geval van kapitaalverkeer tussen lidstaten en derdelanden, ook al heeft er mondiaal in ruime mate een liberalisering van het kapitaalverkeer plaatsgevonden.
Zoals Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (PbEG, L 336, blz. 15).
HvJ EG 12 december 2006, zaak C-446/04 (FII group litigation), r.o. 171.
Dat dit zich voor kan doen met betrekking tot de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen, blijkt uit HvJ EG 18 december 2007, zaak C-101/05 (A), r.o. 58 t/m 63. In OESF liet het Hof van Justitie EG zich niet uit over de vraag of de noodzaak om vermindering van de belastingopbrengst te voorkomen tegenover derdelanden als rechtvaardiging kon worden ingeroepen, HvJ EG 20 mei 2008, zaak C-194/06 (OESF), r.o. 95.
Marres merkt in dit verband nog op dat er grond is om een belemmering van het kapitaalverkeer met derdelanden gerechtvaardigd te achten, voor zover slechts een fiscaal voordeel ongedaan wordt gemaakt. O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na ‘Werken aan winst’), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2008, p. 267.
Marres meent op grond van een vergelijking van de fraus legis jurisprudentie en art. 10a dat deze bepaling in veel gevallen waarschijnlijk niet als een bestaande belemmering is te beschouwen. O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (Artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na ‘Werken aan winst’), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2008, p. 263.
De belastingheffing door een lidstaat op economische activiteiten met grensoverschrijdende aspecten binnen de Gemeenschap is volgens het Hof van Justitie EG niet altijd vergelijkbaar met die op economische activiteiten die zich afspelen tussen lidstaten en derdelanden. De reden hiervoor is gelegen in de mate van juridische integratie van de lidstaten van de Unie,1 met name het bestaan van communautaire wetgeving die strekt tot samenwerking tussen nationale belastingdiensten.2 Daarom kan volgens het Hof niet worden uitgesloten dat ‘een lidstaat in staat zou zijn aan te tonen dat een beperking van het kapitaalverkeer naar of uit derdelanden om een bepaalde reden gerechtvaardigd is, in omstandigheden waarin die reden geen geldige rechtvaardiging zou opleveren voor een beperking van het kapitaalverkeer tussen lidstaten.’3, 4
De jurisprudentie van het Hof van Justitie EG bevat naar mijn mening geen concrete aanwijzing dat een belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer in de relatie met derdelanden eerder kan worden gerechtvaardigd met een beroep op de noodzaak om belastingontwijking te bestrijden dan in EU-verhoudingen. Hetgeen in de voorgaande paragraaf is opgemerkt over het al dan niet EU-conforme karakter van art. 10a geldt daarom evengoed in de verhouding met derdelanden.5
Wat betreft het kapitaalverkeer met derdelanden zou ten slotte de vraag op kunnen komen of art. 10a Wet VPB 1969 is te beschouwen als een beperking die reeds bestond op 31 december 1993 zoals bedoeld in art. 57, lid 1, EG-Verdrag. Aangezien de bepaling pas met ingang van 1997 van toepassing is en op 31 december 1993 nog niet bestond, ligt dat niet voor de hand. Zij is echter gedeeltelijk een voortzetting van de fraus legis jurisprudentie over winstdrainage door renteaftrek. Deze rechtspraak was er al wel op 31 december 1993.6 Wat daar ook van zij, met ingang van 2007 is de bepaling substantieel gewijzigd. Zo is de redelijke heffingstoets ingevuld door middel van het 10%-criterium. Art. 10a Wet VPB 1969 valt daarom naar mijn mening niet onder het bereik van art. 57, lid 1, EG-Verdrag.