Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/6.3.4.2
6.3.4.2 Verklaring van recht omtrent overeenkomst tot arbitrage
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS505946:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport van P. SCHLOSSER, no. 64; vgl. in dezelfde zin het rapport van D.I. EVRIGENIS, no. 35; in dezelfde zin H. VAN HOU'FIE, Why Not Include Arbitration in the Brussels Jurisdiction Regulation?, Arbitration International 2005, blz. 514.
Vgl. HvJ EG 10 februari 2009 (Allianz/West Tankers), nos. 23 e.v., RvdW 2009, 546, LATER 2009, blz. 161, m.nt. J.J. VAN HAERSOLTE-VAN HOF, JBPr 2010,1, m.nt. I.P.M. VAN DEN NlEUWENDUK.
Ik merk op dat art. 27 EEX-Verordening evenmin van toepassing is; dientengevolge zal een rechter in een EU-land een tweede vordering strekkende tot een verklaring van recht of al dan niet een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat (volgend op een identieke eerste vordering bij een rechter in een ander EU-land) 'gewoon' in behandeling kunnen nemen (zie ook H. VAN HouTrE, Why Not Include Arbitration in the Brussels Jurisdiction Regulation?, Arbitration International 2005, blz. 514).
Voor het bevel tot staking van medewerking aan een arbitraal geding geldt dit mijns inziens a priori.
Zie ook H. VAN HourrE, Why Not Include Arbitration in the Brussels Jurisdiction Regulation?, Arbitration International 2005, blz. 514.
Vgl. HvJ EG 10 februari 2009 (Allianz/West Tankers), nos. 23 e.v., Rvc/FV2009, 546, LATER 2009, blz. 161, m.nt. J.J. VAN HAERSOLTE-VAN HoF,TBPr 2010, 1, m.nt. I.P.M. VAN DEN NlEUWENDUK.
Als een eisende partij bij de gewone rechter een verklaring van recht vraagt of al dan niet een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat, zal dit het onderwerp van het geding vormen, zulks afgezien van de vraag of een verklaring van recht daaromtrent volgens het toepasselijk recht is toegelaten (zie 12.2).
In het algemeen wordt aangenomen dat, als de vraag of al dan niet een overeenkomst tot arbitrage bestaat het onderwerp van het geding vormt, de vraag wegens art. 1 lid 2 (d) EEX-Verordening (art. 1(4) EEX) buiten het toepassingsgebied van de EEX-Verordening zal vallen.1 Hetzelfde moet mijns inziens worden aangenomen als het onderwerp van het geding een bevel tot staking van medewerking aan een arbitraal geding betreft. Beide vorenstaande aspecten komen tot uiting in het volgende citaat:
’64. (...) Het Executieverdrag heeft geen betrekking op gerechtelijke procedures die ten dienste staan van een arbitrageprocedure, zoals bij voorbeeld procedures voor de benoeming of afzetting van scheidsrechters, voor de bepaling van de plaats van arbitrage, voor de verlenging van de termijn voor de uitspraak of voor de verkrijging van een prejudiciële beslissing over materiële vragen, zoals het Engelse recht die kent in de vorm van het 'statement of special case' (sec. 21 Arbitration Act 1950). Ook een rechtelijke [sic, GJM] beslissing waarbij de geldigheid of ongeldigheid van een arbitrageovereenkomst wordt vastgesteld, of waarbij de partijen wordt bevolen de arbitrageprocedure niet voort te zetten vanwege die ongeldigheid, valt niet onder het Executieverdragr,2
De vordering van een bevel tot staking van medewerking aan een arbitraal geding kan als een vordering strekkende tot het (niet) voeren van een arbitraal geding worden aangemerkt die (ook) volgens het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Marc Rich/Società Italiana Impianti buiten het toepassingsgebied van de EEXVerordening valt (zie voorts 6.3.2; zie ook 12.2.2 met betrekking tot anti-suit injunctions en anti-arbitration injunctions).3
Ook de vordering tot verklaring van recht dat (al dan niet) een geldige overeenkomst tot arbitrage tussen partijen bestaat, valt mijns inziens buiten het toepassingsgebied van de EEX-Verordening. Indien evenwel een verklaring van recht dat een geldige arbitrageovereenkomst bestaat gevolgen heeft die afbreuk doen aan het nuttig effect van de EEX-Verordening, bijvoorbeeld als de verklaring een gerecht van een ander EU-land verhindert de bevoegdheden uit te oefenen die het krachtens de EEX-Verordening zijn toegekend, zal de verklaring toch onverenigbaar met de EEX-Verordening kunnen zijn (vgl. wel 6.3.4.3 sub b in fine).4Aangezien het bevel tot staking van medewerking aan een arbitraal geding en de verklaring van recht dat (al dan niet) een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat buiten het toepassingsgebied van de EEX-Verordening vallen, komen beslissingen daaromtrent niet volgens de EEX-Verordening in een ander EU-land voor erkenning en/of tenuitvoerlegging in aanmerking.5 Juist ook omdat een verklaring van recht dat een geldige arbitrageovereenkomst bestaat in een ander EU-land niet voor erkenning in aanmerking komt, zal zo'n verklaring mijns inziens een gerecht niet spoedig verhinderen de bevoegdheden uit te oefenen die het krachtens de EEXVerordening heeft, zoals zojuist genoemd, en zal zo'n verklaring derhalve niet spoedig met de EEX-Verordening onverenigbaar worden geacht.6 Wel zij bedacht dat op grond van een beslissing van de gewone rechter in een bepaald EU-land houdende een verklaring van recht dat een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat, de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis van een gewone rechter uit een ander EU-land, die zich ondanks een beroep op de overeenkomst tot arbitrage bevoegd verklaarde en een beslissing omtrent het geschil ten gronde gaf, zouden kunnen worden geweigerd. Zulks is mijns inziens mogelijk op grond van art. 34 lid 3 EEX-Verordening en art. 45 EEX-Verordening.7 Art. 34 lid 3 EEX-Verordening luidt:
’Een beslissing wordt niet erkend indien:
1. (...).
2. (...).
3. de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing."
Art. 45 EEX-Verordening bepaalt dat, op de in art. 34 EEX-Verordening genoemde gronden, de ingevolge art. 41 EEX-Verordening gegeven verklaring van tenuitvoerlegging kan worden geweigerd of ingetrokken. Indien wij mogen aannemen dat erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing ten gronde in een bepaald EUland kunnen worden geweigerd wegens onverenigbaarheid met een in het desbetreffende land gegeven verklaring van recht, dan zouden wij mijns inziens niet op die enkele grond mogen concluderen dat de verklaring van recht het gerecht dat de beslissing ten gronde geeft, verhindert de bevoegdheden uit te oefenen die het krachtens de EEX-Verordening zijn toegekend, hetgeen als maatstaf geldt voor een "verbod" van zo'n verklaring van recht.8 Zo zal de beslissing ten gronde alleen al in (een aantal) EU-landen voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komen waarin niet (tevens) een dergelijke verklaring van recht is gegeven.