Einde inhoudsopgave
Circulaire Inverzekeringstelling verdachten
Tekst
Geldend
Geldend vanaf 29-12-1928
- Bronpublicatie:
29-12-1928, Stcrt. 1928, 000 (uitgifte: 29-12-1928, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
29-12-1928
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
29-12-1928, Stcrt. 1928, 000 (uitgifte: 29-12-1928, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Bijzondere onderwerpen
Penitentiair recht / Bijzondere onderwerpen
Naar mij is gebleken geven de artikelen 57 en volgende van het Wetboek van Strafvordering — speciaal artikel 61 — in de practijk tot moeilijkheden en tot verschil van opvatting aanleiding. Ten einde eensdeels aan deze moeilijkheden tegemoet te komen, anderdeels een zooveel mogelijk gelijke behandeling van de verdachten te bevorderen komt het mij gewenscht voor UEdelGrootAchtbare met mijn oordeel omtrent de naar voren gekomen vraagpunten in kennis te stellen.
Verscheidene vragen rezen ten aanzien van den termijn van zes uren, genoemd in het tweede lid van artikel 61.
Allereerst heerscht verschil van opvatting omtrent het tijdstip waarop deze termijn geacht moet worden te beginnen, in geval van aanhouding, gevolgd door min of meer langdurige overbrenging naar een plaats van verhoor. Eenigen verdedigen het standpunt, dat de zes uren dan beginnen op het oogenblik van aanhouding; anderen, dat zij eerst aanvangen als de verdachte op de plaats van verhoor is aangekomen.
De laatste opvatting schijnt mij de juiste. De artikelen 53 en volgende van het Wetboek van Strafvordering onderscheiden:
- 1°
- 2°
zijn geleiding naar een plaats van verhoor (art. 53, lid 2, en 54, lid 1) of, indien de aanhouding niet door den officier van justitie of een hulpofficier geschiedde, zijn voorgeleiding voor den officier of een hulpofficier (art. 53, lid 2 en 3, en 54);
- 3°
het verhoor van den verdachte door den officier of hulpofficier (art. 57, lid 1, en 61).
Teneinde te voorkomen, dat aan de mogelijkheid van vasthouden voor het verhoor — de woorden ‘na te zijn verhoord’ in art. 61, lid 1 — ‘het recht (zou) worden ontleend tot eene soort van politiebewaring, staande naast de inverzekeringstelling van artikel 58 (thans 57)’ — Memorie van Toelichting, blz. 58 — is in het tweede lid van artikel 61 een bepaling opgenomen, dat de verdachte in geen geval langer dan zes uren voor het verhoor mag worden opgehouden. De tijd, verstreken gedurende de aanhouding en de geleiding naar een plaats van verhoor, eventueel de voorgeleiding, behoeft dus bij de berekening van de zes uren niet te worden meegerekend.
In dit verband is nog het tijdstip van belang, waarop de ‘voorgeleiding’ van den verdachte voor den officier van justitie of een hulpofficier geacht moet worden te zijn geëindigd; dan toch begint de ophouding ‘voor het verhoor’, welke zes uren - afgezien van den tijd tusschen middernacht en negen uur voormiddags — niet mag overschrijden.
Het begrip ‘voorgeleiden’ moet m.i. te dezen geïnterpreteerd worden zoowel in verband met het correspondeerend begrip: ‘geleiden naar een plaats van verhoor’ als met de ratio van het laatste lid van artikel 61. Dan blijkt ‘voorgeleiden’ niet geheel samen te vallen met het concrete brengen vóór den officier of hulpofficier. Een aangehouden verdachte wordt bijv. in den laten avond door een opsporingsambtenaar naar de woning van den officier van justitie gebracht. De officier is aanwezig, doch acht het gewenscht den verdachte niet te zijnen huize, doch bijv. op het Parket of op het politiebureau te verhooren. De voorgeleiding is dan eerst geëindigd op het moment, dat de verdachte ten Parkette of ten politiebureele aankomt (Vgl. ook bladz. 54 van de Memorie van Toelichting).
