Rb. 's-Gravenhage, 06-11-2008, nr. 322025 / KG ZA 08-1352
ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9259
- Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
- Datum
06-11-2008
- Magistraten
Mr. M.Th. Nijhuis
- Zaaknummer
322025 / KG ZA 08-1352
- LJN
BG9259
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9259, Uitspraak, Rechtbank 's-Gravenhage, 06‑11‑2008
Uitspraak 06‑11‑2008
Mr. M.Th. Nijhuis
Partij(en)
Vonnis in kort geding van 6 november 2008,
gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 322025 / KG ZA 08-1352 van:
1. [eiseres sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. de stichting Stichting Landelijk Advocaten Netwerk Zeden Slachtoffers (LANZS),
gevestigd te Utrecht,
eiseressen,
advocaat mr. R.A. Korver te Amsterdam,
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's‑Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. F.W. Bleichrodt te 's‑Gravenhage.
1. De procedure
Eiseressen hebben de Staat op 27 oktober 2008 doen dagvaarden om op 6 november 2008 te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op verzoek van partijen eerder, op 5 november 2008, mondeling behandeld. Spoedshalve is op 6 november 2008 een verkort vonnis afgegeven. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 november 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Eiseres sub 1 heeft op enig moment aangifte van langdurig herhaald en ernstig seksueel misbruik gedaan tegen een door haar met name aangeduide persoon.
2.2
Eiseres sub 2 is een stichting die onder meer ten doel heeft de (rechts)positie van slachtoffers van zedenmisdrijven te verbeteren.
2.3
In juli 2008 heeft de advocaat van eiseres sub 1 van de behandelend officier van justitie vernomen dat het openbaar ministerie voornemens is om de strafzaak te seponeren.
2.4
Bij brief van 22 juli 2008 heeft de advocaat van eiseres sub 1 verzocht om inzage van het strafdossier. Over de reden hiervoor vermeldt de brief onder meer:
‘Teneinde adequaat te kunnen beoordelen of een klaagschrift ex art. 12Sv jegens Uw beslissing kans van slagen heeft dien ik vanzelfsprekend te weten welk onderzoek de politie heeft verricht en wat voor verklaringen daaruit zijn voortgevloeid. Bovendien dien ik te beoordelen of de politie alle onderzoeksmogelijkheden heeft benut, alsmede of de politie al hetgeen dat juridisch relevant is en waar cliënte kennis van draagt in het dossier heeft opgenomen.’
2.5
Bij brief van 31 juli 2008 heeft de officier van justitie dit verzoek afgewezen. De brief vermeldt onder meer:
‘Blijkens uw brief bent u er al van op de hoogte dat het Openbaar Ministerie voornemens is om te seponeren. Een sepot is een contra-indicatie ten aanzien van het verstrekken van stukken, dit gelet op de bescherming van privacy van verdachte en getuigen. Zoals u weet is er in een eventuele art 12 Sv-procedure wel de mogelijkheid om inzage te vragen.’
2.6
Bij brief van 11 augustus 2008 heeft de advocaat van eiseres sub 1 zijn verzoek herhaald in die zin dat hij thans afschrift van het strafdossier vordert. Daarbij heeft hij een beroep gedaan op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de beginselen van een behoorlijke procesorde, artikel 6 EVRM en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg).
2.7
Bij brief van 15 augustus 2008 heeft het openbaar ministerie eiseres sub 1 in kennis gesteld van de beslissing om de zaak te seponeren wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
2.8
Bij brief van 25 augustus 2008 heeft de officier van justitie het in 2.6 bedoelde verzoek afgewezen. Hierover vermeldt de brief onder meer:
‘Zoals ik u ook al heb meegedeeld in mijn brief van 31 juli 2008, weegt naar mijn oordeel in dit geval het belang van uw cliënte bij het verstrekken van een afschrift van het dossier niet op tegen de daardoor veroorzaakte schending van de privacy van de in het kader van het strafrechtelijke onderzoek gehoorde verdachte en getuigen. De WJSG staat mij onder de gegeven omstandigheden niet toe u een afschrift van het onderhavige dossier te verstrekken.’
