NJB 2026/71
Het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ art. 2, aanhef en onder A, Opiumwet: op grond van art. 1 lid 5 Opiumwet is daaronder mede begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden. In casu heeft het hof vastgesteld dat de cocaïne in Nederland is geleverd aan een pseudokoper in dienst van de politie. Die vaststelling sluit niet uit – ook niet indien de mogelijkheid dat de onderhavige verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden gebracht nimmer aan de orde is geweest – dat sprake kan zijn van ‘buiten het grondgebied brengen’ zoals bedoeld in art. 2, aanhef en onder A, Opiumwet. Het hof is van een te beperkte en daarom onjuiste uitleg van ‘buiten het grondgebied brengen’ uitgegaan.
HR 19-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1943
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19 december 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, F. Posthumus
- Zaaknummer
23/04584
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1943, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:1191, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
- Wetingang
Essentie
Het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ art. 2, aanhef en onder A, Opiumwet: op grond van art. 1 lid 5 Opiumwet is daaronder mede begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden. In casu heeft het hof vastgesteld dat de cocaïne in Nederland is geleverd aan een pseudokoper in dienst van de politie. Die vaststelling sluit niet uit – ook niet indien de mogelijkheid dat de onderhavige verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden gebracht nimmer aan de orde is geweest – dat sprake kan zijn van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.