Omgekeerd kan de ‘voorgeleiding’ ook eerder eindigen, dan het concrete brengen voor den officier of hulpofficier van justitie. De mogelijkheid bestaat, dat bij aankomst op de plaats van verhoor hetzij de officier (hulpofficier) nog niet aanwezig is, hetzij door andere bezigheden wordt verhinderd het verhoor terstond aan te vangen. In een dergelijk geval brengt een redelijke interpretatie van de artikelen 53 en volgende naar mijn oordeel mede, de zes uren van ophouding voor het verhoor op het tijdstip van aankomst op de plaats van verhoor te doen aanvangen. Bij een andere opvatting zou weer het gevaar ontstaan, hetwelk het tweede lid van artikel 61 blijkens de Memorie van Toelichting juist tracht te bestrijden: dat politiebewaring van verdachten wordt toegepast naast de inverzekeringstelling van artikel 57.
(Onder ‘plaats van verhoor’ is in dit verband, indien de voorgeleiding bevolen is en de aanhouding elders plaats vindt, te verstaan de plaats, waar de bevelende autoriteit gewoon is zijn verhooren af te nemen. Niet als zoodanig is dus bijv. te beschouwen een politiebureau elders, waar de verdachte tot de eerste vervoergelegenheid wordt ondergebracht.)
Een ander vraagpunt, hetwelk in de practijk met betrekking tot artikel 61 naar voren kwam, betreft verdachten, die niet-nuchter op de plaats van verhoor aankomen. Gelden de uren van ontnuchtering dan voor de zes uur van artikel 61 mee? Naar mijn oordeel niet, ten minste indien de verdachten bij aanhouding in een dusdanigen staat verkeerden, dat zij ook niet-verdacht zouden zijn aangehouden. In dat geval toch kan de aanhouding geacht worden voor een dubbel doel te zijn geschied: in de eerste plaats om hen gedurende hun dronkenschap zoowel in het algemeen als in hun eigen belang op een ter ontnuchtering passende plaats te brengen, in de tweede plaats om hen na afloop der ontnuchtering als verdachten te verhooren. De uren van ontnuchtering zelf worden zij dan echter niet ‘voor het verhoor opgehouden’.
Iets dergelijks geldt, indien de aangehouden verdachte door een verwonding, door bewusteloosheid of door andere omstandigheden niet in staat is een verhoor te ondergaan.
Kan in de laatstbesproken gevallen het gedwongen verblijf van een verdachte ten politiebureele eventueel langer dan zes uren duren, dit moet m.i. niet geschieden in een ander geval, waarin de practijk verdachten wel eens langer dan dien termijn schijnt te hebben opgehouden: het geval, dat verdenking bestaat ten aanzien van meerdere strafbare feiten. Theoretisch is het dan wellicht verdedigbaar den verdachte voor ieder feit afzonderlijk zes uren vast te houden, hoewel deze handelwijze, waar de strafbare feiten wellicht in één strafproces zullen worden vervolgd, ook op goede gronden kan worden bestreden. Practisch, en gezien de grondgedachte van artikel 61, schijnt mij een zoodanig langer vasthouden in het omschreven geval echter steeds ongewenscht: ik moge derhalve bij deze uitdrukkelijk voorschrijven bij verdenking wegens meerdere strafbare feiten een verdachte niet langer dan zes uren voor een verhoor op te houden. Is zes uur in een bepaald geval onvoldoende, zoo moet óf een bevel tot inverzekeringstelling worden gegeven, óf, bijv. in een geval, dat zoodanig bevel niet is toegelaten (art. 58, lid 1), een gerechtelijk vooronderzoek worden uitgelokt.
(Van de voorgaande casus-positie moet het geval worden onderscheiden, dat oorspronkelijk geen verdenking bestaat ten aanzien van meerdere strafbare feiten, doch verdenking ook ten aanzien van andere feiten bij de verhoorende autoriteit eerst tijdens het verhoor opkomt. In een dergelijk geval kan een duur van het tweede verhoor, zoodanig dat de beide verhooren gezamenlijk zes uren overschrijden onder omstandigheden — ik denk speciaal aan het geval dat de verdenking voor de nieuwe feiten tegen het einde van de oorspronkelijke zes uur ontstaat — geoorloofd zijn en zou ik hem niet steeds willen uitsluiten. Wel moet er aan worden vastgehouden, dat van een tijdens het verhoor gerezen nieuwe verdenking sprake moet zijn.)