3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer
3.1
Eiseressen vorderen, zakelijk weergegeven, de Staat te veroordelen:
primair
tot afgifte van het complete strafdossier in de zaak van het seksueel misbruik van eiseres sub 1, direct na bekendmaking van dit vonnis;
subsidiair
tot afgifte van afschrift van stukken uit het strafdossier zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren in de zaak van het seksueel misbruik van eiseres sub 1, binnen vier uren, of een andere periode zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, na bekendmaking van dit vonnis;
meer subsidiair
tot inzage van het complete strafdossier in de zaak van het seksueel misbruik van eiseres sub 1, direct na bekendmaking van dit vonnis;
uiterst subsidiair
tot inzage van die stukken uit het strafdossier zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren in de zaak van het seksueel misbruik van eiseres sub 1, binnen vier uren, of een andere periode zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, na bekendmaking van dit vonnis;
3.2
Daartoe voeren eiseressen het volgende aan.
Eiseres sub 1 heeft op grond van artikel 843a Rv recht op afschrift van het strafdossier in de zaak van haar seksueel misbruik. Haar rechtstreekse belang is erin gelegen te kunnen beoordelen of een klachtprocedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) zinvol is. Nu eiseres sub 2 opkomt voor de belangen van slachtoffers van zedenzaken, heeft zij belang bij een principiële uitspraak in deze zaak, opdat deze kan worden gebruikt in alle andere zedenzaken. Beginselen van goede procesorde brengen met zich dat afschrift wordt verkregen van het complete strafdossier. In ieder geval zijn de volgende specifieke stukken van belang:
- —
de justitiële documentatie van de verdachte;
- —
verklaringen en vastleggingen van de processen-verbaal die betrekking hebben op de verdachte;
- —
verklaringen en processen-verbaal die betrekking hebben op getuigen die in deze zaak zijn gehoord;
- —
verklaringen van deskundigen c.q. processen-verbaal van verhoren van deskundigen die in deze zaak zijn gehoord, dan wel zijn benaderd;
- —
afschrift van de eigen verklaringen van eiseres sub 1;
- —
afschrift van eventuele correspondentie gevoerd met de advocaat van de verdachte in deze zaak, alsmede correspondentie gevoerd met deskundigen.
De verlangde stukken hebben betrekking op de onrechtmatige daad die jegens eiseres sub 1 is begaan, namelijk het seksueel misbruik. Nu de officier van justitie heeft besloten om niet tot vervolging van de verdachte over te gaan, heeft eiseres sub 1 tevens een rechtsbetrekking met het openbaar ministerie. Ten aanzien van eiseres sub 2 vloeit de vereiste rechtsbetrekking genoegzaam voort uit de collectieve belangen die zij behartigt en het feit dat haar vorderingen ten behoeve van eiseres sub 1 zijn ingesteld. De stelling dat het verstrekken van informatie over personen die een rol spelen in het strafdossier een zware inbreuk op de privacy van die personen oplevert, is géén zwaarwichtige reden in de zin van lid 4 van artikel 843a Rv die afgifte verhindert. Een behoorlijke rechtsbedeling vereist in dit geval dat eiseres sub 1 inzage en afschrift van het gevorderde strafdossier krijgt.
Het recht op afgifte of inzage vloeit ook voort uit artikel 6 EVRM. Deze verdragsbepaling, althans de beginselen van een behoorlijke procesorde die daaruit volgen, heeft gelding in de artikel 12 Sv-procedure. Een van deze beginselen is dat de partijen over dezelfde stukken beschikken. Eiseres sub 1 beschikt echter niet over dezelfde stukken als het openbaar ministerie en belandt daardoor per definitie in een achtergestelde positie. Het is daarnaast in strijd met de thans vigerende gedachte bij de wetgever dat aan het slachtoffer een net zo sterke positie behoort toe te komen als aan de verdachte. Met de artikel 12 Sv-procedure is voorts geen behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd, omdat eiseres sub 1 hieraan niet op een effectieve manier kan deelnemen zoals door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van belang wordt geacht.
Eiseres sub 1 heeft spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening omdat zij vóór 7 november 2008 een klaagschrift als bedoeld in artikel 12 Sv moet indienen. Daarnaast ondervindt zij grote psychische schade en fysieke hinder als gevolg van het seksueel misbruik.
3.3
de Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
4.1
Eiseressen leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter — in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding — tot kennisneming van de vorderingen gegeven.
4.2
Eiseres sub 1 is in haar vorderingen ook ontvankelijk, nu voor hetgeen zij wil bereiken, vooruitlopend op het indienen van een eventueel klaagschrift ex artikel 12 Sv, geen andere mogelijkheden ten dienste staan en zij een evident spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De Staat heeft dit ook niet betwist.
