Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361914:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor invulling van het begrip op de hoogte zijn of behoort te zijn ook hetgeen hiervoor onder 5.1.1.2 is weergegeven.
Zie voor het buitenland par. 30-31VVG 2008 (Anzeige des Versicherungsfalles und Auskunftsplficht, Duitsland), art. 19 en 21 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (België) en art. L113-2 sub 4 Code ass. (Frankrijk)
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 231.
Eerder (Wansink-bundel 2006, p. 433) heb ik betoogd dat de wettekst, waarin erover gesproken wordt dat de verzekeraar het vervallen van het recht op uitkering slechts kan 'bedingen' voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad, niet gelukkig gekozen is: 'bedingen' kan de verzekeraar het verval van recht wel degelijk, ook zonder het vereiste van de belangenbenadeling op te nemen. Hij kan er echter eerst een 'beroep op doen' indien aan het vereiste van belangenbenadeling voldaan is.
Zie voor een bespreking van de onderhavige materie in breder verband N. van Tiggele-van der Velde, 'In een redelijk belang geschaad zijn. Over 'handjes en voetjes' en een onderzoek naar de (bewijsrechtelijke) invulling in de praktijk', in Wansink-bundel 2006, p. 431 e.v.
Inleidend
Zodra de verzekeringnemer of de verzekerde van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is, of behoort te zijn,1 rust op hem een tweetal verplichtingen. Dat is allereerst het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is melden van die verwezenlijking (art. 941 lid 1 BW) en verder het binnen redelijke termijn aan de verzekeraar verschaffen van die inlichtingen en bescheiden die voor laatstgenoemde van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen (art. 941 lid 2 BW).2 Uitgangspunt in deze fase is dat het steeds de verzekeraar zal zijn die op de niet-nakoming van deze verplichtingen een beroep doet: het is immers de verzekeraar die, ingeval hij kan aantonen dat de verzekeringnemer een dergelijke verplichting niet nakomt, de laatste op grond van wanprestatie ex 6:74 BW tot vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt, kan aanspreken en - zo de verzekeringnemer tevens verzekerde is - deze schadevergoeding kan verrekenen met de uitkering. Ingeval er sprake is van niet-nakoming door een verzekerde die niet tevens de verzekeringnemer is, zal vermindering van de schade kunnen plaatsvinden op basis van art. 7:941 lid 3, jo. 926 BW (de Obliegenheit).
Naast deze in de wet opgenomen sanctionering wordt in de praktijk in de polisvoorwaarden veelal gebruik gemaakt van de sanctie van verval van het recht op uitkering wegens niet-nakoming van een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 (hierna: de verplichting tot informatieverstrekking). Het huidige recht kent - in overeenstemming met de algemeen levende opvatting op dit punt3 - evenwel de bepaling in art. 7:941 lid 4 BW, waarin is bepaald dat de verzekeraar een dergelijke sanctie slechts kan bedingen4voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad.
Tot slot kent de wet in art. 7:941 lid 5 BW een sanctieregeling die los staat van de hiervoor genoemde wettelijke mogelijkheid tot vermindering van schade en de mogelijkheid om het verval van het recht op uitkering in de polis te bedingen: de (wettelijke) sanctie van verval van recht indien een verplichting tot informatieverstrekking niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden. Hieronder zullen de bewijsrechtelijke aspecten van een beroep op bovenbedoelde (wettelijke) sancties en de daaraan verbonden vereisten, worden besproken.5 Maar eerst zal aandacht worden besteed aan de voorvraag.