NJ 2004, 90:Een arbitraal vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, heeft tussen partijen in een procedure voor de burgerlijke rechter gezag van gewijsde indien het gaat om de beoordeling van dezelfde rechtsbetrekking in geschil. Van dat laatste is sprake wanneer — onder de noemer van onrechtmatige daad — exact hetzelfde feitencomplex aan de burgerlijke rechter wordt voorgelegd dat tevoren door het scheidsgerecht was beoordeeld onder de noemer wanprestatie. De stelling dat een arbiter nimmer bevoegd zou zijn (mede) te oordelen op de grondslag onrechtmatige daad, vindt geen steun in het recht.