Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.8.3.4
10.8.3.4 Ongedaanmakingsverbintenissen en verbintenissen uit onverschuldigde betaling
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590679:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Het navolgende leent zich naar mijn mening één op één voor overeenkomstige toepassing op een verbintenis tot ongedaanmaking ex art. 6:271 BW.
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 142-143.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 810, sub 5.
Vgl. voor de achtergrond van deze regeling HR 31 maart 1978, NJ 1978, 363 (Sociale Verzekeringsbank/St. Jansgeleen), m.nt. GJS; M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1424-1425; Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 142.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 810, sub 6.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 810, sub 6.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 810, sub 7. Zie ook Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 435. Anders: Verdaas 2008a, nr. 347, die schrijft dat een redelijke wetsuitleg tot de conclusie leidt dat een betaling aan de pandhouder tevens mag worden aangemerkt als een betaling aan de pandgever in de in art. 6:203 lid 1 BW bedoelde zin.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 810, sub 7. Met name in het faillissement van de inningsbevoegde derde zal de schuldenaar hiervan gebruik willen maken.
Dat de schuldenaar door de betaling aan de inningsbevoegde derde nakomt aan de schuldeiser, is voor de vordering uit onverschuldigde betaling niet van belang. Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143.
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143. Een andere onderbouwing is dat de schuldenaar na afloop van de executie zijn recht heeft verwerkt. Zie H.J. Snijders 2008, p. 1.
Zie voor pand, Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143. Vgl. Verdaas 2008a, nr. 347, die naar mijn mening echter het stand punt van Kortmann niet geheel juist weergeeft.
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143.
Zie HR 30 november 2001, NJ 2002, 419 (De Jong/Carnifour), m.nt. H.J. Snijders, JOR 2002/23, m.nt. J.J. van Hees; en HR 24 november 2006, NJ 2007, 540 (FIC/Van Lieshout), m.nt. H.J. Snijders, JOR 2007/26, m.nt. A.J. Verdaas.
Zie ook J.J. van Hees in HR 30 november 2001, JOR 2002/23 (De Jong/Carnifour); Bartels 2002, p. 588 e.v.; Bartels 2004, p.163-169; Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 143; A.J. Verdaas noot onder HR 24 november 2006, JOR 2006/26 (FIC/Van Lieshout); Verdaas 2008a, nr. 347. Anders: Bartels 2007, p.79; en H.J. Snijders 2008, p.1. Bij deze uitleg van het artikel past de kanttekening dat de wetgever met deze bepaling buiten twijfel heeft willen stellen dat de betaling door de derde-beslagene aan de deurwaarder ook bevrijdend is jegens de geëxecuteerde. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 181; zie nader Bartels 2002, p. 591.
Zie o.a. HR 5 september 1997, NJ 1998, 437 (Ontvanger/Hamm q.q.), m.nt. PvS; HR 7 juni 2002, NJ 2002, 608 (Komdeur q.q./Nationale Nederlanden), m.nt. JBMV; en recentelijk HR 8 juni 2007, JOR 2007/221. Vgl. voorts o.a. Kortmann 2006, en Vriesendorp 2007, met verdere verwijzingen.
653. Bij verbintenissen uit onverschuldigde betaling dient blijkens de parlementaire geschiedenis een onderscheid te worden gemaakt tussen de inningsbevoegde derde die in eigen naam de betaling in ontvangst heeft genomen en de inningsbevoegde derde die in naam van de schuldeiser de betaling in ontvangst heeft genomen.1
Bij onmiddellijke vertegenwoordiging wordt de ontvangst van de betaling aan de schuldeiser toegerekend (art. 3:66 lid 1 (jo 3:78) BW). De schuldeiser wordt als de ontvanger van de betaling in de zin van art. 6:203 BW beschouwd.2 Op grond hiervan rust op hem de verbintenis uit hoofde van onverschuldigde betaling.3
Heeft de onmiddellijke vertegenwoordiger onbevoegd de betaling in ontvangst genomen, dan voorziet art. 6:204 lid 2 BW in een regeling.4 De vordering uit onverschuldigde betaling dient te worden ingesteld tegen de onbevoegde vertegenwoordiger. Dit volgt ook uit art. 3:70 BW.5 Heeft de onbevoegde onmiddellijk vertegenwoordiger de geldsom echter aan de schuldeiser doorbetaald in een periode waarin hij redelijkerwijze met de verplichting tot terugbetaling geen rekening behoefde te houden, dan kan deze vordering blijkens art. 6:204 lid 2 BW niet tegen hem worden ingesteld. Als de betaling aan de vertegenwoordiger alleen onverschuldigd was, omdat hij niet tot de ontvangst bevoegd was, dan bestaat geen vordering uit onverschuldigde betaling, voorzover de schuldeiser gebaat is door de betaling (art. 6:32 BW). Bestond voor de betaling geen grondslag, dan kan de schuldenaar het betaalde van de schuldeiser, die door de betaling is gebaat, op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) terugvorderen.6
Wordt onverschuldigd betaald aan een derde die de betaling in eigen naam in ontvangst neemt, dan is art. 3:66 lid 1 BW niet van toepassing. De vordering uit onverschuldigde betaling moet worden ingesteld tegen de derde die de betaling in ontvangst heeft genomen.7 Voorzover de inningsbevoegde derde het geïnde aan de schuldeiser heeft doorbetaald, of voorzover de schuldeiser op een andere wijze door de betaling is gebaat, is een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens de schuldeiser denkbaar.8 Is derhalve onverschuldigd betaald aan een inningsbevoegde pandhouder, vruchtgebruiker of lasthebber in eigen naam, dan rust de verbintenis uit hoofde van onverschuldigde betaling op hem.9 Heeft de pandhouder zich uit het geïnde voldaan, en is daardoor de schuld van de pandgever jegens de pandhouder verminderd, dan kan de schuldenaar ook de pandgever uit ongerechtvaardigde verrijking aanspreken. Hetzelfde geldt voor de vruchtgebruiker en de lasthebber in eigen naam als het geïnde is bijgeschreven op een rekening van de hoofdgerechtigde dan wel de lastgever. Ten aanzien van de betaling van de rentevordering bij vruchtgebruik geldt dat de schuldenaar alleen de vruchtgebruiker kan aanspreken, die immers de schuldeiser van de rentevordering is.