In het voorbijgaan zij, in verband met gebleken afwijkende meeningen uitdrukkelijk aangeteekend, dat het voorschrift van art. 61, tweede lid, ook geldt voor de gevallen, waarin voorloopige hechtenis en dus ook inverzekeringstelling is toegelaten. In een zoodanig geval zal, indien na zes uren het verhoor nog niet is afgeloopen, een bevel tot inverzekeringstelling moeten worden gegeven.
Wenschelijk schijnt mij ten slotte inachtneming van artikel 61 in een geval, waarvoor dit artikel wellicht niet rechtstreeks geldt: indien een verdachte op een plaats van verhoor ontboden, aldaar vrijwillig is verschenen. Zes uren na aankomst op de plaats van verhoor zal een dergelijke verdachte, naar ik bij deze moge voorschrijven, niet meer tegen zijn wil mogen worden vastgehouden, onafhankelijk van de omstandigheid, of hij gedurende de eerste uren van zijn verblijf op de plaats van verhoor aldaar wel in eigenlijken zin is ‘opgehouden’ (= vastgehouden). Het schijnt toch billijk den vrijwillig verschenen verdachte, die zich overigens meestal ter plaatse van het verhoor of tijdens het verhoor wel niet anders dan met een met dwang verschenene gelijk zal wanen, bij den met dwang aangehoudene en voorgeleide niet achter te stellen.
Uiteraard bestaat echter geen enkel bezwaar — dit is trouwens een opmerking van meer algemeene strekking — tegen een vrijwillig langer verblijf, ook zonder bevel van inverzekeringstelling, van den verdachte op de plaats van verhoor. Slechts zal te dezen alle misverstand uitdrukkelijk zijn te vermijden: met zooveel woorden zal de verdachte, na het verstrijken van den termijn, op zijn recht te vertrekken moeten worden gewezen.
In de tweede plaats rezen in de practijk vragen omtrent de behandeling van den verdachte gedurende de zes uren van ophouding voor het verhoor.
Boven werd reeds het geval vermeld, dat bij aankomst van den verdachte op de plaats van verhoor, door tijdelijke afwezigheid of verhindering door andere bezigheden van den officier of hulpofficier, het verhoor van artikel 57 niet terstond kan aanvangen. De zes uren beginnen, waar de ‘voorgeleiding’ is afgeloopen, dan toch te loopen. In een dergelijk geval is het echter niet noodig, en ook vaak niet raadzaam, den tijd nutteloos te laten voorbijgaan. Het eigenlijke verhoor van den officier of hulpofficier zal veelal al vast kunnen worden voorbereid. Een opsporingsambtenaar kan, tenzij het belang van het onderzoek medebrengt, dat zulks niet geschiedt, den verdachte voorloopig vragen stellen. Het door den officier van justitie (hulpofficier) later — uiteraard zoodra mogelijk — af te nemen verhoor kan, indien wenschelijk, dan aanvangen met voorlezing aan den verdachte van een van deze vragen en de daarop ontvangen antwoorden opgemaakt proces-verbaal.
Een verder vraagpunt betreft de verblijfplaats van den verdachte, die op een plaats van verhoor aangekomen nog niet terstond kan worden verhoord. Hij zal in een wachtlokaal of dergelijke gelegenheid moeten worden ondergebracht, tenzij hij zelf - bijv. in den tijd van de nachtrust — een bed in een lokaal, voor inverzekeringstelling bestemd, mocht verkiezen.
Ter voorkoming van misverstand zij er ten slotte aan herinnerd, dat uitzonderingen op de artikelen 53 en 61 zijn opgeomen in de later in het Wetboek van Strafvordering ingevoegde voorschriften van artikel 370, lid 2, en artikel 386, lid 2.
Een zestigtal exemplaren van deze circulaire, voor het Openbaar Ministerie en de hoogere politie-autoriteiten in Uw ressort, gaat te Uwen gebruike hiernevens. De circulaire zal ook worden opgenomen in het Algemeen Politieblad.