Hof Leeuwarden, 19-09-2001, nr. WAHV01/00072
ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7861
- Instantie
Hof Leeuwarden
- Datum
19-09-2001
- Zaaknummer
WAHV01/00072
- LJN
AD7861
- Roepnaam
sloopvergunning Waterland
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHLEE:2001:AD7861, Uitspraak, Hof Leeuwarden, 19‑09‑2001; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
AB 2002, 306 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Uitspraak 19‑09‑2001
Inhoudsindicatie
-
WAHV 01/00072
19 september 2001
CJIB 21789953
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter te Zevenbergen
van 14 juni 2000 en van 28 december 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissingen van de kantonrechter
De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda tot twee maal toe niet-ontvankelijk verklaard. De beslissingen van de kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl. 300,00 opgelegd ter zake van "als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het niet overeenstemt met gegevens op kentekenbewijs / in het -register", welke gedraging zou zijn verricht op 24 mei 1998 op de Rijksweg A16 in de gemeente Moerdijk.
3.2. Het door de betrokkene tegen deze beschikking ingestelde beroep is door de officier van justitie ongegrond verklaard. De betrokkene heeft vervolgens beroep ingesteld bij het kantongerecht. Op 19 mei 1999 heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. De betrokkene heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingesteld. Op 21 maart 2000 heeft de Hoge Raad der Nederlanden de beslissing van de kantonrechter vernietigd en de zaak teruggewezen, omdat de aan de betrokkene gedane mededelingen omtrent de verplichting tot zekerheidstelling niet juist waren.
3.3. De griffier van het kantongerecht heeft bij brief van 20 april 2000 de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld zekerheid te stellen. Op 14 juni 2000 heeft de kantonrechter de betrokkene wederom niet-ontvankelijk in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. Bij brief van 18 juli 2000, ingekomen bij het kantongerecht op 19 juli 2000, heeft de betrokkene tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
3.4. De griffier van het kantongerecht heeft vervolgens het kopie dossier
ingezonden naar de griffie van het hof. De griffier van het hof heeft voormeld dossier geretourneerd met het verzoek het originele dossier in te zenden. Hierop heeft de griffier van het kantongerecht bij brief van 23 oktober 2000 nogmaals de betrokkene in de gelegenheid gesteld zekerheid te stellen. Vervolgens heeft de kantonrechter op 28 december 2000 de betrokkene nogmaals niet-ontvankelijk in het beroep verklaard wegens het niet-tijdig stellen van zekerheid. Bij brief van 3 februari 2001, ingekomen bij het kantongerecht op 9 februari 2001, heeft de betrokkene ook tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
3.5. Naar aanleiding van voornoemde gang van zaken, overweegt het hof het navolgende.
3.6. In deze zaak moet ervan worden uitgegaan, dat - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - de kantonrechter op eenzelfde beroepschrift tweemaal een beslissing heeft gegeven, op 14 juni 2000 en op 28 december 2000. Nu echter de beslissing van 14 juni 2000 niet door enige rechterlijke uitspraak is vernietigd, kon niet met voorbijgaan van deze beslissing opnieuw op het beroep worden beslist, zoals de kantonrechter op 28 december 2000 heeft gedaan. Dit houdt in, dat de beslissing van de kantonrechter van 28 december 2000 dient te worden vernietigd en dat de - hiervoor onder 3.4. weergegeven - rechtsgang voor de beoordeling van de onderhavige zaak buiten beschouwing moet worden gelaten.
3.7. Met betrekking tot het - tijdige - beroepschrift van de betrokkene van 18 juli 2000, gericht tegen de beslissing van de kantonrechter van 14 juni 2000, overweegt het hof het volgende.
3.8. Bij de stukken van het geding bevindt zich de in de bestreden beslissing bedoelde mededeling omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 20 april 2000 van de griffier van het kantongerecht aan de betrokkene. Deze brief kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV, nu als termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld is vermeld "binnen twee weken" in plaats van "binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling". Zulks brengt in beginsel met zich mee, dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd en dat aan de betrokkene een nieuwe termijn zal moeten worden gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen. Het hof is echter van oordeel, dat in het onderhavige geval voornoemd uitgangspunt uitzondering moet lijden. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
3.9. Gelet op de inhoud van het - hiervoor onder 3.2. weergegeven - arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 21 maart 2000 alsmede de inhoud van het beroepschrift van de betrokkene van 18 juli 2000, is het hof ervan overtuigd, dat de betrokkene de informatie omtrent de zekerheidstelling heeft begrepen, maar dat hij niet van plan is te voldoen aan de voorwaarde die de wet stelt voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter.
3.10. Nu de betrokkene aldus niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de omstandigheid, dat de ingevolge art. 11, derde lid, WAHV aan betrokkene verstrekte informatie ten aanzien van de termijn waarbinnen zekerheid dient te zijn gesteld, niet juist is, vergt die enkele omstandigheid niet dat de betrokkene met vernietiging van het vonnis van de kantonrechter een nieuwe termijn wordt gesteld waarbinnen hij alsnog zekerheid kan stellen.
3.11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter de betrokkene terecht in het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.12. Niettemin kan de beslissing van de kantonrechter, gelet op het navolgende, niet worden bevestigd.
3.13. Het tweede lid van art. 13 WAHV schrijft voor dat de beslissing van de kantonrechter op een openbare zitting wordt uitgesproken. Uit de beslissing zelf blijkt niet dat de uitspraak in het openbaar is gedaan. Verder bevindt zich bij de stukken van het geding niet een proces-verbaal waaruit kan volgen dat de uitspraak is gedaan op een openbare zitting. Het voorschrift met betrekking tot de openbaarheid van de uitspraak is voor een goede rechtspleging van zo wezenlijke betekenis dat de niet-naleving daarvan leidt tot nietigheid van de betreffende beslissing.
3.14. Het hof zal daarom ook de bestreden beslissing van 14 juni 2000 vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter van 28 december 2000;
vernietigt de beslissing van de kantonrechter van 14 juni 2000;
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van de heer Jongeling als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.