De openbaar pandhouder die zich ex art. 3:253 lid 1 BW te goeder trouw uit het geïnde heeft voldaan, een andere schuldeiser heeft betaald of het overschot heeft afgedragen aan de pandgever, is echter van zijn verplichting tot teruggave bevrijd. Een andere zienswijze niet zou stroken met het stelsel van de wet dat een eenmaal voltooide executie naderhand kan worden aangetast.10 De uitkomst is vergelijkbaar met die in art. 6:204 lid 2 BW en leent zich naar mijn mening voor overeenkomstige toepassing op een betaling aan de vruchtgebruiker en de lasthebber in eigen naam, voor zover zij het geïnde aan de schuldeiser hebben doorbetaald in een periode waarin zij redelijkerwijze met de verplichting tot terugbetaling geen rekening behoefden te houden. De pandgever, de hoofdgerechtigde en de lastgever kunnen niet uit onverschuldigde betaling, maar wel op grond van ongerechtvaardigde verrijking door de schuldenaar worden aangesproken.11
Bij derdenbeslag dient de schuldenaar (de derde-beslagene) overeenkomstig de door hem afgelegde derde-verklaring (art. 476a-476b Rv) aan de deurwaarder te betalen (art. 477 lid1 Rv). De deurwaarder ontvangt de prestatie in eigen naam.12 De derde-beslagene kan zijn verklaring herroepen. De derde-verklaring vormt geen grondslag voor de betaling aan de deurwaarder.13 De mogelijkheid bestaat derhalve dat de schuldenaar onverschuldigd betaalt aan de deurwaarder. In dat geval heeft hij in beginsel een vordering uit onverschuldigde betaling jegens de deurwaarder. Betaling door de derde-beslagene overeenkomstig zijn buitengerechtelijke verklaring geldt echter als een betaling aan de geëxecuteerde (art. 477b lid 1 Rv). Art. 477b lid 1 Rv bewerkstelligt daarmee een vergelijkbaar rechtsgevolg als art. 3:66 lid 1 BW, namelijk dat de schuldenaar geen vordering uit onverschuldigde betaling jegens de deurwaarder heeft, maar jegens de geëxecuteerde.14 Heeft de deurwaarder het ontvangene uitbetaald aan de beslaglegger, dan heeft de derde-beslagene naast een vordering uit onverschuldigde betaling jegens de geëxecuteerde ook een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens de beslaglegger.
De curator is geen onmiddellijke vertegenwoordiger van de boedel. Wordt tijdens faillissement onverschuldigd aan de faillissementscurator betaald, dan drukt blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad de verbintenis uit onverschuldigde betaling echter als boedelvordering op het faillissementsvermogen.15 Hoewel de curator dat niet is, wordt hij in het kader van een onverschuldigde betaling door de Hoge Raad (kennelijk) aan een onmiddellijke vertegenwoordiger gelijkgesteld. Zou hij immers worden beschouwd als een derde die de betaling in eigen naam in ontvangst neemt, zoals een pandhouder, dan zou de betalingsverplichting ex art. 6:203 BW op hem persoonlijk rusten, en zou de schuldenaar alleen een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking jegens de boedel hebben.
654. Bij vernietiging of ontbinding kan de schuldenaar die aan de stille cedent heeft betaald, hem op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW aanspreken op grond van zijn verbintenis uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) respectievelijk zijn ongedaanmakingsverbintenis (art. 6:271 BW). Hetzelfde geldt als de schuldenaar aan hem een verbintenis onder opschortende voorwaarde heeft betaald, waarvan de voorwaarde nog niet was vervuld, of een alternatieve verbintenis, ten aanzien waarvan de stille cedent nog geen keuze had uitgebracht. De schuldenaar kan op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW de stille cedent als zijn schuldeiser blijven beschouwen tot het moment van mededeling en kan derhalve de vordering tot terugbetaling of ongedaanmaking tegen hem instellen. De schuldenaar zou beide soorten vorderingen ook tegen de stille cedent hebben kunnen instellen zonder de bescherrningsbepaling van art. 3:94 lid 3 BW. Gaat de vordering over anders dan door stille cessie, is aan de oude schuldeiser een privatieve last tot inning verleend en betaalt de schuldenaar aan de oude schuldeiser, dan kan hij van hem het betaalde uit hoofde van de verbintenis uit onverschuldigde betaling dan wel de ongedaanmakingsverbintenis vorderen. Dit lijdt alleen uitzondering in het geval dat de oude schuldeiser als lasthebber het geïnde aan de nieuwe schuldeiser heeft doorbetaald in een periode waarin hij redelijkerwijze met de verplichting tot terugbetaling geen rekening behoefde te houden. Als de stille cedent het betaalde aan de stille cessionaris heeft doorbetaald, kan de schuldenaar, bijvoorbeeld in het faillissement van de stille cedent, de stille cessionaris op grand van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) aanspreken.