4.3
De Staat voert wel een ontvankelijkheidsverweer ten aanzien eiseres sub 2. Dit verweer slaagt. De vorderingen in dit kort geding zijn erop zijn gericht om eiseres sub 1 afschrift of inzage te verschaffen in een strafdossier in de zaak waarin zij aangifte heeft gedaan. Dit zijn specifiek op het individu toegespitste vorderingen. In een geval als het onderhavige — waarin de belangenorganisatie slechts steun biedt aan het individu en zich geschaard heeft achter de specifieke vorderingen van het individu — is een belangenorganisatie niet-ontvankelijk, omdat en indien deze vorderingen niet tevens een éigen statutaire doelstelling dienen. Naar voorlopig oordeel is evenmin sprake van een bundeling van bij de vorderingen betrokken belangen van anderen dan eiseres sub 1. Overigens blijkt uit geen van de stukken dat (ook) eiseres sub 2 met de Staat overleg heeft gevoerd, een en ander zoals vereist door het tweede lid van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek.
4.4
Aan de orde is dan de zaak zelf. Als onweersproken staat vast dat de vordering van eiseres sub 1 betrekking heeft op strafvorderlijke gegevens in de zin van artikel 1 onder b Wjsg, namelijk gegevens over een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt. De Wjsg is hiermee dus van toepassing. Anders dan eiseres sub 1 heeft betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat niet kan worden verplicht om op grond van artikel 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken (Gerechtshof 's‑Gravenhage 4 mei 2006, LJN AW8455).
4.5
De Wjsg kent derden geen recht op informatie toe. De Staat (het College van procureurs-generaal) heeft wel de bevoegdheid om strafvorderlijke gegevens te verstrekken aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, doch uitsluitend voor zover dit voor de genoemde persoon of instanties met het oog op een zwaarwegend belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht noodzakelijk is (artikel 39f Wjsg). Het openbaar ministerie heeft terzake een grote mate van vrijheid in de afweging van de betrokken belangen. Ter beoordeling is aldus of deze afweging in dit geval in redelijkheid tot de gekozen uitkomst heeft kunnen leiden (Hoge Raad 21 december 2007, NJ 2008, 31).
4.6
De Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens 2008 (hierna: de Aanwijzing) geeft nadere invulling aan de Wjsg en biedt een kader waarin wordt aangegeven op welke wijze de Wjsg moet worden toegepast en in welke gevallen en onder welke voorwaarden en aan wie het openbaar ministerie het tot zijn taak rekent om informatie te verstrekken. Het voorkomen van inbreuk op de privacy van een betrokkene, zoals de verdachte of getuigen, weegt daarbij zwaar.
4.7
De Staat baseert haar weigering om eiseres sub 1 informatie te verstrekken op het sepot van de strafzaak waarin zij aangifte heeft gedaan. Een sepot is blijkens de Aanwijzing een contra-indicatie (onderdeel IV.2) voor het verstrekken van informatie. Uit niets volgt, en in elk geval niet onmiskenbaar, dat de Aanwijzing met de sepotgrond als contra-indicatie niet zou stroken met de Wjsg of met de geest van deze wet, zoals eiseres sub 1 stelt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt voorts niet in te zien waarom handhaving van de Aanwijzing op dit punt, gegeven de overige in het geding zijnde belangen, in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Bij een sepot wordt dus in beginsel geen informatie verstrekt. Volgens de Staat — en eiseres sub 1 heeft dit niet weersproken — doet zich hier ook geen van de in onderdeel IX.5 van de Aanwijzing vermelde uitzonderingen voor. In het licht van het voorgaande wordt, mede gelet op het zwaarwegende belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, geoordeeld dat de afweging van het openbaar ministerie in redelijkheid tot de gekozen uitkomst heeft kunnen leiden.
4.9
Het beroep op artikel 6 EVRM kan eiseres sub 1 evenmin baten. Deze verdragsbepaling is immers niet van toepassing op de artikel 12 Sv-procedure (EHRM 15 mei 2007, NJ 2007, 618).
4.10
Het voorgaande leidt tot niet-ontvankelijk verklaring van eiseres sub 2 en afwijzing van de vorderingen van eiseres sub1. Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- —
verklaart eiseres sub 2 niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
- —
wijst de vorderingen van eiseres sub 1 af;
- —
veroordeelt eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 254,-- aan griffierecht;
- —
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2008.